De ‘AI-oorlog’ is begonnen. Staat Europa met lege handen?

1 uur geleden 1

En toen werd een existentiële Europese angst ineens werkelijkheid. Vorig weekend beval de Amerikaanse overheid dat het nieuwste AI-model van maker Anthropic ontoegankelijk moest worden voor niet-Amerikanen. Volgens de regering-Trump zorgde het geavanceerde model Fable 5 (en het taalmodel waarop het is gebaseerd, Mythos) voor te grote cyberveiligheidsrisico’s om nog langer door buitenlanders gebruikt te worden. Anthropic protesteerde maar zag zich door het overheidsbevel gedwongen om Fable 5 wereldwijd ontoegankelijk te maken.

Deze ongekende, openlijke overheidsingreep in kunstmatige intelligentie zorgde de afgelopen week voor veel internationale reacties, en heeft waarschijnlijk grote gevolgen voor de ontwikkeling van AI, de voorgenomen beursgang van Anthropic en andere AI-reuzen, internationale betrekkingen en meer.

In Europa draaiden de reacties vooral om de gevaarlijke afhankelijkheid van Amerikaanse technologie. De gevreesde kill switch, een ‘rode knop’ waarmee de Amerikaanse president AI kan uitzetten voor andere landen, blijkt er echt te zijn. De Franse presidentskandidaat Gabriel Attal reageerde meteen fel: „De AI-oorlog is begonnen.”

Wat moet Europa nu doen?

AI-onderzoekers Michiel Bakker (van de Amerikaanse universiteit MIT en DeepMind, een AI-tak van Google) en Stan van Baarsen (van de Nederlandse denktank Delta Instituut) schreven mee aan een toekomstscenario, Europe 2031, over een volledig afhankelijk en achterblijvend Europa in 2031. De Amerikaanse president gebruikt daarin een soort kill switch voor de meest geavanceerde AI voor Europa. Ze publiceerden hun scenario één dag voordat het daadwerkelijk gebeurde. „Een bizar toeval,” zegt Van Baarsen telefonisch. „Maar niet bepaald onverwacht.”

De kern van hun zorg: AI is niet zomaar een handig appje, maar een cruciale infrastructuur voor toekomstige welvaart, veiligheid en vooruitgang. Het meest acute gevaar is de cyberveiligheid, zegt Bakker: „Als de Amerikanen met hulp van geavanceerde AI alle kwetsbaarheden kunnen vinden in digitale systemen, maar wij ze niet kunnen dichten omdat we geen toegang hebben tot dezelfde technologie, dan kan dat leiden tot een bedreiging voor onze economie en samenleving.”

De AI-achterstand kan ook de fundamentele Europese innovatiekracht aantasten, volgens hem: „Als wetenschappers in de VS straks toegang hebben tot veel betere modellen dan Europese wetenschappers, dan kom je op een punt dat alle vooraanstaande wetenschap, in ieder geval in de natuurwetenschappen, gedreven wordt door de Amerikanen.”

Bakker, Van Baarsen en hun co-auteurs kregen deze week onder Europese technologie-ondernemers opvallend veel bijval. Ze vinden dat er feitelijk geen andere keuze is dan meedoen met de AI-wedloop zoals de Amerikanen die nu aan het winnen zijn: Europa moet volgens hen net als de Amerikanen investeringen van honderden miljarden euro’s doen in start-ups, bestaande bedrijven en de bouw van reusachtige datacenters, ook als die aanvankelijk nog zeer vervuilend zijn.

„Je moet wel kijken of ze niet beter in Zweden of Frankrijk gebouwd kunnen worden dan in landen met minder hernieuwbare energiebronnen natuurlijk”, zegt Bakker, die ook hoopt op toekomstige technische ontwikkelingen die datacenters minder vervuilend maken.

