Het grote erf is wat je verwacht van een akkerbouwbedrijf: een woonhuis, grote schuren, een trekker en doorkijkjes naar uitgestrekte akkers. Het enige opvallende is een bord met een gestileerde tekening van een boer en een boerin die een dansje doen met reusachtige bonen. Het is een soort ster van Bethlehem midden in de Flevopolder, die vertelt: hier zijn peulvruchten ter wereld gekomen.
„Dat is ons beeldmerk”, zegt bonenteler Henk Janknegt over het plaatje. „Dat kennen we eigenlijk niet in de landbouw, maar we willen een herkenbaar gezicht hebben.” We, dat zijn de Eiwitboeren van Nederland, een organisatie die de teelt, verwerking en verkoop van peulvruchten in Nederland probeert op te stuwen. Janknegt is hun voorman.
We bezoeken hem in Zeewolde voor de gehaktbal van de toekomst, die NRC heeft laten ontwikkelen. Deze bal – met weinig vlees en veel planten – moet een beeld geven van de pogingen om in Nederland meer plantaardig eiwit te verbouwen en eten. Veldbonen moeten de bal een eiwit-boost en textuur geven.
Janknegt teelt veldbonen en spliterwten, naast onder meer aardappelen en uien. De meeste Nederlanders kennen de veldboon niet. We gaan ze nu ook niet zien, want ze zijn al geoogst en opgehaald. „De veldboon is een soort kleine tuinboon”, zegt Janknegt. Waar de tuinboon jong en frisgroen wordt geoogst, komt de veldboon gedroogd en in een bruine peul van het land. Ze belandt daarna niet in supermarktkistjes, blikken of glazen potten, maar wordt verwerkt in bijvoorbeeld vegaburgers.
Grote besparing op kunstmest
Veldbonen leggen zelf, zonder mest, stikstof vast in de bodem. Andere vlinderbloemigen, zoals erwten, doen dat ook, maar de overige gewassen niet: daar moet (kunst)mest bij om ze goed te laten groeien. „Na de oogst heb ik in mijn bodem nog 80 kilo stikstof per hectare”, zegt Janknegt met de nuchtere passie van de vakman. Gewassen die hij daarna op hetzelfde stuk land zet, zoals ui, aardappel of suikerbiet, hebben daardoor minder kunstmest nodig: „Een enorme duurzaamheidsslag.”
De teelt van peulvruchten als veldbonen zorgt ook voor veel minder uitstoot dan de productie van vlees en zuivel. De royaal aanwezige eiwitten uit peulvruchten belanden meestal vrijwel rechtstreeks in menselijke voeding, en er is nauwelijks mest voor nodig. De productie van een kilo vlees vereist een veelvoud aan veevoer en daarmee veel kunstmest en land. Bovendien zit met name in koeienscheten en -boeren veel methaan, een krachtig broeikasgas.
Bij de verduurzaming van de Nederlandse landbouw staan peulvruchten nadrukkelijk op het menu, ook omdat een plantaardiger eetpatroon gezonder is dan een dieet met veel vlees. Door van bonen ook nog eens echt Hollandse waar te maken, zoals wordt geprobeerd met de Nationale Eiwitstrategie, hoeven ze minder ver op transport; dat drukt de uitstoot ook nog iets.
Nederlandse boeren die peulvruchten telen krijgen een extra duurzaamheidsbonus. Inmiddels zijn enkele tientallen boeren net als Janknegt aan de slag gegaan met de teelt van peulvruchten, met vertrouwde namen (bruine bonen) en minder vertrouwde (lupine). De afgelopen tien jaar is het areaal peulvruchten dan ook gegroeid, al blijft het piepklein op het totaal aan landbouwgrond.
