Ze is 79,98 meter lang, 17 meter breed en bevaart sinds dit voorjaar de wereldzeeën: in maart jongstleden doopte het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) het gloednieuwe research vessel Anna Weber-van Bosse. Wie was de naamgeefster van dit onderzoeksschip?
Een jonge weduwe die zich ontwikkelde tot een internationaal vermaarde algendeskundige, blijkt uit de recent verschenen biografie In lange rok de koraalriffen op. Daarin beschrijft historisch letterkundige Andrea Kieskamp in detail het leven en de loopbaan van Weber-Van Bosse: biologe, feministe én ontdekkingsreizigster.
Anna van Bosse (1852-1942) groeit op in de Amsterdamse grachtengordel, als jongste dochter in een welgesteld gezin. Met haar gouvernante gaat ze vaak naar Artis; in haar vrije tijd verslindt ze boeken over planten. Maar wat haar leven en daarmee de biografie zo interessant maakt, is haar eigenzinnigheid en haar doortastendheid. Wordt paardrijden in Amsterdam te min beschouwd voor vrouwen van haar stand? Ze trekt de natuur in en doet het simpelweg toch. Nadat ze op haar negentiende is getrouwd met een rijke buurjongen, kunstschilder Wilhem Willink van Collen, erft het kersverse echtpaar een landgoed, maar weigert de nalatenschap vanwege de verplichtingen die het met zich meebrengt.
Liever leven ze een vrijer leven in de stad. Daar richt Van Bosse met gelijkgestemden een ‘Leesmuseum voor Vrouwen’ op – het is de tijd van de eerste feministische golf, waarin vrouwen opkomen voor onder meer kiesrecht en het recht op betaald werk. Kieskamp vermeldt en passant de vriendschap met Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke promovendus in Nederland die in 1879 benoemd wordt tot doctor in de geneeskunde. Bij de verdediging van haar proefschrift bedankt Jacobs „mevr. De Wed. Willink van Collen […] voor de vele en voortdurende blijken van sympathie en vriendschap, die ik van U heb mogen ontvangen”.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20125919/090526WET_2032456608_portret1-1.jpg)
Anna Weber-van Bosse met de gibbon Sampie, die ze meenam van haar eerste reis naar Nederlands-Indië.
Foto Collectie Stadsarchief AmsterdamAnna van Bosse, 26 jaar oud, is op dat moment net een paar maanden weduwe – Wilhem is overleden aan longtuberculose. Ze is als bestuurslid betrokken bij het verbeteren van kinderopvang en van voorzieningen voor blinden en slechtzienden. Maar de plantkunde blijft lokken en dus schrijft ze zich, als een van de eerste drie vrouwen, in aan de kersverse Universiteit van Amsterdam. Die bestaat op dat moment drie jaar.
Haar plantkundedocent is de beroemde Hugo de Vries, wiens hoorcolleges en practica Anna ‘dronken van vreugde’ maken. Ze is niet de enige van haar sekse met botanische interesse (in Engeland is onder jonge vrouwen rond diezelfde tijd sprake van ‘pteridomanie’ oftewel varengekte, en ook het verzamelen van zeewier is populair) maar ze heeft binnen het vakgebied wel een eigenzinnige voorkeur: voor algen, de ‘lagere’ plantachtige organismen zonder wortels, stengels en bladeren.
Op haar negenentwintigste loopt ze, bij een etentje, haar toekomstige tweede man tegen het lijf: de van oorsprong Duitse arts en zoöloog Max Weber. Hij versiert haar door haar materiaal toe te sturen vanaf een expeditie in de Barentszzee. Of zoals ze zelf schrijft: „Huiverend aanvaardde ik het mooie materiaal, daar ik volkomen overtuigd was van mijn eigen gebrekkige kennis, maar mijn liefde voor die planten, die den bodem der zee bewonen is zoo groot, dat ik aan den anderen kant gretig van deze gelegenheid gebruik maakte, om eenige, voor ons zeldzame soorten te leren kennen.” Twee jaar na hun ontmoeting trouwen ze. Als huwelijksreis vertrekken ze naar Noorwegen, om walvissenonderzoek te doen en dieren te verzamelen voor de collectie van Artis.
Caulerpa scalpelliformis
Hypnea musciformis var. hippurioides
Caulerpa peltata var. macrodisca
Monostroma sandei
Caulerpa cupressoides var. turneri
Ceramium cingulatum
Een bruine alg die ze vond tijdens de reis naar zuidelijk Afrika in 1894.
De dierentuin speelt enkele jaren later, in 1885, een doorslaggevende rol in Van Bosses wetenschappelijke carrière. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen schrijft een prijsvraag uit over de vacht van luiaarden. Die is zó rijk begroeid met plantaardig materiaal dat het bruin een groene glans krijgt. Ideale camouflage in de jungle – maar, zo wil het comité dat de prijsvraag uitschrijft weten: wat zijn die ‘plantaardige parasieten’ op de vacht precies?
Aan een vriendin die naar Suriname is verhuisd vraagt Van Bosse om haar twee luiaarden te sturen, die ze bij Artis onderbrengt. Veel later, net voor haar negentigste verjaardag, vertelt ze daarover tegen tijdschrift Libelle: „Ter wille van de prijsvraag […] kroop ik elken dag ter onderzoeking van hun levende have bij ze in de kooi.” Zo ontdekt ze dat er twee algensoorten samen voorkomen in de luiaardvacht, allebei van een nog onbekend geslacht. Die groeien in de groeven van de haren en zorgen niet alleen voor een goede schutkleur, maar – zo blijkt ver na Van Bosses onderzoek – vormen ook een vitaminerijke aanvulling op het luiaardendieet. En het ecosysteem van de luiaardvacht is zelfs nog complexer: tussen de begroeide haren leven nachtvlinders, die op hun beurt weer hongerige vogels aantrekken.
