Een nieuwe wet moest kledingproducenten tot circulariteit dwingen. Maar duurzamer werd het er niet van

16 uren geleden 2

Less is more. Het staat in zwart-witte blokletters op de muur van een vergaderruimte, samen met andere slogans uit de mode-industrie. Het is een hete zomerdag in augustus 2023 bij het kantoor van brancheorganisaties INretail en Modint in Zeist. Vandaag wordt de zaal niet gebruikt door werknemers van merken als H&M of Primark, maar door een delegatie uit de wereld van het afval.

Less is more … mínder kleding, dat zouden de gasten in de zaal graag zien. Zij houden zich bezig met het inzamelen en verhandelen van afgedankt textiel en zien een almaar groeiende berg. Ze klagen al jaren dat kledingfabrikanten zich er nauwelijks om bekommeren.

Maar nu hebben de kledingmerken de afvalinzamelaars en sorteerders nodig. Een maand eerder is er een nieuwe wet van kracht geworden, de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (upv) textiel. Die maakt kledingmerken juridisch verantwoordelijk voor wat er met hun producten gebeurt als ze worden weggegooid.

Zo wil de wetgever dat de kledingafvalberg plaatsmaakt voor een circulair systeem, waarbij afgedankte kleding als grondstof voor nieuwe dient. De nieuwe verantwoordelijkheid betekent dat producenten ervoor moeten zorgen dat een stijgend percentage van de jaarlijkse kledingverkoop niet meer bij de vuilverbranding belandt. In 2025 moet dat de helft zijn, in 2030 zelfs 75 procent. Textiel moet vaker apart worden ingezameld en gesorteerd. Dat mogen de producenten overlaten aan de bestaande inzamelaars, maar ze moeten daar wel voor gaan betalen.

Vijf jaar na het eerste wetsvoorstel blijkt dat de juridische verantwoordelijkheid van producenten voor de textielafvalberg de kledingbranche niet duurzamer heeft gemaakt. Dat blijkt uit onderzoek van NRC waarvoor met zo’n vijftien betrokkenen is gesproken.

De zaak ligt gevoelig: inzamelaars zijn afhankelijk geworden van het geld van textielproducenten – en praten daarom liever anoniem. De beelden die ze schetsen, komen sterk overeen: kledingproducenten doen mee, „stribbelen mee”, maar van meer duurzaamheid komt het niet of nauwelijks. Hoe kan het dat het ministerie, producenten en afvalbedrijven het niet is gelukt de kledingafvalberg met de nieuwe wet te laten krimpen? Een ongeluk in vijf sleutelmomenten.

Illustratie Lois Konijn

Een ongemakkelijke afvalberg

Het is 2020. Nederlanders kopen jaarlijks per persoon gemiddeld 53 nieuwe kledingstukken, schoeisel meegerekend. Meer dan 17 kilo kleding gooien ze ieder weg, een hoeveelheid die in 25 jaar is verdubbeld. Minder dan één procent van de kleding wordt gerecycled tot nieuwe kleding. De omzet van de fashionbranche in Nederland is 11 miljard euro.

Wanneer Stientje van Veldhoven (D66) in 2017 aantreedt als staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, krijgt ze de groeiende kledingafvalberg op haar bord. Ze constateert dat gebruik van land, water, energie en chemicaliën door de textielsector „exponentieel” groeit. Net als de uitstoot van broeikasgassen: de textielindustrie stoot 1,2 miljard ton CO2 per jaar uit. „Dit is meer dan de uitstoot van het brandstofgebruik van alle internationale lucht- en zeevaart bij elkaar”, schrijft ze aan de Tweede Kamer.

In haar ‘beleidsprogramma textiel’ stelt ze doelen om de vervuiling te verminderen. Zo zou in 2025 een kwart van het garen in kleding van gerecycled of duurzaam materiaal moeten zijn.