De bonenteelt op Nederlandse bodem moeten Janknegt en zijn collega’s eigenlijk helemaal opnieuw opbouwen. Peulvruchten komen nu vooral uit landen waar de landbouwgrond veel goedkoper is dan in Nederland: de spliterwten in de blikken oer-Hollandse erwtensoep komen bijvoorbeeld bijna allemaal uit Canada. Nederlandse bonen zijn vooral iets van vroeger.
Romeinse Rijk en Karel de Grote
Eeuwenlang waren bonen de betrouwbare bondgenoot van de Europese bevolking. Ze schraagden het Romeinse Rijk, waar ze hun naam leenden aan patriciërs als Cicero (kikkererwt), en ze behoedden de onderdanen van Karel de Grote en diens nazaten voor hongersnood. Peulvruchten voedden ook de bevolking in Nederland, toen die in de negentiende eeuw spectaculair groeide.
In de loop van twintigste eeuw verloren peulvruchten hun plek op de akker en het bord. Aardappels, suikerbieten en uien boden een stabielere oogst, die ook makkelijker met machines binnengehaald kon worden. De uitvinding van kunstmest maakte vlinderbloemigen overbodig om de bodem vruchtbaar te houden. En importgranen bleken goedkoper veevoer dan veldbonen.
De doodklap kwam in de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog, toen Europeanen rijker werden
De doodklap voor peulvruchten kwam in de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog. Europeanen werden snel rijker en gingen veel meer vlees eten – en nauwelijks nog bonen. De veestapel werd in duizelingwekkend tempo uitgebreid met behulp van soja uit Noord- en Zuid-Amerika die als veevoer werd gebruikt. De goedkope en zeer eiwitrijke importsoja is nu de kurk waar de omvangrijke Europese veeteelt op drijft, niet bonen of granen.
Nieuwe keten: van zaadveredelaar tot consument
Bij de reanimatie van de peulvruchtenteelt staan eiwitboeren als Janknegt voor grote uitdagingen. De kennis over bonen is goeddeels verloren gegaan, terwijl die hard nodig is. „Veldbonen zijn robuust en kunnen groeien op uiteenlopende bodemtypes”, legt Janknegt uit. „Maar de teelt heeft een iets hoger risico, doordat de opbrengsten per hectare meer fluctueren dan die van bijvoorbeeld tarwe.”
Anders dan voor aardappelen of suikerbieten bestaat er geen industrie rond veldbonen. Voor bonen moet een heel nieuwe keten worden gebouwd, van het eerste zaad van de veredelaar tot het bord van de consument. Dat valt niet mee: bonenboeren zijn een kleine partij tussen grote landbouwcoöperaties, voedingsproducenten en supermarkten.
De verhoudingen zie je terug in de (Europese) landbouwsubsidies, die voor dierlijk voedsel veel hoger zijn dan voor plantaardig voedsel. Dat komt voor een groot deel doordat subsidies veelal per hectare worden verstrekt. Voor vee(voer) wordt veel meer grond gebruikt dan voor gewassen die door mensen worden gegeten.
Mede daarom hebben de eiwitboeren hun krachten gebundeld in een zogeheten productorganisatie. „Daarin maken we afspraken met elkaar en met afnemers over duurzaamheid en kwaliteitsnormen”, zegt Janknegt.
De grootste barrière voor telers is de prijs. Die bepaalt de inkoper, en die kiest in de praktijk vaak voor goedkopere bonen uit Oost-Europa. Janknegt kreeg voor zijn laatste oogst een lagere prijs geboden dan de keer ervoor – zo laag dat hij zijn bonen liever verkocht aan een veevoederbedrijf.
Als Nederland echt „voor onze eigen voedselproductie kiest”, zegt Janknegt, moeten de prijzen voor de bonentelers omhoog. „De tijd van zo goedkoop mogelijk produceren moet voorbij zijn.”
