Als de sojatoevoer stokt, dan worden zuivel en vlees snel schaars. ‘Een draaiboek is er niet’

14 uren geleden 2

„Als er helemaal geen soja meer binnenkomt? Dan hebben wij een probleem”, zegt Ruud Zanders. De eigenaar van Kipster voert zijn zeventigduizend leghennen met reststromen uit de voedingsindustrie. Dat betekent niet dat kippen alleen gebroken rijstwafels en oud brood eten. Daar zit nauwelijks eiwit in, zegt Zanders. „Soja is gewoon een heel goede eiwitbron.” Zelfs al bestaat hun kippenvoer maar voor 2 procent uit soja, helemaal zonder kan Kipster niet. „Zonder soja heeft de hele Nederlandse veehouderij een probleem.”

Nederland heeft veel vee en te weinig land om alle dieren te voeden. Het kan daardoor niet zonder geïmporteerd veevoer. Soja levert veel hoogwaardig eiwit voor een lage prijs, maar de Europese Unie teelt het gewas zelf vrijwel niet en haalt het vooral uit Brazilië en de VS. „Als de leveringszekerheid [van soja] afneemt, kan dat aanzienlijke gevolgen hebben voor de Europese veehouderij”, schrijven Wageningse onderzoekers in een rapport over voedselautonomie in de EU.

De oorlog in Iran laat zien hoe afhankelijk de EU is van de import van kunstmeststoffen en fossiele brandstoffen. Voor het voeden van 450 miljoen burgers kan de EU net zomin zonder soja. Voor deze cruciale grondstof is Europa volgens het Wageningse rapport niet zelfvoorzienend. Het is één van de grootste kwetsbaarheden in de voedselvoorziening. En noodvoorraden zijn er niet.

De kans dat er ineens geen sojaschepen meer binnenvaren, is klein. Maar grondstoffen zijn niet meer los te zien van geopolitiek. Plotselinge blokkades, zoals nu die van de Straat van Hormuz, laten zien dat een constante aanvoer van cruciale grondstoffen geen vanzelfsprekendheid is. Niet alleen oorlogen en conflicten zijn een risico, ook klimaatverandering bedreigt de voedselzekerheid. Nu al houden beursgenoteerde voedingsbedrijven als Ahold Delhaize en FrieslandCampina er in hun winstverwachtingen rekening mee dat onmisbare grondstoffen minder beschikbaar en dus duurder worden.

Dat alles roept de vraag op: hoe afhankelijk is Nederland van soja? Hoe groot zijn de risico’s? En wat is daaraan te doen?

Geen parmaham zonder soja

„Soja zou het volgende product kunnen zijn waarmee problemen ontstaan”, zegt Tweede Kamerlid Joris Lohman (CDA), duidend op de huidige prijsstijgingen van olie en kunstmest. Hij schreef eerder het boek Boter, kaas en havermelk over voedselketens. „Stel dat Trump zegt: ik vind Europa nu zo vervelend, ik blokkeer de export van soja. Weliswaar is er dan soja uit Zuid-Amerika, maar onze eiwitstroom wordt wel afgeknepen.” Grofweg een vijfde van de soja die Nederland importeert, komt uit de VS.

Europeanen halen hun eiwit, proteïne, voor het merendeel uit vlees, eieren en zuivel. Van varkens, kippen en koeien. Zonder er telkens bij stil te staan dat ze daarmee indirect ook soja eten. Koeien eten vooral gras, maar vaak ook krachtvoer met soja. Het hoogste aandeel soja zit in het voer voor vleeskuikens, die snel moeten groeien. Zonder soja geen boter, kaas en eieren. En ook geen kipnuggets of parmaham.

Het debat draait om de vraag hoe je de voedselzekerheid in Europa vergroot. Met omvangrijke veehouderij, zoals met name BBB stelt? Of moet je kijken naar de brede eiwitvoorziening: produceren boeren genoeg eiwitrijk voedsel – dierlijk en plantaardig – om iedereen te voeden? En kunnen Europeanen misschien wat minder vlees en zuivel eten, zodat er minder land nodig is om alle dieren te voeden? Dat laatste ligt gevoelig, maar zou de afhankelijkheid van soja wel kleiner maken.