Maar met doelen alleen kom je er niet. Ze kondigt ook wetgeving aan: een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (upv) voor textielbedrijven, waarmee kledingmerken verantwoordelijk worden voor hun afval. Daarmee hoopt ze „een verandering in gang te zetten in de richting van structureel duurzamere en fatsoenlijke productie” van kleding. De gedachte achter zo’n upv is het idee dat kledingmerken zelf veel meer recycling, reparatie en hergebruik gaan najagen en de sector zo duurzamer wordt. Dat gebeurt met wettelijke doelstellingen die elk jaar hoger worden, en toezichthouder ILT moet die achteraf controleren.

Ongeveer de helft van de afgedankte kleding gaat als restafval verloren in de verbrandingsoven. De andere helft wordt al decennia gescheiden ingezameld. Via kringloopwinkels en textielcontainers op straat komt het oude textiel bij bedrijven en organisaties waarvan nauwelijks iemand de naam kent.

Dit soort bedrijven, vaak gevestigd op bedrijventerreinen ver van de winkelstraat, zien waar het in werkelijkheid over gaat als beleidsmakers praten over de ‘wegwerpeconomie’. Elke paar uur parkeert een volle vrachtwagen met weggegooid textiel aan de poort. De lading wordt op een loopband gestort, waarna medewerkers verdwaald restafval eruit plukken. Het textiel wordt gesorteerd, verpakt in witte plastic balen en metershoog opgestapeld. In zeecontainers gaat de kleding het land uit, vooral naar Oost-Europa, of Afrika. Een klein deel belandt in Nederlandse kringloopwinkels.

Verhandelen van de gesorteerde textielbalen was jarenlang het verdienmodel van deze bedrijven. Kledingmerken houden zich op dat moment nog niet bezig met wat er met hun koopwaar gebeurt als het afval wordt.

Illustratie Lois Konijn

Een berg waarschuwingen

Het is 2021. Nederlanders kopen nog meer kledingstukken, namelijk gemiddeld 59 kledingstukken en schoenen per jaar. Het aandeel kledingstukken dat wordt gerepareerd in plaats van weggegooid, daalt. Gerekend in gewicht bestaat bijna 5 procent van het huishoudelijk restafval uit textiel.

Met haar wetsvoorstel voor producentenverantwoordelijkheid probeert staatssecretaris Van Veldhoven de werelden van de mode-industrie en van de afvalbedrijven samen te brengen. Kledingbedrijven worden vanaf 2023 verantwoordelijk voor inzameling en verwerking van hun afgedankte producten.

Vanaf 2025 komen daar wettelijk afdwingbare doelstellingen bovenop. Modebedrijven moeten ervoor zorgen dat de helft van de hoeveelheid kleding die ze in het jaar ervoor op de markt brachten, wordt ingezameld en gesorteerd voor hergebruik of recycling. Kleding die wordt gerecycled, mag niet alleen worden gebruikt voor laagwaardige toepassingen als isolatiemateriaal. Minstens een kwart moet zodanig verwerkt worden dat het als grondstof voor nieuwe kleding kan dienen.

Die percentages gaan in de jaren daarna telkens omhoog: in 2030 moet 75 procent van het textiel ingezameld worden. Om dat te kunnen halen, moeten textielbedrijven campagnes gaan voeren zodat consumenten hun afdankertjes niet meer met het restafval weggooien.

De nieuwe wet kan niet op applaus rekenen van de kledingindustrie. Modint en INretail vragen tevergeefs om uitstel. De branche vindt de doelstellingen te ambitieus en wil om „ingebouwde teleurstelling per 2025” te voorkomen de doelstellingen voor dat jaar met drie jaar uitstellen.

Die reactie was wellicht te verwachten. Opvallender zijn de twijfels in de duurzaamheidshoek. In een toelichting op de wet staat dat een van de verwachte gevolgen is dat producenten „mogelijk geprikkeld worden om hergebruik, langere levensduur en reparatie te stimuleren”. Maar Janine Röling van Fair Resource Foundation, een organisatie die ageert tegen de wegwerpmaatschappij, vraagt zich in een reactie op het wetsvoorstel af of dat wel zo is.

