Zondag is het Moederdag – ik waarschuw maar even. Dit om in allerijl gekochte paniekcadeautjes te voorkomen. Wie nog een moeder heeft, mag blij zijn, de ergste secreten even daargelaten.
Ik heb al heel lang geen moeder meer, maar – en nu volgt de sentimenteelste zin die ik ooit heb geschreven – ,,haar foto staat nog steeds op mijn nachtkastje’’.
Waarom? Natuurlijk, omdat ik veel van haar hield, maar vooral ook omdat ze, inmiddels een vrouw op leeftijd, op die foto iets breekbaars heeft. Ze kijkt niet in de camera, maar een beetje opzij met een ietwat afwezige, verbaasde blik.
Achteraf vermoed ik dat ze toen al aan dementie leed, ook al zal ze nog wel in staat zijn geweest om haar eigen kinderen te herkennen. Later lukte dat niet meer. Ik woonde ver weg, ze zag me niet regelmatig en ik herinner me nog goed die eerste keer dat ze, staande in de deuropening, me zwijgend monsterde. Ik had een anonieme collectant kunnen zijn.
Ze was een geweldige moeder geweest, iemand die zich in een traditioneel gezin volledig wegcijferde voor haar man en twee zoons. Ze had, net als al die andere moeders destijds in die toen nog gebruikelijke positie, een beter lot verdiend. Ja, we zijn op onze manier ook ‘goed’ voor háár geweest, maar voor de beperktheid van haar leven hebben we te weinig oog gehad.
Ik moest sterk aan haar denken toen ik onlangs in Trouw in de rubriek ‘Gedicht van de week’ het mij onbekende, indrukwekkende gedicht ‘Moeder’ van de vergeten Vlaamse schrijver Karel Jonckheere (1906 – 1993) las. Het gedicht was opgemerkt door de Vlaamse schrijver Maud Vanhauwaert in haar ,,zoektocht naar mooie gedichten voor Moederdag’’. Ik ben het gedicht nooit eerder in enige bloemlezing tegengekomen, zelfs niet in De Moeder, een bloemlezing van moedergedichten door Gerrit Komrij.
Moeder
Zo lang zij rustig leeft kunnen wij haar vergeten,ze kost ons zorg noch geld, ze doet ons nimmer zeer;tweemaal in ’t jaar, misschien, gaan wij nog bij haar etenen lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.
Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,wat ons gewichtig werd valt plots en dwaas uiteen,wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonentot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreên.
Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezichtwaarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorvenbeschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.
Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnenvervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnenover haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.


:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/taxonomy/06b57cb-AanZet_itemafbeelding.png)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/06115015/060526CUL_2032604031_medusaDRAGEND.jpg)


English (US) ·