Soja in Europa telen is nauwelijks een optie, daarvoor heeft het niet het ideale klimaat. „Met eiwitten van eigen bodem, zoals veldbonen, wordt Nederland minder afhankelijk van de import van soja”, zegt Lohman. „Nederland moet zelf meer peulvruchten gaan telen.” De Tweede Kamer nam zijn motie hierover aan tijdens een landbouwdebat in maart. Het kabinet beloofde dit voorjaar binnen enkele maanden met de Nationale Voedselstrategie te komen die al in 2025 klaar had moeten zijn. Dat gebeurt op initiatief van BBB-Kamerlid Henk Vermeer, die bij het debat zei: „Europa moet zich gaan bezighouden met het weerbaar maken van Europa. Dat begint bij voedselzekerheid.”  

Lees ook

Hoe het saaie, stoffige boontje een hip pak aangemeten krijgt

Een medewerker sorteert witte bonen op de lopende band in de HAK-fabriek.

Op papier houden Nederland en de Europese Unie zich hiermee al jaren bezig. Nederland heeft sinds 2020 een Nationale Eiwitstrategie, die de teelt van eigen bonen stimuleert als „zelfvoorzienend, duurzaam en gezond”. En ook de EU probeert de voedselvoorziening te wapenen, met name tegen de allergrootste bedreiging: klimaatverandering. Opwarming van de aarde leidt tot verdroging, extreme regenval, watertekorten, misoogsten en minder land dat geschikt is voor landbouw. Dat raakt ook de sojaproductie.

Maar het opstuwen van de teelt van peulvruchten, raapzaad en zonnebloemen voor menselijke consumptie en veevoer schiet nog niet echt op. Verzet en scepsis is er ook in de agrarische sector; wat doet dit beleid met de kostprijs? Nederland verdient goed aan de export van zuivel, vlees en eieren, mede dankzij soja. Geen enkele andere eiwitbron biedt zo’n gunstige verhouding tussen prijs en goede aminozuren. De sector vreest voor de concurrentiepositie van Nederlandse boeren op de wereldmarkt wanneer die op minder efficiënte gewassen zijn aangewezen.  

Het gat van Rotterdam

Hoe kan het dat veevoer dat van zo ver moet komen, zo goedkoop en onmisbaar is? Achter de sojaverslaving van Europa zit ook een historische verklaring.  

Het begon, zal iedere landbouwexpert vertellen, na de Tweede Wereldoorlog. De voedselproductie moest omhoog. Kunstmest, mechanisatie, betere zaden en gewasbeschermingsmiddelen hielpen daarbij. En vooral ook: beleid. Subsidie voor en protectie van Europese boeren.

Importheffingen op graan, om Europese boeren op de wereldmarkt te beschermen, leidden tot een handelsconflict met de VS. Dat werd in 1962 gesust met een akkoord: Europa handhaafde de heffingen op graan uit Amerika. In ruil daarvoor moest soja onbelemmerd naar Europa kunnen. 

Granen en bonen behoorden tot die tijd tot het standaardmenu voor varkens en kippen. Koeien aten veel minder krachtvoer. Maar vanaf de jaren zestig overspoelde Amerikaanse soja de Rotterdamse haven, een verschijnsel dat later ‘het gat van Rotterdam’ ging heten. De goedkope, voedzame importsoja verdrong de lokale peulvruchten en granen uit het veevoer. Op het moment dat ook de vraag groeide: steeds meer Europeanen konden het zich veroorloven dagelijks vlees te eten.

Illustratie Stijn kuiper en jet Peters

Soja maakte het ineens mogelijk veel vee te houden zónder land om veevoer te verbouwen. Vooral de varkenshouderij groeide explosief, waardoor Nederland inmiddels driekwart van zijn varkensvlees kan exporteren.

Inmiddels wordt grofweg driekwart van het landbouwareaal wereldwijd gebruikt voor veeteelt, grotendeels voor veevoer. De EU importeert jaarlijks ruim 35 miljoen ton soja.