Ze wijst op eerdere upv-wetten, onder meer voor verpakkingen, elektronica en autowrakken. Ook die moesten bedrijven verantwoordelijk maken voor hun producten op het moment dat die afval worden. Maar ze leiden slechts beperkt tot meer circulariteit, schrijft Röling. Zo werden autobedrijven via een upv verantwoordelijk voor de recycling van autobanden. In de praktijk werd van de ingezamelde banden geen nieuwe banden gemaakt; ze werden vaak versnipperd en uitgestrooid op kunstgrasvelden. Dat is goedkoop, maar juist slecht voor het milieu vanwege microplastics en chemische stoffen.

Een upv doet uiteindelijk niks aan preventie, schrijft Röling, oftewel het verminderen van de enorme berg kleding die jaarlijks op de markt komt. Bovendien is de kern van upv-wetten is dat producenten de leiding krijgen, het is immers producénten-verantwoordelijkheid. Maar verdienmodellen staan dan al snel in de weg van duurzaamheid. ”Economische overwegingen [werpen] een schaduw over duurzaamheidscriteria”, citeert Röling onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Voor de mode-industrie geldt dat net zo goed. De overheid zou daarom „regie moeten nemen” en de leiding niet moeten weggeven aan producenten, vindt Wendy de Wild. Zij is in 2022 directeur van de NVRD, de vereniging van gemeentelijke afvalbedrijven, en schrijft een brief aan het ministerie van IenW over de in haar ogen falende upv-wetten. Als producenten en inzamelaars er niet uit komen, moet de overheid „optreden als scheidsrechter”.

Illustratie Lois Konijn

Een wet die niet te controleren valt

Het is 2022. Nederlanders kopen nu opnieuw meer, gemiddeld 60 stuks kleding, inclusief schoenen. De verkoopcijfers van kledingwinkels zijn weer op het niveau van voor de gedwongen winkelsluitingen tijdens de coronapandemie. Wereldwijd is meer dan twee derde van de nieuw geproduceerde kledingvezels gemaakt van plastic.

Twijfels zijn er ook binnen de muren van het Haagse overheidskantoor waar de upv-regels door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn opgesteld. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), onderdeel van dat ministerie, moet straks gaan controleren of de nieuwe wet ook wordt nageleefd.

De toezichthouder krijgt de laatste jaren al steeds meer taken, bijvoorbeeld op het gebied van drones, wegwerpplastic, gevaarlijke stoffen en andere milieuzaken. Daar komt de enorme textielmarkt nu bij. Naar schatting komen er jaarlijks een miljard kledingstukken en accessoires op de Nederlandse markt. De ILT moet gaan controleren of kledingmerken zich aan hun nieuwe verplichtingen houden. Maar niemand weet hoeveel textielbedrijven er precies zijn, in ieder geval vele duizenden. En doordat de wet geen ondergrens kent, moet ook iemand die één kledingstuk importeert om dat te verkopen, aan de regels voldoen.

Achter al die bedrijven aangaan, is voor de ILT ondoenlijk. De toezichthouder denkt dat de upv alleen te handhaven is als er een producentenorganisatie wordt opgericht. Dat is een collectief van fabrikanten en winkeliers dat namens hen de inzameling regelt en afspraken maakt met de verwerkers van weggegooid textiel. Als de meerderheid van de producenten zich bij het collectief aanmeldt, kan het ministerie aansluiting verplichten voor de hele sector via een ‘algemeenverbindendverklaring’.

Bij eerdere upv’s werkte het ook zo. Voor de inzameling van blikjes en ander verpakkingsmateriaal is er Verpact, voor elektronica is dat de Stichting OPEN. Op die producentenorganisaties heeft de ILT kritiek, maar er is tenminste een duidelijk aanspreekpunt.

Komt er inderdaad één producentenorganisatie met een algemeenverbindendverklaring, dan denkt de ILT voor het toezicht ongeveer zes mensen met een volledige baan nodig te hebben. Blijft de verantwoordelijkheid echter op het niveau van individuele kledingproducenten en -importeurs, dan zijn zeventien mensen nodig.

