Die menselijke drang om vooruit te komen, of liever nog, omhóóg, omhóóg

23 uren geleden 3

Met jonge kinderen moet je op vrije dagen weg, eropuit, want te lang thuisblijven zorgt voor Stanford Prison Experiment-achtige taferelen. We hebben al heel veel gezien. Het Archeon, waar pubers in berenvellen en op Adidas-gympen werken en in plaggenhutten, de lucht zwaar van houtvuur en feromonen, horkerig flirten tijdens het kaarsen kleien.

Museum Voorlinden, waar alle VPRO-kinderen dromerige foto’s maken in dat freaking blauwe zwembad. Of Sprookjeswonderland, het enigszins ongelukkige bruidsmeisje van de Efteling.

Maar Aviodrome, het park in Lelystad dat over de geschiedenis van de Nederlandse luchtvaart gaat, sloegen we tot nu toe over. Want vliegtuigen, wat moet je er in godsnaam mee.

We kwamen er toch terecht. Het bleek groot, erg groot. En er waren heel veel vliegtuigen, ook dat verraste ons niet. Maar wat me volledig van mijn stuk bracht, was de emótie die me overspoelde bij de tocht langs honderd jaar vliegen in Nederland. Het houten staketsel met twee engelenvleugels van zeildoek, waarmee mensen hoopten te kunnen zweven. De eerste echte vliegmachine, waarmee ze erin slaagden twaalf seconden drie meter boven de grond te blijven. Anthony Fokker en zijn rondje om de Bavokerk in Haarlem.

Al die menselijke drang om vooruit te komen, of liever nog, omhóóg, omhóóg. De opgestelde vliegtuigjes uit de jaren dertig, zo elegant in dieprood en okergeel. De vluchten van Nederlands-Indië naar hier, hoop die na de landing veranderde in kilte, in duffeljassen en afwijzing. In de hangars klonk muziek, grote jazzorkesten, vrolijk en opstuwend, met filmpjes van mannen en vrouwen met brede glimlachen en sigarettenpijpjes, op een eerste pleziervlucht naar het Verenigd Koninkrijk.

En later, de oorlog, hoe de technische vooruitgang explodeerde, zoals altijd wanneer gevaar dreigt, al die bommendragers, al die jonge mannen die zich met parachutes in de buik van een Dakota schuilhielden om zich te laten vallen boven vreemd land.

Al die jonge mannen die zich met parachutes in de buik van een Dakota schuilhielden om zich te laten vallen boven vreemd land

Watertandend liep ik door een oude Boeing 747, trok een tv-schermpje vanuit de armleuning van een stoel omhoog. Ik dacht aan mijn eerste vlucht naar Turkije, toen ik vier was en Oilily-schattig. Ik mocht in de cockpit.

En nog hadden we niet alles van de Aviodrome gezien, alsof we in een tijd-ruimtecontinuüm terecht waren gekomen waar we, eindeloos, verstilde vliegtuigen konden kijken. We bekeken een documentaire over de Lockheed Constellation, oftewel ‘de Connie’, een zilveren vogel (hoor mij nou) die, met veel pech, vanuit Arizona naar Lelystad is gevlogen. In de ruimte daarna, toch verrassend, stond ze te blinken.

We gingen er in en troffen een medewerker van de Aviodrome: een man op leeftijd, die alles wist over hoe te navigeren zonder computers, omdat hij vroeger schipper was geweest. „Maar nu hou ik van Connie”, zuchtte hij en aaide zachtjes haar binnenkant. „Ik heb mijn vrouw over haar verteld”, voegde hij er, waarschijnlijk routinematig maar evengoed schalks, aan toe. „Ze was eerst heel jaloers, maar toen ze haar eenmaal zag begreep ze het.”  

We liepen Connie uit, de zon in. „Jongens”, zei ik, en spreidde mijn armen. „Wat een geweldige dag. Wat vinden jullie er nou allemaal van?”  

Mijn dochter van vier keek me fronsend aan. „Het is leuk, maar helaas wel veel vliegtuigen”, mompelde ze.

En daarna zeiden ze allemaal, je gelooft het toch niet, dat ik nu officieel een boomer ben.

Lees het hele artikel