Hoe maakten ze vroeger spiegels?

1 uur geleden 1

Narcissus moest het doen met een wateroppervlak. Hij staarde in een vijver om zijn eigen reflectie te kunnen bewonderen. Van een spiegel rept het verhaal niet: een plat voorwerp om jezelf in te kunnen bekijken – in onze taal genoemd naar het Latijnse speculum, van het werkwoord specere, kijken. Toch bestonden er al wel spiegels, in de Oudgriekse wereld waarin het verhaal is ontstaan. En al helemaal rondom het begin van de jaartelling, toen de Romeinse schrijver Ovidius het opschreef zoals wij het nu kennen.

De oudst bekende spiegels zijn gevonden in de Turkse regio Anatolië en zijn zo’n 8.000 jaar oud. Het gaat om artefacten van obsidiaan: natuurlijk gevormd vulkanisch glas. Ze hebben de vorm van halve bollen, waarbij één kant superglad gepolijst is. Dat polijsten moet vele dagen werk hebben gevergd, en eeuwen aan opgebouwd vakmanschap. Of de ‘spiegels’ echt als zodanig zijn gebruikt, is nog onderwerp van debat: ze zijn vooral gevonden in graven. Wellicht dienden ze als statussymbool, of speelden ze een religieuze of ceremoniële rol.

Ook allerlei Midden-Amerikaanse culturen gebruikten obsidiaanspiegels, vanaf circa 1500 v.Chr. De context was waarschijnlijk spiritueel: de duistere, onscherpe weerspiegeling hielp de mensen in contact te treden met de goden. De Azteken vereerden bijvoorbeeld Tezcatlipoca: de ‘God van de Rokende Spiegel’. Wie daarop googelt, stuit overigens vooral op hedendaagse zoektochten naar een diepere waarheid.

De oude Egyptenaren en Mesopotamiërs maakten spiegels van gepolijst metaal. De echte doorbraak kwam in de vroege Renaissance. Venetiaanse ambachtslieden brachten een reflecterende metaallaag aan op de achterkant van een glasplaat. Die glasplaten maakten ze door eerst cilinders van glas te blazen, die ze – als die nog heet waren – aan één kant opensneden en plat neerlegden, om ze vervolgens te laten afkoelen en dagenlang te polijsten. Voor de metaallaag gebruikten de Venetiërs een amalgaam van tin en kwik. Deze spiegels waren revolutionair: groter, helderder en luxueuzer dan ooit tevoren. Ze waren echter ook heel kostbaar om te maken, en de giftige kwikdampen eisten hun tol onder de arbeiders.

De actrice Venie Clancey (1859-1882) bekijkt zichzelf.

Foto Getty Images

Een flinterdunne metaallaag

Het idee van zo’n glasplaat is dat je daarmee een doorzichtige, perfect gladde drager hebt voor je flinterdunne metaallaag. Het spiegelen gebeurt nog steeds alleen door het metaal, dus niet door het glas, maar dat metaal is op deze manier veel gladder dan je een metalen plaat ooit zou kunnen krijgen. En het metaal zit áchter het glas, en niet ervoor, omdat het dan minder snel beschadigt en corrodeert.

Dat is nog steeds het principe van moderne spiegels – maar er zat nog één evolutiestap tussen. Rond 1835 ontwikkelde de Duitse chemicus Justus von Liebig een chemisch proces waarbij zilver neerslaat op glas, vanuit zilverzouten in een oplossing. Dat was een grote verbetering ten opzichte van oudere methoden: spiegels werden helderder en betaalbaarder. Zo kwamen ze voor het eerst binnen bereik van ‘gewone’ huishoudens.

Ook moderne spiegels bestaan uit een glasplaat die is gepolijst en voorzien van een laagje metaal. Meestal is dat aluminium, maar soms nog steeds zilver. Het metaal wordt eerst verhit tot een damp, bijvoorbeeld met een elektronenbundel. De vrijkomende, losse metaalatomen bewegen door een vacuüm en slaan neer op de glasplaat. Het metaallaagje wordt zo extreem egaal en dun: maar enkele nanometers dik. Daardoor zijn spiegels nu zo spotgoedkoop, zelfs als er zilver in zit.

Lees het hele artikel