En 17 ILT-medewerkers, dat kost ruim 2 miljoen euro per jaar. Het ministerie legt het advies van de inspectie naast zich neer. De ILT krijgt twee voltijdsbanen om de textielmarkt te controleren. Eén analist, en één toezichthouder.

Hoewel de ILT de vraag of de wet handhaafbaar is in een advies een duidelijk „nee” beantwoordt, zegt het ministerie dat „de schatting aangeeft dat handhaving wel mogelijk is”.

Illustratie Lois Konijn

De recyclingsector in crisis

Het is 2023. Het gemiddeld aantal gekochte nieuwe kledingstukken is gestegen naar bijna 62 per Nederlander. Het aandeel kleding dat wordt gerepareerd in plaats van weggegooid, daalt verder. De omzet van de fashionbranche in Nederland stijgt naar bijna 16 miljard euro.

Pas twee jaar nadat het wetsvoorstel is geïntroduceerd, en een maand nadat het formeel is ingegaan, komt het tot een eerste officiële ontmoeting tussen de textielkoepels Modint en INretail en de afvalbedrijven. De kledingfabrikanten en -winkeliers hebben een eigen producentenorganisatie opgericht, de Stichting UPV Textiel.

Op het kantoor in Zeist van Modint en INretail worden vervolgens de brancheverenigingen van gemeentelijke afvalbedrijven, kringloopwinkels en kledingsorteerders uitgenodigd. Het belangrijkste gespreksonderwerp is de financiële bijdrage die de textielbedrijven verplicht zijn te betalen aan de bedrijven die ‘hun’ textiel inzamelen en sorteren.

Die vergoeding komt voor de inzamelaars als geroepen. Hun verdienmodel is wankel geworden. Waar kledingsorteerders tot dan toe op eigen benen konden staan door kleding die Nederlanders weggooien meestal te verschepen naar arme landen, is deze markt ingestort.

Dat komt doordat Oekraïne en Rusland zijn weggevallen als belangrijke afzetmarkten. Ook is er wereldwijd minder interesse in tweedehands: het concurreert met goedkope ultrafastfashion die wereldwijd in opkomst is. De in wit plastic verpakte balen kleding hopen zich meters hoog op in sorteerhallen. Zo moet inzamelaar Sympany steeds meer extra hallen huren – vier uiteindelijk – om alle kleding op te kunnen slaan.

De sorteerders nemen een rapport mee naar Zeist, dat ze hebben laten opstellen door adviesbureau Rebel. De onderzoekers signaleren dat sorteerbedrijven in 2023 samen 35 miljoen euro verlies zullen maken. In 2024 zal dat verlies, voorspelt Rebel, oplopen tot 57 miljoen euro.

Het is geen doemdenken: Ada Textiel Recycling, een kledingsorteerder uit Maassluis, wordt in de zomer van 2024 failliet verklaard. De ILT, die de markt rond die tijd onderzoekt, signaleert „ernstige financiële problemen” bij sorteerders.

Ook verderop in het circulaire model loopt het spaak, bij de recyclers. Zij zorgen ervoor dat onverkoopbare ingezamelde kleding grondstof voor nieuwe producten wordt. Nederland loopt op dat moment voorop met verschillende innovatieve bedrijven die van oude kleding nieuwe garens kunnen maken. Maar in de praktijk wordt kleding nauwelijks tot nieuwe kleding gerecycled, hoogstens tot poetslappen of isolatiemateriaal.

In 2024 draait recycler Spinning Jenny op slechts 15 procent van z’n capaciteit. Ook het Almelose Frankenhuis, een bedrijf dat oud textiel uit elkaar trekt tot vezels die hergebruikt kunnen worden, benut veel minder dan de helft van zijn capaciteit. Reden: te weinig orders. Gerecycled garen is ongeveer drie keer zo duur als garen van nieuw katoen, of van polyester (gemaakt uit olie). Buiten winkelketen Zeeman, die wat truien en spencers verkoopt van gerecycled garen, hebben kledingproducenten daar nauwelijks interesse in. De budgetketen is trots op zijn duurzame producten, maar zegt tegelijkertijd dat het „veel goedkoper moet”.

