Wie zijn dat eigenlijk, ‘wij’?

17 uren geleden 3

Enkele uren nadat Donald Trump vorige maand had gedreigd om een beschaving te vernietigen, kreeg Rob Jetten de vraag wat hij daar nu van vond. „We zien”, sprak de premier, „dat de toon en de retoriek rondom de oorlog in Iran aan het verharden is en dat dat een oplossing alleen maar verder uit zicht brengt”. Daar valt natuurlijk van alles over te zeggen, maar het was vooral Jettens ‘we’ dat voormalig Dichter des Vaderlands Lieke Marsman in het verkeerde keelgat schoot: „Wie is eigenlijk die fictieve ‘we’ van Jetten wanneer hij het steeds heeft over ‘we zien dat, we maken ons grote zorgen dat’ etc?” schreef ze op sociaal medium Bluesky. Ze vermoedde „een truc uit een managementcursus”.

Cursus of niet, Jetten is een gretig wijzegger. Aan het slot van zijn verkiezingscampagne – ‘We kunnen het bijna ruiken’, zei hij over de overwinning – haalde hij eerst de moeder van alle non-descripte wij’s aan (‘Wij zijn met meer’, door hem toegeschreven aan Sigrid Kaag) en eindigde hij met een zeer hoge wij- en onsdichtheid: „Samen kunnen we geschiedenis schrijven. Samen kunnen we de wereld beter maken voor ons en onze kinderen; voor nu én de toekomst. Samen laten wij zien: het kan wél.” De vibe van dit gewij was helder, maar stilletjes ging de betekenis over van Jettens partijleden naar een veel groter wij: dat van alle Nederlanders. Jettens uitbundige Nederlandse-vlagvertoon paste daar ook bij: uiteindelijk zegt een vlag altijd ‘Wij!’

Politici wentelen zich graag in een wij, terwijl – en misschien ook wel omdat – zelden helemaal duidelijk is waar zo’n wij voor staat. Wij kan een warm woord zijn, een verbale omhelzing: komt u er maar bij. Maar zoals dat gaat met omhelzingen: als je er niet op zit te wachten, dan voelt het als een aanranding. En dan is er ook nog het begrenzende ‘wij’: dat niet uitnodigt, maar anderen buitensluit: de zij, jullie of jij voor wie kennelijk geen plaats is in ons wij.

Maar zoals dat gaat met omhelzingen: als je er niet op zit te wachten, dan voelt het als een aanranding

Nestje bouwen

Vandaar de vraag: wat zeggen wij als wij wij zeggen? Zeker is dat we er vroeg bij waren. De zin die lang doorging voor de oudste zin in het Nederlands is een wij-zin: ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbidan uue nu’.  (‘Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve ik en jij; waar wachten we nog op?’). Niet alleen komt er een we – toen nog geschreven als uue – in de zin voor, de regel gaat ook over het worden van een ‘wij’, in dit geval door het bouwen van een nestje. Het Nederlandse wij is trouwens van Duitsen bloede, het gaat terug op het Duitse weiz.

Taalkundigen maken onderscheid tussen wij en we. Daarbij wordt wij vaak gebruikt om de eigen groep te onderscheiden van anderen: „wij gaan naar het strand” of „wij doen de afwas”. Je kunt er makkelijk „en jij niet” achter denken. We wordt dan weer eerder gebruikt om alles en iedereen bij elkaar te vegen, als in: „We zijn verloren.”

Ik stuitte ook op verschillende betekenissen van wij op een koffiemok die een grote webwinkel onder mijn aandacht bracht: een drinkbeker met een fictief woordenboeklemma erop, in dit geval van het ‘pers. vnw.’ wij. Twee betekenissen: „1. Twee mensen die ruzie maken over wat ze gaan eten en 2. Het beste team van de wereld.” Dat laatste met een hartje; mensen kunnen een beetje sentimenteel worden van wij.

