Deze week gaat de dochter van N. naar de middelbare school en terwijl het meisje niet kan wachten, heeft haar moeder de hele zomer wakker gelegen van de stress. N.’s hoofd ziet er – volgens eigen zeggen – inmiddels uit alsof het op een barbecuerooster viel en de brandweer de vlammen vervolgens heeft geprobeerd te doven met een kettingslot.
„Ik vind het zo spannend”, hyperventileerde ze toen we gisteren een milkshake haalden. „Die schoolloting is complete Russische roulette, ze kent he-le-maal niemand daar.”
„Joh”, zei ik, „komt wel goed, ze is sociaal en lekker ad rem.”
„Dat was ik ook toen ik naar de brugklas ging”, knarste N., terwijl ze steeds harder op haar kartonnen rietje kauwde. „En toch was mijn eerste jaar een hel. Er zaten twee meiden in mijn klas die, telkens wanneer ik het woord nam, begonnen te zuchten en te smiespelen. Ze bleken roddels over me verspreiden en jutten de rest tegen me op, terwijl ik geen idee had wat ik fout deed. Ik was een vriendelijk kind, hield van een grapje en een praatje. Ik was spontaan, met de nadruk op wás.”
Ze gooide het tot papier-maché vermaalde rietje weg.
„Achteraf komt het natuurlijk door de eeuwige strijd om aandacht”, zei ze.
‘Je kan wel volhouden dat de meeste mensen deugen, maar dan vergeet je dat we van nature roofdieren zijn’
„De eeuwige wat om wat?”
„Bij groepen is het altijd de vraag wie de aandacht mag opeisen, en wie vooral niet. Oh wee als jij meer ruimte inneemt dan je volgens sommigen verdient. Dan komt er weerstand, vooral wanneer je niet cool, knap of populair genoeg bent. Zo’n diersoort zijn we nou eenmaal.”
„Dat is een cynische blik op de mens.”
„Niet zozeer op de mens, maar op de groep. Maar goed, misschien is het beter als ze dit op tijd leert. Van schoolplein tot dansles, van werkvloer tot bejaardentehuis, het blijft toch altijd een kwestie van mazzel dat de ruimte die je nodig hebt, ook de ruimte is die je wordt gegund.”
„Joh, ik heb ook genoeg clubs meegemaakt waar alles gezellig en gelijkwaardig en …”
„Ja, maar dat wil niet zeggen dat ik ongelijk heb”, pareerde ze. „Je kan wel volhouden dat de meeste mensen deugen, maar dan vergeet je dat we van nature roofdieren zijn. Waarbij sommige exemplaren er niet alleen voor terugdeinzen om soortgenoten te schaden in de strijd om voedsel of land, maar ook, wanneer ze hun natje en droogje eenmaal hebben, in de competitie om belangstelling.”
We liepen haar straat in. Over de weg hing een spandoek. „Onze scholen zijn weer geopend” stond er, het wapperde onstuimig tegen de lege hemel.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/17125005/170826VER_2035986123_bloed.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/17144335/170826BUI_2035726922_gaza3.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/17122053/170826CUL_2035977370_hayden2.jpg)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/14113734/140826VER_2035919103_pennings1.jpg)

English (US) ·