De upv-wet verplicht fabrikanten niet om gerecycled garen toe te passen in nieuwe kleding. Voor inzamelen, hergebruik en recyclen staan concrete doelpercentages genoemd, voor gebruik van de gerecyclede grondstoffen die erdoor ontstaan, geldt slechts een ‘inspanningsplicht’.

De afvalsector heeft dus geld nodig, veel geld. In Zeist blijkt dat de Stichting UPV Textiel zelf al heeft bedacht hoeveel ze bij fabrikanten en winkeliers in rekening wil brengen. Voor 2024 is het tarief 3 eurocent per kledingstuk, voor 2025 gaat de stichting uit van 6 eurocent. Onderzoek naar de kosten van inzameling en verwerking van oude kleding heeft de stichting niet laten doen.

Het voorstel valt inzamelaars en recyclers tegen. Alleen inzamelen van kleding, nog zonder sortering, kost volgens een inzamelaar bijvoorbeeld al meer dan 10 cent per stuk. Met deze bijdrages zijn ze niet uit de financiële problemen, vrezen ze. „Daar hebben we best veel woorden met elkaar over gehad”, zegt een aanwezige bij de vergaderingen. „Wij vonden het heel gek dat we maar genoegen moesten nemen met hun begroting, die was opgesteld zonder ons te raadplegen.”

De Stichting UPV Textiel kan niet anders, zo wordt het volgens aanwezigen aan de onderhandelingstafel uitgelegd. Modint en INretail hadden de stichting opgericht met het idee dat die voor de hele textielsector de inzameling en verwerking zou doen, maar er is concurrentie ontstaan. „Ze zeiden: we kunnen niet terug naar onze leden en meer geld vragen. Anders zijn we bang dat ze naar andere organisaties overstappen”, zegt een aanwezige.

Naast de Stichting UPV Textiel kunnen modebedrijven terecht bij het European Recycling Platform (ERP), onderdeel van de Duitse Landbell Group. ERP is een commerciële organisatie die kledingmerken in verschillende landen juridische diensten aanbiedt. ERP weet grote klanten als Primark en Uniqlo aan zich te binden.

Daarna verschijnt nog een kleine producentenorganisatie. Janine Röling, van de kritische reactie op het wetsvoorstel, richt vanuit een milieuorganisatie Collectief Circulair Textiel op. Die is bedoeld als ambitieuze tegenhanger van de andere twee, waarin ze weinig vertrouwen heeft. Een groep kleinere kledingmerken, die zich op duurzaamheid richten, sluit zich aan.

Zo ontstaat een situatie waarvoor toezichthouder ILT al vreesde: diverse producentenorganisaties die allemaal te klein blijven. Daarnaast zijn er kledingmerken die zich niet bij een collectief aansluiten en zelf bij de overheid melden hoeveel ze op de markt brengen. Dat leidt tot „veel rapportages, waarbij de open vragen door de producenten op verschillende manieren zullen worden geïnterpreteerd en beantwoord”, voorspelt de inspectie in 2024. Zo is „controle en handhaving op deze antwoorden onuitvoerbaar”.

Illustratie Lois Konijn

Kortdurend optimisme

Het is 2025. Nederlanders gooien evenveel textiel weg als in het jaar ervoor: kledingsorteerders halen jaarlijks rond de 53 miljoen kilo uit textielbakken. Ook afvalverbrandingscentrales merken geen verandering in de hoeveelheid textiel die wordt weggegooid en verbrand.

Op het kantoor van de gemeentelijke afvalbedrijven in Arnhem komen in januari 2025 voor het eerst vertegenwoordigers samen van alle partijen die iets te maken hebben met de upv. Aan fabrikantenkant zijn dat de vertegenwoordigers van de drie producentenorganisaties. En aan de verwerkingskant zijn er, naast de gemeentelijke afvalbedrijven zelf, mensen van de vereniging van kringloopwinkels en die van recyclers. De afvalbedrijven willen zo voorkomen dat de producentenorganisaties ieder op hun eigen eilandje gaan zitten.