Of opstandig, zoals van de klassieke verpleegkundige die de patiënt tegemoet treedt met een achteloos en goedgeluimd „hoe voelen wij ons vandaag?” – een kleineringswij. Het neerbuigende schuilt erin dat de patiënt ineens geen individu meer is. Zo’n wij ontneemt een mens zijn (of haar, of diens) eigenheid – en dat steekt.

Het klassieke voorbeeld van verzet daartegen zien we – gewikkeld in paradoxen –  in de film Life of Brian, waarin de onvrijwillig uitverkoren verlosser Brian zijn volgelingen toeroept: „You are all individuals!” Waarna het collectief enthousiast antwoordt: „Yes! We are all individuals!” Waarop één man vooraan duidelijk maakt dat dit zijn wij niet is: „I’m not.”

Omdat zo vaak onduidelijk is wie er wel en niet tot een wij behoort, zijn historici en journalisten niet dol op het woord; taalgebruikers die anderen ergens van willen overtuigen of toe aan willen zetten (columnisten bijvoorbeeld, of politici) des te meer: retorici passen het graag toe. Waarna anderen de tegenaanval inzetten door vertekenend wijgebruik aan de kaak te stellen. Zo stuitte ik in het voorwoord van het boek The Language of Climate Politics van Genevieve Guenther op een harde aanval op het woord wij. Het ging daar om het wij in een zin als „Wij veroorzaken klimaatverandering” of „Wij moeten minder CO2 uitstoten.” Dat lijkt een volkomen neutraal gebruik van ‘wij’. Samen zijn wij immers alle mensen – meer wij dan deze wij krijg je het niet. Toch klopt er hier iets niet, schrijft Guenther. Want deze wij, dit ‘schuldige collectief’, is helemaal geen collectief. Hier staat de armste helft van de wereldbevolking (die verdient krap 7 dollar per dag, en heeft geen bijzonder grote ‘voetafdruk’) naast de mensen die, in Guenthers woorden, bereid zijn de toekomst van de wereld in gevaar te brengen om maar fossiele brandstoffen te kunnen blijven gebruiken. Sommige van die mensen hebben bijzonder veel macht, schrijft ze.

Voor die laatste groep is dat wel zo prettig. Hun verantwoordelijkheid wordt verdund, zij kunnen schuilen in het wij van de veel minder schuldigen. Hier is wat Guenther betreft niet een wij op zijn plaats, maar een helder zij. Vergelijk het met het gezinslid dat zegt dat we belachelijk veel stapels boeken in huis hebben liggen, terwijl één gezinslid hoofdverantwoordelijk is voor het binnenslepen van al dat papier (willekeurig voorbeeld).

Wij Nederland

Wij hebben ook een omroep. Hoewel Omroep WNL ooit het licht zag als Wakker Nederland (naar de leus van mede-oprichter De Telegraaf, ‘de krant van wakker Nederland’) staat de afkorting al jaren voor Wij Nederland. Dat wij wordt nader gespecificeerd doordat de omroep zich identificeert als ‘vrolijk rechts’. De combinatie ‘wij’ en ‘Nederland’ leidt een mens toch al snel naar rechts – al dan niet vrolijk. Neem Uitverkoren maar niet bevlogen. Hoe doorbreken wij het bleke en verstarde leiderschap in Nederland? van Gimbert Rost van Tonningen of Wij willen ons Nederland terug van Willem Klaassen. Die boeken staan stevig in de traditie van het uitsluitende wij, dat wordt gebruikt om degenen buiten de deur te houden die er níét bij horen. Al zijn er ook boektitels die pogen het wij terug te veroveren voor een grotere groep Nederlanders: Wij zijn Nederland. Moslima’s over Ayaan Hirsi Ali.