Als Europa de kloof wil inlopen én toegang tot technologie wil behouden, moet het met Amerikaanse bedrijven samenwerken, volgens Europa2031

Dat alles kan wat hen betreft niet zonder de Amerikanen. Als Europa de kloof wil inlopen én toegang tot technologie wil behouden, moet het volgens Europa2031 met Amerikaanse bedrijven samenwerken en gezamenlijk investeren. Er moet dan wel voor worden gezorgd dat de infrastructuur die wordt gebouwd onder Europese wetten valt.

Ze ergeren zich aan het gebrek aan urgentie en de gelatenheid die in sommige Europese reacties nog altijd klinkt. Alsof Europa het ook wel zonder die AI-modellen kan en zonder datacenters. Bakker: „Een goede vergelijking is elektriciteit. Elektriciteit is zo extreem belangrijk dat we nooit zouden zeggen ‘Oh, elektriciteit is iets van die Amerikanen, dat willen we niet in Nederland. Ook elektriciteit heeft voor goede en slechte dingen gezorgd’.”

Van Baarsen: „Er zit in veel Europese discussies een ondertoon van: misschien moeten we even kosten en baten afwegen. We kunnen er wel even wat meer tijd voor nemen. Maar als je dat doet, geef je je hele economische concurrentiepositie op, omdat je niet meer mee kan in de manier waarop de wereldeconomie werkt. En dat veroorzaakt blijvende economische schade en een achterstand die je juist slechter in staat stelt om de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen vorm te geven.”

Je kunt niet verdedigen wat je niet onder controle hebt, en rekenkracht is tegenwoordig net zo strategisch als energie

Hoogste versnelling

Maar niet iedereen vindt dat Europa nu per se in de hoogste versnelling mee moet doen in de AI-race naar Amerikaans model.

Zoals Francesca Bria, zij is een van de beeldbepalende voorvechters van de Eurostack-beweging, die de afgelopen twee jaar succesvol heeft geprobeerd digitale autonomie in Europa op de agenda te krijgen. Daarbij overigens flink geholpen door de regering-Trump. Ze is econoom en gespecialiseerd in digitaal beleid. Ze was eerder verantwoordelijk voor de digitalisering van Barcelona. En ze is zeker niet tegen de bouw van datacenters. Die zijn zelfs cruciaal. Want je kunt niet autonoom, soeverein, onafhankelijk of hoe je het ook wilt noemen zijn op andermans computers.

„De strijd voor democratie begint met controle over kritieke infrastructuur”, mailt Bria desgevraagd. „De Stack — chips, rekenkracht, cloud, modellen, data, netwerken — vormt de wereldwijde toeleveringsketen van de moderne macht. Wie deze in handen heeft, bepaalt de voorwaarden voor alle anderen. Je kunt niet verdedigen wat je niet onder controle hebt, en rekenkracht is tegenwoordig net zo strategisch als energie.”

Dat besef klinkt ook door in het pakket aan wetten en maatregelen dat de Europese Commissie eerder deze maand presenteerde voor Europese technologische soevereiniteit. Volgens dat pakket moet de datacentercapaciteit in Europa binnen vijf tot zeven jaar verdrievoudigen. Om dat voor elkaar te krijgen, zullen alle Europese landen zones moeten aanwijzen waarin datacenters kunnen worden gebouwd.

Het Europese debat zit vooral vast op de vraag wie die datacenters gaan bouwen en betalen. Onder welke voorwaarden worden ze neergezet. Hoe zorg je ervoor dat ze Europa echt gaan dienen, en niet alleen een paar rijke Amerikanen nog rijker maken?

En daar lopen de visie van de auteurs van Europa2031 en Francesca Bria uiteen. De auteurs vinden dat Europa samen op moet trekken met de vooroplopende Amerikaanse bedrijven. Bria waarschuwt tegen te klakkeloos meegaan in de Amerikaanse-stijl AI, die vooral draait om schaalgrootte, kapitaalkrachtige megabedrijven en het schrappen van zoveel mogelijk regulering en belemmeringen. Zij zegt: als we die logica kopiëren, verliezen we alsnog waar Europa voor staat.