Meeliften op de hype van pokébowl
Breken inderdaad andere tijden aan in een land waar de helft van de bevolking zelden of nooit peulvruchten eet? Met die vraag lopen we een paar dagen na ons bezoek aan Janknegt rond bij de Grote Bonen Show in het Zeeuwse Nieuwdorp. In 2022 werd de zogeheten Bean Deal gesloten, om veel meer peulvruchten op het bord van de Nederlander te krijgen.
Nu vieren betrokkenen – van teler tot retailer en van bankier tot bestuurder – de successen die worden gepresenteerd op een podium. Twee grote cateringbedrijven gaan meer bonen verwerken in hun maaltijden. Applaus! Meer dan twintig telers hebben groene erwten geleverd aan supermarkt Jumbo. Applaus!
„En de edamame-boontjes lopen als een tierelier”, zegt Jeroen Willemsen op het podium, dankzij de hype van de pokébowl. Hij is de opgewekte en onvermoeibare kartrekker van organisaties en bedrijven die de Nederlander meer plantaardig eiwit willen laten eten – onder de vlag van Green Protein Alliance. In de grafiek over de verkoop van peulvruchten in de afgelopen jaren ziet hij vooruitgang.
Het gaat om een lichte stijging en om kleine volumes. Daarnaast zijn er echte tegenvallers. De verkoop van plantaardige zuivel is wisselend. De omzet van vleesvervangers, waarin vaak bonen zijn verwerkt, loopt zelfs terug. De gedachtewisselingen gaan dan ook veel over manieren om de consumptie van peulvruchten aan te jagen.
Met nieuwe producten. Of door bonen te verlossen van hun imago van goedkoop en ‘geitenwollensokken’ door er een premium product van te maken. Of door aan te haken bij de jongste trend van fibermaxxing, het verslinden van gezonde voedingsvezels.
Tegelijk moeten supermarkten meer samenwerken met bonentelers, zegt Janknegt, die ook het podium krijgt: „En erop vertrouwen dat wij op tijd producten van een goede kwaliteit kunnen leveren.” Onder luide bijval herhaalt Janknegt zijn boodschap dat de telers een betere prijs moeten krijgen voor hun bonen.
Veldboneneiwit in ijs
De bonen die bij Janknegt en zijn collega’s van het land komen, gaan naar de Brabantse boerencoöperatie Cosun, de grootste suikerbietenverwerker van Nederland. De laatste jaren investeert Cosun ook in plantaardig eiwit, omdat de coöperatie daarvan op de lange termijn veel groei verwacht. Sinds 2022 verwerkt dochteronderneming Cosun Protein daarom eiwit uit veldbonen voor onder meer (plantaardige) yoghurt, sauzen, sportvoeding, melk, ijs en smeerkaas.
Het is dit veldboneneiwit dat in de gehaktbal gaat die voedseltechnoloog Dennis Favier voor NRC ontwikkelt. Daarom bezoeken we het innovatiecentrum van Cosun in Dinteloord, een gebouw dat met zijn witte panelen en glazen wanden ook voor een biotechfabriek kan doorgaan.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/01141618/010426ECO_2031809228_bonen2.jpg)
Gedroogde veldbonen, geteeld door Henk Janknegt in de Flevopolder.
Foto John van HamondDe vraag naar het veldboneneiwit is fors toegenomen, vooral bij Europese levensmiddelenproducenten, vertelt Marcel van der Vaart, hoofd innovatie van Cosun. „In het begin waren we al blij als we een keer tweehonderd kilo verkochten. Een jaar of wat later zaten we ineens op tonnen en het groeit gestaag door.”
Hier in Noord-Brabant hebben Van der Vaart en zijn mensen hun productiemethode ontwikkeld. Als de schilletjes zijn verwijderd, worden de veldbonen met water vermengd tot een dikke pap. Dat mengsel wordt gedroogd, waarbij het eiwit wordt gescheiden van zetmeel en vezels. „Dat scheiden doen we op een milde manier”, zegt Van der Vaart, zodat de bindende, elastische eigenschappen bewaard blijven.