Twee ambtenaren van Infrastructuur en Waterstaat zijn er ook. Ze zeggen blij te zijn „dat alle producentenorganisaties en ketenpartners zo om tafel zitten met een gezamenlijk doel”. Daarna houden ze zich op de vlakte, want, zo leggen ze nog eens uit: bij een upv is het toch echt aan de markt.

De vergadering verloopt eensgezind. Om doelstellingen überhaupt te kunnen halen, moet er heel snel een campagne komen die consumenten oproept textiel niet in de prullenbak te gooien, maar in de textielbak. Eén campagne is veel logischer dan drie verschillende, vindt iedereen aan tafel. Ook scheelt het inzamelaars, sorteerders en kringloopbedrijven veel werk als zij op één manier rapporteren aan de producentenorganisaties, in plaats van allemaal net andere eisen te stellen.

Een lastiger agendapunt: de kosten. Hoeveel moeten producenten aan afvalbedrijven betalen voor verwerking van ‘hun’ textiel? Er moet een gezamenlijk en breed gedragen kostenonderzoek komen, vinden de aanwezigen, naar hoe groot de financiële tekorten in de afvalsector precies zijn.

De vergadering eindigt met de afspraak „over een week of zes” in dezelfde samenstelling weer bijeen te komen. Daar komt het niet van.

De producentenorganisaties zeggen dat ze eerst met elkaar verder in gesprek willen en komen er vervolgens onderling niet uit. De grootste van de drie, de Stichting UPV Textiel, wil eigenlijk geen concurrentie van andere producentenorganisaties. De stichting brengt zelfs een half jaar lang helemaal geen kosten meer in rekening bij kledingmerken, in een poging de andere twee producentenorganisaties alsnog de markt uit te duwen.

Ook dat ‘breed gedragen’ kostenonderzoek komt er niet. Stichting UPV Textiel huurt ook op eigen houtje adviesbureau KPMG in voor een onderzoek naar kosten die inzamelaars en sorteerders maken. Afvalbedrijven en sorteerders die aan dit onderzoek willen meewerken, moeten bedrijfsgevoelige informatie delen over hun kosten. Toch schrikken ze van het geheimhoudingscontract dat de Stichting UPV Textiel ze onder de neus schuift; bij schending dreigt 10.000 euro boete.

Het kostprijsonderzoek verloopt moeizaam. Terwijl de afvalbedrijven nog volop kritiek hebben op de conceptversie, wordt deze toch gepubliceerd. Op basis van het onderzoek van KPMG constateert de Stichting UPV Textiel, het tegenovergestelde van wat ILT en Rebel eerder zagen, namelijk dat de afvalsector in 2024 „niet of nauwelijks” financieel tekortkwam aan de verwerking van kleding. De „resultaten bevestigen”, vinden de merken, dat een financiële bijdrage van producenten „niet nodig is om grote tekorten in de keten op te vangen”.

Daarmee komt de onderlinge wrijving tot een kookpunt. De brancheverenigingen van afvalbedrijven, kringloopwinkels én sorteerders publiceren boze artikelen over het onderzoek op hun websites. Ze zien allerlei fouten en onjuiste aannames in het rapport.

KPMG komt na alle kritiek snel met een ‘verdiepende analyse en doorvertaling naar de effecten in 2025 en 2026’. Niettemin heeft de eerste versie van het rapport direct effect op de onderhandelingen. Zo krijgt een inzamelaar die NRC spreekt eerst nog 11 cent per kilo textiel – omgerekend 2,8 cent per kledingstuk – voor het inzamelen en opschonen. Voor 2026 wordt het bod verlaagd naar 3 cent per kilo, minder dan een cent per kledingstuk.

Twaalf inzamelaars en sorteerders, samen goed voor 65 miljoen kilo Nederlands textiel, sturen Stichting UPV Textiel een boze brief. Ze willen geen nieuwe afspraken meer maken totdat er fatsoenlijk onderzoek komt naar hun tekorten.