„Europa moet niet proberen een krachtmeting op schaal met de VS en China te winnen”, mailt Bria. „We zouden verliezen en we zouden precies dat model kopiëren dat we juist moeten afwijzen: een handvol gigantische, gesloten (taal)modellen, gebouwd door een paar bedrijven, die energie verslinden en macht concentreren.” Wat haar betreft moet het antwoord worden gezocht in een andere architectuur.

„Gespecialiseerde modellen die zijn getraind op basis van onze geweldige industriële, wetenschappelijke en culturele gegevens, waarbij kwaliteit boven pure omvang gaat. AI dicht bij de fabriek, het ziekenhuis, het elektriciteitsnet. Op basis van schone energie, ontworpen om minder te verbruiken, niet meer.” Ze noemt een aantal voorbeelden die ook in de EU-strategie terugkomen. Europa zou een sterke positie kunnen krijgen in de toepassing van – zelf ontwikkelde – AI in sectoren waar het continent al sterk in is, zoals productie, farmacie, energie, robotica en mobiliteit. „De volgende golf van AI speelt zich af in de fysieke wereld en dat is ons terrein.”

Dat zijn ideeën waar niemand tegen is. Maar die nog steeds zelfontwikkelde Europese AI-modellen en datacenters vergen. Hoe daaraan te komen? Nog los van de weerstand die de bouw van datacenters oproept en de gigantische kosten voor milieu en klimaat.

Een hapklaar Europees antwoord is er niet. Wel een aantal terugkerende trefwoorden. Een daarvan is interoperabiliteit. Dat wil zoveel zeggen als: het moet gemakkelijk zijn je data van de ene aanbieder naar de andere te verplaatsen. Of bij AI-modellen: om over te schakelen van het ene model naar het andere, zonder bijvoorbeeld allerlei werk kwijt te zijn. De EU probeert interoperabiliteit af te dwingen via wetgeving.

Mensen staren zich blind op de AI-modellen van de grote bekende bedrijven. Zoals Copilot van Microsoft en Claude van Anthropic

Vanuit de machinekamer

Een ander trefwoord is open source. Ook daar is beweging en die stemt enigszins hoopvol, zegt Daniel Kapitan. Hij doceert aan het AI Systems Institute van de TU Eindhoven en werkt voor bedrijven die AI-modellen willen gebruiken. „Ik bekijk het vanuit de machinekamer”, zegt hij telefonisch. „Mensen staren zich blind op de AI-modellen van de grote bekende bedrijven. Zoals Copilot van Microsoft en Claude van Anthropic, het bedrijf dat afgelopen weekend de toegang tot Fable en Mythos blokkeerde.”

„Daar is een soort wapenwedloop gaande tussen bedrijven die met één type AI zo snel mogelijk een zo groot mogelijk marktaandeel proberen te krijgen. Met enorme marketingbudgetten.” Als ze dat marktaandeel eenmaal hebben, gaan de prijzen omhoog. Dat zien softwareontwikkelaars zoals Kapitan nu gebeuren. De tijd van gratis experimenteren met AI is voorbij. „Daardoor haken ontwikkelaars af en gaan naar iets anders.”

Buiten het blikveld van de massa ziet hij ontwikkelaars in groten getale switchen, weg van de hele generieke bekende taalmodellen. Dat kan doordat tal van modellen, bijvoorbeeld die van Mistral (Europees) en DeepSeek (Chinees), maar ook van Meta (Amerikaans) deels openbaar gemaakt zijn. Daardoor kunnen ze door andere ontwikkelaars worden gebruikt om op door te bouwen en variëren. Mede daardoor zijn er inmiddels honderdduizenden AI-modellen beschikbaar. Op specifieke deelgebieden kunnen die bijna hetzelfde als de grote bekende Amerikaanse met een abonnementsmodel, maar dan voor een fractie van de kosten.