Mede door de sojateelt is om alle Nederlandse dieren te voeren 1,6 keer de oppervlakte van Nederland nodig, heeft milieuorganisatie Urgenda weleens berekend: „Ook voor landbouwgrond zijn we dus afhankelijk van de rest van de wereld”, signaleert Lohman.

Geen noodscenario of crisisplan

De structurele afhankelijkheid roept de vraag op: wat als de import van een cruciale grondstof zoals soja ineens stilvalt? Komt dan de voedselzekerheid in Nederland in gevaar?

In een uitzonderlijke crisis, waarin Nederland niets meer zou kunnen importeren, zou het nog steeds genoeg voedsel voor zijn eigen burgers kunnen produceren. Dat is in Wageningen in 2013 al eens uitgezocht. Het Nederlandse dieet wordt dan wel karig, zegt Petra Berkhout, landbouweconoom in Wageningen en co-auteur van een WUR-rapport over voedselautonomie in de EU. De meeste dieren gaan naar de slacht, omdat er acuut te weinig veevoer is. Ook als het langer duurt, is er te weinig land om de huidige veestapel én alle mensen te voeden. Boeren moeten snel overschakelen om het tekort aan peulvruchten aan te vullen.

Het was een denkoefening, een theoretische exercitie. En het leverde geen nationale voedselstrategie op, laat staan een noodplan. De prijsexplosies tijdens de coronapandemie (2020) en de oorlog in Oekraïne (2022) hebben daar nauwelijks verandering in gebracht. Als over noodsituaties wordt nagedacht, gaat het eerder over een grote stroomuitval en de distributie van voedsel. ‘Geen soja’ zit, voor zover na te gaan, in geen enkel scenario.

In Zwitserland is wettelijk vastgelegd dat er voor minstens twee maanden veevoer op voorraad is. Finland heeft speciaal raapzaad veredeld, dat zelfs in de koudste zomers als noodgewas kan dienen. Nederland heeft eiwitrijk veevoer voor niet meer dan een paar weken op voorraad – anderhalve maand als alles meezit, mailt Erwin Wunnekink, directeur van Nevedi, de vereniging van de diervoederindustrie. „Er zijn geen nationale strategische voorraden voor diervoedergrondstoffen zoals soja”, aldus Wunnekink. „En ook geen draaiboek voor een scenario waarin de soja-import volledig stilvalt.”

De sector heeft ervaring met plotselinge krapte, legt Wunnekink uit. Die is deels op te vangen met alternatieven, zoals raapzaad- of zonnebloemschroot, veldbonen en erwten. Maar niet onbeperkt: daarvoor is er niet genoeg. Bovendien is de samenstelling van aminozuren minder gunstig dan die van soja. „Op korte termijn kan dus worden geschoven, maar structurele vervanging zal niet lukken.”

Wunnekink is duidelijk over wat er gebeurt als er niet of nauwelijks soja zou zijn. Stijgende voerprijzen, dalende productie en uiteindelijk: minder dieren, en dus ook minder vlees, zuivel en eieren voor consumenten en hogere prijzen in de supermarkt. De eerste gevolgen zullen binnen een paar weken zichtbaar zijn, zegt Wunnekink. Aan noodgewassen heb je dan weinig. „Het kost jaren om de productie te vergroten.”

Er zijn iets minder krappe voorraden dan vóór corona, zegt Jan Willem Baas van Het Comité van Graanhandelaren, dat ook in soja zit. Maar de voorraden substantieel vergroten? Dat vindt hij „een van de slechtste dingen die je kan doen”. Voorraden aanleggen verstoort de markt, zegt hij, het jaagt de prijs op. „En opslag is duur, het is niet zo dat er in Nederland veel loodsen leeg staan.” Bovendien: het is uitstel van executie. Op een dag is de soja alsnog op.

