Zal het er nog eens van komen? Dat was de vraag die veel kijkers zichzelf afgelopen maandag ongetwijfeld stelden, toen de koning zijn ijzers onderbond in Dokkum. Onder luid gejuich van het koningsdagpubliek deed hij zijn deelname aan de Elfstedentocht van 1986 nog eens dunnetjes over, dit keer in voorzichtige kleine rondjes op kunstijs.
Door klimaatverandering wordt de kans op een echte tocht steeds kleiner. Het woensdag verschenen Europese klimaatrapport van EU-klimaatbureau Copernicus laat overtuigend zien hoe de benodigde vrieskou zich in rap tempo terugtrekt naar de randen van de Europese kaart.
Tot 1990 daalde het kwik in Friesland, Groningen en grote delen van Oost-Nederland nog gemiddeld minstens veertien opeenvolgende dagen per winter onder nul. In de dertig jaar daarna was dat nergens in Nederland meer het geval. Afgelopen jaar kenden alleen Scandinavië, Midden- en Oost-Europa en een aantal hoger gelegen Europese gebieden veertien aaneengesloten vriesdagen.
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/29114335/290426WET_2033002665_Vorstdagen.png)
„Europa warmt twee keer zo snel op als het mondiale gemiddelde”, zegt Celeste Saulo, secretaris-generaal van het World Meteorological Organization (WMO) in het begeleidend persbericht, en wijst op „verstrekkende gevolgen” voor ecosystemen, biodiversiteit en welzijn. Europa is nu 2,5 graden warmer dan vóór de industriële revolutie.
Dat Europa zo snel opwarmt, heeft alles te maken met het arctisch gebied. Omdat het ijsoppervlak op de noordpool door klimaatverandering krimpt, kan dat minder zonlicht reflecteren, waardoor het donkere zeewater meer warmte absorbeert. Dit zichzelf versterkende effect is van grote invloed op het Europese continent, waarvan zelfs het zuidelijke deel relatief dicht bij de de poolcirkel ligt.
Toch gaat de opwarming niet overal in Europa even snel, blijkt uit het woensdag verschenen rapport. Het deel van Scandinavië dat vlak onder de poolcirkel ligt wordt bijvoorbeeld bijzonder hard getroffen. Dat had vorig jaar te maken met een hittegolf die drie weken duurde. Nog nooit registreerde dit noordelijk gelegen gebied zo’n lange periode met zoveel hitte. Temperaturen tot wel dertig graden Celsius werden dichtbij het poolgebied gemeten en soms zelfs daarbinnen. Ook in gebieden die meer landinwaarts liggen, zoals Midden- en Oost-Europa, warmt het klimaat relatief snel op.
De ondiepe Middellandse Zee zorgt voor een verdere versnelling van de toch al snelle opwarming van Europa. „Exceptioneel hoge” temperaturen aan het oppervlak van de Middellandse Zee droegen volgens het rapport bij aan twee hittegolven die Zuid-Europa in juni en juli teisterden. In augustus zorgde het sterk uitgedroogde landschap in Spanje en Portugal ervoor dat bosbranden razendsnel om zich heen konden grijpen. Daardoor waren het totaal verbrande gebied en de uitstoot door natuurbranden afgelopen jaar allebei groter dan ooit in Europa.
Niet alleen de binnenzeeën warmen op. Ook het deel van de Atlantische Oceaan dat dicht bij het Europese vasteland ligt, was afgelopen jaar warmer dan ooit. Bijna 90 procent van het oceaangebied had te maken met „sterke” zeewaterhittegolven. Afgezien van 2023 was dat aandeel nog nooit zo groot. De intensiteit van zeewaterhittegolven wordt bepaald door hoe sterk de temperatuur afwijkt van de normale temperatuur in dat gebied. Het doorgaans relatief koude zeewater voor de kust van Ierland was in de lente bijvoorbeeld vier graden warmer dan normaal.
Door het veranderende klimaat komt de Europese natuur onder toenemende druk te staan, merkt het rapport ten slotte op aan de hand van twee voorbeelden. De weides van Posidonia oceanica, een bepaald type zeegras dat bijna twintigduizend vierkante kilometer van de Middellandse Zeebodem bedekt, zijn in de afgelopen vijftig jaar met 34 procent gekrompen. Ook veengebieden staan onder druk, met name door dalende waterstanden, waardoor het veen uitdroogt. Het rapport noemt de Deurnese Peel en Mariapeel in Nederland als „overgebleven gebieden”, waarvan het belangrijk is om ze te behouden.
Het verlies van zeegras en veengebieden, dat het gevolg is van klimaatverandering, kan zelf ook klimaatverandering verder aanjagen. Zeegras is een zogeheten carbon sink, oftewel koolstofput, omdat het koolstofdioxide uit het water omzet in zuurstof en de koolstof in de eigen biomassa opslaat. Veengebieden bestaan uit biomassa waar koolstof lang geleden in is opgeslagen. Als die uitdrogen, groeit de kans op veenbranden, met uitstoot van broeikasgassen tot gevolg. In 2021 ging 710 hectare van de Deurnese Peel in vlammen op.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/29121855/290426WET_2033002665_2.jpg)
Zeegras in de Zee van Marmara, Turkije.
Foto Getty Images

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/29132959/290426VER_2033391096_harde.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/28130834/290426VER_2033342429_hp.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/29104722/290426VER_2033381057_1.jpg)





English (US) ·