Zeer bedreven in de toepassing van een nondescript ‘wij’ blijkt VVD-leider Dilan Yesilgöz. In de Kerdijk-lezing, die zij begin dit jaar uitsprak, gooide zij meteen aan het begin van haar verhaal een stevige ‘we’ in de strijd: „We leven immers in een tijd waarin de grond onder onze voeten aan het verschuiven is.” De ‘we’ van Yesilgöz blijkt de Nederlander of Europeaan die zichzelf vroeger heeft wijsgemaakt dat er nooit meer oorlog zou komen. Daarna volgt een mitrailleurvuur van we’s, over een ‘we’ dat lang naïef is geweest, maar dat de taal van de macht weer moet leren spreken.

Bij deze ‘wij’ hoort een ‘zij’: expliciet noemt ze autocraten die „elk systeem willen ondermijnen dat hen verhindert te doen wat zij willen”. Moskou en Teheran noemt Yesilgöz bij naam. Wat ze zegt over desinformatie en sociale media geldt natuurlijk ook voor Donald Trump, maar in hoeverre de Verenigde Staten onder ‘wij’ of ‘zij’ vallen, blijft ongewis. Met graagte haalt Yesligöz dan weer haar we en wij uit de kast waar het gaat om de historische Nederlander: „Dat wij altijd de oplossingen hebben gevonden voor problemen waar de hele wereld mee kampt.” En: „Dit zit in ons dna.”

Dna. Daarmee brengt Yesolgöz haar wij het domein van de biologie en de geschiedenis binnen. Kennelijk wordt daar bepaald wie wij zijn en wie zij zijn.

Koninklijk wij

De Nederlander met het meeste wij in zijn dna is ontegenzeggelijk de koning, al is de pluralis majestatis allang in onbruik bij het Koninklijk Huis. Toen de koning op zijn verjaardag de Dokkumers bedankte voor de hartelijke ontvangst, was de enige wij die hem over de lippen kwam die van een „we zijn er bijna” toen hij zich voorbereidde op het uitspreken van enkele woorden Fries die hij had voorbereid. Daar zat geen enkel wy in – verstandig, want sinds Bonifatius is duidelijk dat men in Dokkum zich niet ongevraagd in een vreemd wij wil laten inwijden.

Dna. Daarmee brengt Yesolgöz haar wij het domein van de biologie en de geschiedenis binnen. Kennelijk wordt daar bepaald wie wij zijn en wie zij zijn

Dat de koning een retorisch wij niet schuwt, bleek eerder bij zijn werkbezoek aan de Verenigde Staten, waar hij zijn gehoor voorhield: „Door de eeuwen heen is onze band altijd hecht gebleven. En dat is iets wat wij koesteren. Het Koninkrijk der Nederlanden is een betrouwbare en betrokken vriend. Wij geloven in de lange termijn. In partners en bondgenoten op wie je kunt bouwen. Om […] Benjamin Franklin aan te halen: ‘We have to hang together or we will assuredly all hang separately’.” Hier werden de Amerikanen – en dan in de eerste plaats hun president – bijkans doodgeknuffeld in de wijbetuigingen.

Rondom dat bezoek – en de niet-vernietiging van de Iraanse beschaving – liet premier Jetten ook nog een wijwaarschuwing horen, aan de Trump-schouderophalers: „We maken het onszelf ook te makkelijk door alleen maar te zeggen: het zijn dagkoersen.” Het was precies zo’n wij als de we die Lieke Marsman vertoornde, maar laten we ons niet wijsmaken dat de wijkwestie begint en eindigt bij de minister-president. Immers: wie zonder wij is, werpe de eerste steen.

Bovendien heeft Jetten ook weleens van een helder wijbewustzijn blijk gegeven. In de regeringsverklaring van zijn kabinet zei hij naar aanleiding van een uitspraak van Jan Terlouw over hoe een kiezer voor de periode van vier jaar zijn vertrouwen aan een politicus of partij geeft: „Het vertrouwen dat zij – wij dus – die stem voor iets goeds gebruiken.” Hier gebruikte de premier een fraaie wij-zij, een zij die eigenlijk een wij is. Want misschien is dat wel het meest behartigenswaardige antwoord op de vraag wie wij zijn: andermans zij.

Lees het hele artikel