Dat er geen crisisplan is, begrijpt Baas wel. „Als je ervan uitgaat dat het er altijd is, vind je veevoer niet ‘kritiek’.” Soms is er paniek, en dan wordt alles vloeibaar, ziet Baas. Toen de Oekraïne-oorlog uitbrak, werden maistekorten opgelost met aanvoer uit Noord- en Zuid-Amerika. En toen graan niet meer weg kon via Odesa, voeren Nederlandse binnenvaartschepen via de Donau naar een ‘noodhub’ in Constanta, een Roemeense havenstad aan de Zwarte Zee. „Vrienden blijven met onze buurlanden”, is de les die Baas eruit trekt. „Als er wat gebeurt met de havens in Nederland, zijn er nog altijd havens in Frankrijk.”

De aandacht voor soja overschaduwt overigens een andere afhankelijkheid, waarover de veevoerindustrie minstens zo bezorgd is: de aminozuren en vitamines die aan het veevoer worden toegevoegd. Zoals Baas ze noemt: het zout en peper van de veevoeders. Sojastromen zijn groot en zichtbaar. Maar om dieren precies de nutriënten te geven die ze nodig hebben, is Europa volstrekt afhankelijk van Azië, voornamelijk China – sinds Europese bedrijven als DSM die niet meer maken. „Die afhankelijkheid”, zegt ook Wunnekink, „is mogelijk sterker dan die van soja zelf.”

Werk samen met middelgrote landen

Of het nu gaat om een acute crisis of onzekerheid op lange termijn, voor beide geldt dat de EU twee wegen moet bewandelen, zeggen de experts. Niet alleen meer zelf produceren, maar vooral ook de internationale aanvoerketens verbreden en versterken. „Open strategische autonomie”, zoals Berkhout het noemt.

„Het zou goed zijn als de EU minder soja invoert”, zegt ze. „Maar vanuit het perspectief van voedselzekerheid is soja-import niet per se slecht.” In een wereld met vrije handel worden goederen en gewassen geproduceerd waar dit het meest efficiënt kan. Zo komt ook de helft van de plantaardige olie van buiten de EU, uit palm of zonnebloem. Mondiale ketens bieden variatie (bananen! koffie!) en leveringszekerheid. Als de ene handelsstroom stilvalt, is er altijd wel een ander land dat nog kan leveren.

Onlangs nog sloot de EU handelsakkoorden met Zuid-Amerika en India. Zo zijn nog veel meer bondgenoten te vinden, denkt Lohman, geïnspireerd door het recente pleidooi van de Canadese premier Carney. Die riep op, na Trumps dreigementen aan IJsland, tot meer samenwerking tussen middelgrote landen: „Dat kan ook op het gebied van voedsel.” Canada is zelf een voedselgrootmacht en een grote exporteur van onder meer tarwe en koolzaad. Zo’n bondgenootschap kan de voedselzekerheid in Europa vergroten, denkt Lohman.

„En als de EU echt zelfvoorzienend wil worden”, voegt Berkhout toe, „moet je Oekraïne bij de EU trekken.” Nu al importeert de Unie aanzienlijke hoeveelheden graan en oliehoudende zaden uit Oekraïne. Van de biologische soja komt 16 procent daarvandaan.

En het gat van Rotterdam? „Dat zou Europa dan moeten dichten”, vindt Lohman. Waarmee hij bedoelt dat gewassen van Europese bodem op prijs moeten kunnen concurreren met Braziliaanse en Amerikaanse soja. „Maar zolang mensen zoveel vlees en zuivel eten”, zegt het Kamerlid, „is het een illusie om te denken dat we helemaal zonder soja kunnen.”

Voor Ruud Zanders van Kipster leidt de hele sojadiscussie maar tot één conclusie. „We hebben te veel dieren.” Als pluimveehouder zit hij daarom met een dilemma. Als hij stopt met zijn bedrijf, zou hij de veestapel een beetje kleiner maken. Maar dan kan hij de wereld niet meer laten zien hoe je dieren kunt houden én binnen de grenzen van de planeet kunt blijven.

Voor zichzelf heeft hij wel een keuze gemaakt, nadat hij zich in de intelligentie en het gevoelsleven van kippen had verdiept. De eigenaar van zeventigduizend kippen eet zoveel mogelijk plantaardig. „En af en toe een eitje.”

Lees het hele artikel