Wat overblijft, is een wit poeder: het bestaat voor 85 procent uit eiwit, lost goed op in water en heeft nauwelijks een bijsmaak. „Je kan er een romige textuur en een emulsie mee maken, voor bijvoorbeeld een yoghurt”, legt Van der Vaart uit: „Je kan ermee schuimen en er een gelei mee maken.” En het werkt goed als vleesvervanger. Bij een blinde proeverij vond het panel een vleesproduct mét boneneiwit lekkerder dan zonder.
Toch groeien de bonenstaken nog niet tot in de hemel. Cosun Protein is een beginnend bedrijf, waar nog veel wordt geïnvesteerd in onderzoek en groei. Bij de verkoop van het veldboneneiwit ziet Cosun hoe belangrijk de prijs is voor afnemers. „Klanten willen er wel een premie voor betalen, omdat ons product waarde toevoegt”, zegt Van der Vaart, „maar de prijs mag niet uit de pas lopen met alternatieve producten als soja en dierlijk eiwit.”
Cosun let dus scherp op de kosten, zegt Van der Vaart: „De inkoopprijs van de bonen is, naast de productiekosten, een belangrijk onderdeel van onze kostprijs. Die ligt oostwaarts echt stukken lager.” Dat komt doordat in Polen en de Baltische Staten de landbouwgrond en de teelt veel goedkoper zijn dan in Nederland.
Voor een nieuwe eiwitfabriek kijkt Cosun daarom onder meer naar Litouwen, waar de overheid subsidie verstrekt als de fabriek daar ook echt wordt gebouwd. In dat geval zullen ook de Nederlandse bonen daar worden verwerkt. Van der Vaart: „Uiteindelijk zijn we een internationaal bedrijf, dat opereert op de wereldmarkt.”
‘Lokaal’ lijkt soms bijna een doel op zich, als het gaat over een duurzamer voedselsysteem. Maar het hoeft niet erg te zijn dat de bonen buiten Nederland worden geteeld en verwerkt, vindt landbouweconoom Petra Berkhout, onderzoeker aan de Wageningen Universiteit.
Berkhout trekt liever een wat ruimere cirkel voor de lokale en regionale voedselproductie: „Iedereen vindt het logisch dat Italië olijfolie produceert en Nederland suiker. En misschien is het daarom ook geen gek idee om peulvruchten niet in Nederland te telen, maar in landen waar ze niet met aardappel, ui en suikerbiet hoeven te concurreren.”
Alleen tijdens een uitzonderlijke crisis, waarin Nederland op zichzelf zou zijn aangewezen, zouden hier veel meer peulvruchten geteeld moeten worden. Peulvruchten zijn met koolzaad het enige gewas, zo heeft Berkhout weleens uitgerekend met collega’s, waar Nederland een tekort aan heeft als het land zelfvoorzienend moet zijn.
Na het gesteggel over de inkoopprijs heef Janknegt lang geaarzeld of hij opnieuw veldbonen zou inzaaien. Dat heeft hij uiteindelijk toch gedaan, vertelt hij een paar maanden na ons bezoek over de telefoon. „Ik heb een faire verkoopprijs kunnen afspreken.”
Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van het boek ‘De wereldgeschiedenis in twaalf bonen’ (2023) van Joël Broekaert


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/01183932/010426BUI_2032754622_spaceX.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/01132514/010426ECO_2032741854_de.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/01124427/web-010426ECO_2032739031_2hev.jpg)

/https://content.production.cdn.art19.com/images/50/e8/3e/a5/50e83ea5-8cf1-4349-9462-5b5863b64e4a/af0c17b97ddd0f84fe511c4c944146018785a8d11cc10be78abe40e3404a3abc26cdb2b1e7e20555a8e822d1e009b2bddea3071c1b7d1d63ffcae2f01c298e20.jpeg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/27160522/310326FOT_2032468828_satelliethormuz.jpg)

English (US) ·