„Zo’n model kun je downloaden, draaien op hardware die je kunt kopen en vervolgens doortrainen op eigen data binnen je bedrijf.” Kapitan wijst op het van oorsprong Franse bedrijf Hugging Face dat een marktplaats voor AI-modellen heeft gebouwd, waarop die ook goed te vergelijken zijn. „Er is veel en veel meer dan mensen denken. Een totale explosie.” Hugging Face is inmiddels overigens wel gevestigd in de VS. 

Dat die vrij beschikbare modellen niet 100 procent hetzelfde presteren als bijvoorbeeld de begeerde programma’s van Anthropic is volgens Kapitan minder belangrijk dan de meeste mensen denken. „Eigenlijk boeit dat niet zo. Het is veel belangrijker om na te denken hoe je het model gebruikt en combineert met andere software. Daar kan je sneller en goedkoper betere resultaten mee halen.”

Hijzelf zou voor het gebruik van de taalmodellen van de grote bekende merken 3.000 tot 4.000 euro per maand kwijt zijn. In plaats daarvan kiest Kapitan specifiekere modellen die openbaar beschikbaar zijn, bijvoorbeeld voor programmeren of samenvatten van Nederlandse teksten. Die draait hij voor zijn klanten vervolgens in een Europees datacenter naar keuze. Voor ongeveer een vijfde van de kosten.

Die datacenters bestaan dus. Maar je krijgt er niet hetzelfde als bij de Amerikaanse ‘hyperscalers’ die hun klanten alles uit handen nemen. Daar koop je hun AI-model, dat draait in hun datacenter en dat naadloos integreert met de rest van je softwarepakket, omdat je dat ook bij hen gekocht hebt.

Wat Kapitan betreft zit in het gebruik van open modellen, waar ontwikkelaars zelf verder op kunnen bouwen, de sleutel naar een gezonde Europese techtoekomst. Bedrijven kunnen daarin ook samen optrekken. Als voorbeeld noemt hij de investering van ASML in Mistral in Frankrijk.

Aanbestedingen als hefboom

Maar zowel interoperabiliteit als open source geven nog geen antwoord op de vraag wie die datacenters moeten betalen en waar ze komen. Wat Francesca Bria van Eurostack betreft komt het antwoord in de allereerste plaats door de vraag te verleggen.

„Overheidsaanbestedingen zijn de meest krachtige hefboom die we hebben.” Europese landen betalen jaarlijks honderden miljarden euro’s voor Amerikaanse techdiensten. En minder dan 10 procent daarvan komt bij Europese bedrijven. „We financieren onze eigen afhankelijkheid.”

„Verleg de besteding van dat geld. Mobiliseer het. Eis open, soevereine oplossingen in álles wat met publiek geld wordt betaald. Maak een pool van wat aan nationale rekenkracht beschikbaar is in Europa. Zie gigafactories als kritieke infrastructuur.” 

Wat haar betreft hoeft niet alles in publieke handen te zijn. Datacenters hoeven niet gelijk nutsbedrijven te worden. Maar de basislagen, de datacenters waarop essentiële functies draaien, bijvoorbeeld voor defensie en online identiteitsbeheer (DigiD, Europese digitale identiteit) wel. „Dat is infrastructuur, zoals het spoor dat is of het elektriciteitsnet. Dat moet in publieke, Europese handen zijn. Met daarbovenop een laag waarbinnen private bedrijven kunnen concurreren.”

Hoe dan ook zijn het grote keuzes waar Europese burgers, bedrijven en overheden voor staan. Maar nu Trump zijn AI-kill switch voor het eerst echt heeft gebruikt, lijkt nog langer treuzelen over die keuzes de slechtste optie van allemaal.

Lees ook

De EU is een ‘digitale kolonie van de VS’. Deze Italiaanse probeert dat te veranderen, met enig succes

We moeten nú aan de bak, zegt Cristina Caffarra in Brussel. Europese soevereiniteit moet wat haar betreft een politieke topprioriteit worden.
Lees het hele artikel