Wet onbekend

Het is 2026. Afvalbedrijven zien dat er evenveel textiel wordt weggegooid als vorig jaar en merken niet of nauwelijks dat er meer wordt gerecycled. Kleding- en schoenenwinkels verwachten 3 procent omzetgroei.

In juli is het vijf jaar sinds het wetsvoorstel werd gepubliceerd en anderhalf jaar sinds er wettelijke doelstellingen gelden. Veertien maanden aan gesprekken tussen de drie producentenorganisaties over een gezamenlijke campagne over de juiste manier textiel af te danken, lopen in juli uiteindelijk op niks uit.

De Stichting UPV Textiel doet op dat moment iets aan voorlichting. Ze introduceerde een blauw monster dat Texxietextiel heet, een eigen Instagramaccount heeft en op de radio is geweest. Slechts één post van Texxie krijgt meer dan honderd likes. Daarnaast zijn ruim tweehonderd nieuwe inleverbakken voor textiel neergezet. Na het mislukken van de gesprekken, besluiten de andere twee producentenorganisaties alsnog samen een campagne op te gaan starten.

Producentenorganisaties berekenen daarnaast of ze hun eerste wettelijk gestelde doelen hebben gehaald, bijvoorbeeld om de helft van het textiel dat hun leden op de markt hebben gebracht te laten inzamelen voor hergebruik of recycling. Maar zelfs áls ze alle drie de 50 procent halen, zegt dat niks over de totale textielmarkt.

Want de ILT merkt dat veel textielondernemers zich helemaal niet hebben aangesloten bij een producentenorganisatie, of zelfs nooit van de wet hebben gehoord.

Kledingmerken kopen nog altijd nauwelijks gerecycled garen in voor nieuwe kleding, waardoor de productie niet circulair wordt. Inzamelaars en sorteerders krijgen hun werk wel gedeeltelijk vergoed, maar hun afzetmarkt is nog steeds ingestort. De balen tweedehandskleding kleding blijven zich in hun loodsen ophopen.

Het is de Stichting UPV Textiel niet gelukt om de wettelijke doelstellingen te behalen voor het maken van nieuw garen uit ingezameld textiel. Net als het kleinere Collectief Circulair Textiel, die als eerste die met de resultaten van 2025 officieel naar buiten treedt. Zonder dat kledingmerken meer gerecyclede vezels gaan kopen, „loopt het hele systeem vast”, schrijft voorzitter Röling. Ze stelt dat de „businesscase gewoonweg ontbreekt” en dat verbetering lastig is als „iedereen naar elkaar wijst”.

Het ministerie heeft zijn hoop hiervoor gevestigd op nieuwe Europese regels, die nog in de maak zijn. Daarin zou moeten worden afgesproken dat een nog nader te bepalen aandeel van garen in nieuw textiel, gerecycled moet zijn. Het kabinet is „in gesprek” met Brussel om in die regels op te nemen dat die gerecyclede garen van Europees textielafval gemaakt moeten worden.

Maar het duurt nog jaren voor die wetgeving er is, en ondertussen loopt de ergernis op – onderling en jegens het ministerie. In juni brengen zowel afvalbedrijven als producentenorganisaties een gezamenlijk document uit, waarin ze erop wijzen dat de upv-regels „onvoldoende scherp” en „multi-interpretabel zijn” en dat het „ontbreekt aan regie”.

Ze vragen om een „bemiddelaar”, voor het „herstel van onderling vertrouwen”. Maar die komt er niet, blijkt na vragen aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. „Het is aan partijen zelf”, vindt het ministerie, om uitvoering te geven aan de upv en het „onderling vertrouwen te herstellen”.

Het Rijk, vinden de partijen, stelt grote circulaire doelen, maar maakt er vage regels bij en laat het vervolgens over aan de markt. Als niemand de spelregels echt durft te veranderen, blijft de sector gevangen in de wegwerpmaatschappij.

Lees het hele artikel