Van Bosse krijgt een gouden medaille voor haar ontdekking. In een reeks van 1.206 prijsvragen, waarvan er 169 worden bekroond, is ze, aldus Kieskamp, „de eerste én de laatste vrouw die een medaille ontvangt”. En dat is het startschot voor haar verdere loopbaan, die in het teken staat van de symbiose tussen planten en dieren. Het is een onderwerp dat veel in de belangstelling staat eind negentiende eeuw, wanneer net bekend is geworden dat korstmossen bestaan uit een samenlevingsvorm van een alg en een schimmel.
Kieskamp merkt op hoe Van Bosse de symbiose in het planten- en dierenrijk gebruikt „als metafoor voor haar tweede huwelijk”, met gelijkwaardige partners die elkaar versterken. Daarmee breekt ze met het gedachtegoed van botanici als Carl Linnaeus, in wiens natuurlijke indeling de mannelijke voortplantingsorganen, de meeldraden, hoger in hiërarchie stonden dan de vrouwelijke stampers. Of zoals in de biografie staat: „Op die manier projecteerde hij niet alleen de genderideologieën van zijn tijd op de natuur, hij leverde er ook nog eens ‘natuurlijk bewijs’ voor, waarmee hij de ondergeschikte positie van vrouwen legitimeerde.”
Zo niet bij het echtpaar Weber-Van Bosse. De twee monsteren samen aan bij meerdere wetenschappelijke oceaanexpedities: rond Sumatra beschrijven ze samen de symbiose tussen algen en zoetwatersponzen, in Maleisië ontdekt Anna een parasitaire alg op een pannekoekenplant. Ze keren terug naar huis met gezinsuitbreiding: diverse papegaaien, een Indische mangoest en een zilvergibbon met de naam Sampie. Later reizen ze onder meer naar Zuid-Afrika en India, om uiteindelijk in 1899 terug te keren naar Indonesië.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20125528/090526WET_2032456608_boot.jpg)
Anna Weber-van Bosse heeft scheepskat Titi op schoot. Ze zit te midden van alle opvarenden van de Siboga, klaar voor vertrek in maart 1899.
Foto Collectie Allard Pierson (UvA), Artis BibliotheekTijdens die reis met de Siboga neemt Van Bosse als eerste vrouw in de geschiedenis als wetenschappelijk staflid deel aan een oceanografische expeditie. Een unicum, schrijft Kieskamp: „Tot het midden van de twintigste eeuw mogen vrouwelijke wetenschappers niet mee op oceanografische expedities.” Van Bosse bestudeert tijdens de reis de koraalriffen, die vol algen blijken te zitten. Jaren later schrijft ze, in een handboek voor amateurverzamelaars, hoe dat in z’n werk gaat: in dun wollen badkostuum (met zedige lange rok) en op hoge laarzen (als bescherming tegen scherp koraal en puntige zee-egels). Met pincetten, messen en hamers verwijdert ze de algen, die ze vervolgens droogt in een herbariumpers om later uitgebreid te kunnen onderzoeken.
Ze ontdekt onder meer een nieuwe algensoort, Coccospherae siboga, en ziet hoe uitgebreide onderwaterbanken van de rode kalkalg Lithothamnion „overal krachtig meehelpen aan het opbouwen der riffen”. Daarmee is ze de eerste die vaststelt dat kalkalgen cruciaal zijn voor de groei van koraalriffen. Later gebruikt een gerenommeerde Amerikaanse algoloog haar Lithothamnion-foto’s voor verder onderzoek, en schrijft er uiteindelijk een publicatie over in vakblad Science. Ook andere vooraanstaande algenonderzoekers borduren voort op de baanbrekende ontdekkingen van Van Bosse: dat koraalriffen in de basis levende organismen voren.
Langzaamaan groeit nationaal en internationaal haar naamsbekendheid en in 1910 komt er wetenschappelijke erkenning. Als eerste vrouw in de Nederlandse geschiedenis krijgt ze een eredoctoraat. Maar bij de uitreiking komt ze niet opdagen: ze vindt het te veel eer. Tot ver na hun tachtigste blijft het echtpaar Weber-Van Bosse actief in de wetenschap. Ze werken hun wetenschappelijke publicaties van de Siboga-expeditie uit en doen vanuit huis microscopisch onderzoek.
In 1933 wordt door de Nederlandse Dierkundige Vereniging een zeewaardig onderzoeksschip in gebruik genomen met de naam Max Weber; in Indonesië heeft het Laboratorium voor het Onderzoek der Zee een gelijknamig schip in gebruik. Inmiddels zijn die beide schepen allang uit de vaart. Maar nu, een kleine eeuw later, komt alsnog de gelijkwaardigheid die voor het echtpaar zo belangrijk was: de komende decennia zal RV Anna Weber-van Bosse de wereld rondvaren – onder andere om onderzoek te doen aan koraalriffen.


:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/taxonomy/06b57cb-AanZet_itemafbeelding.png)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/06115015/060526CUL_2032604031_medusaDRAGEND.jpg)



English (US) ·