Kaas, kaarsen, stroopwafels, pijpen en Leo Vroman – er zijn plaatsen in Nederland die minder reden tot stadstrots hebben dan Gouda. Het geboortehuis van „de vlakbijste dichter van Nederland” (Kees Fens) staat nog stevig aan de Krugerlaan. Even verderop vinden we in een van de talloze Goudse straatboekenkastjes De kleine parade van Henriëtte van Eyk (1897-1980), de vijftiende druk, afkomstig uit het filiaal Goverwelle van de openbare bibliotheek.
Achterop staat een citaat van Hugo Brandt Corstius: „Als ik Henriëtte van Eyk lees, denk ik: natuurlijk werd Simon Vestdijk verliefd op haar.” Dat curieus geformuleerde compliment verwijst naar een liefdesrelatie die in literatuurhistorische kringen enig stof deed opwaaien, maar als je De kleine parade leest, begrijp je wat Brandt Corstius bedoelde, nu ja, je vraagt je af waarom deze vrouw in hemelsnaam verliefd werd op Simon Vestdijk.
Hoe dan ook: wat een feest, dit 94 jaar oude boek. „Ik heet Wentinck, Thérèse Béatrix Wentinck (met ck!) en ben geen familie van de Wentinks (zonder c) uit Haarlem, die niets anders zijn dan rijkgeworden bloembollenhandelaars, en van wie sommige mensen denken dat ze familie van ons zijn, wat ze natuurlijk níet zijn omdat wij Wentinck met een c schrijven.” Met deze zinnen introduceert Van Eijk (inderdaad, zonder c) haar hoofdpersoon, een jonge vrouw uit een gegoede familie die schrijft „uit plicht”. Die plicht is winstbejag, want haar oom Boudewijn dreigt zijn fortuin na te laten aan „een communistische dichter”, tenzij zich onder bloedverwanten een literair talent aandient.
Dus begint Thea verhalen te vertellen over haar bestaan, en vooral haar neerbuigende belangstelling voor „misdadigerskroegjes en dokwerkersdingen”, kortom de vele klassen onder de hare. Zelf meent zij een geschenk te zijn voor de sloebers die haar pad kruisen: „Ze zien dat ik ’t goed meen, en ze houden van me, omdat ik bloemen om me heen strooi en oude kleren”. Er volgt een weddenschap met een zekere jonker Van Ratburgh: als Thea erin slaagt hem een bewijs te geven van „m’n lieve en ongedwongen omgang met de mindere standen” schenkt hij haar een greyhound.
Wanneer Thea niet veel later in de bus zit („Ik zit anders nooit in een autobus, maar onze ene auto was stuk en onze andere auto was óók stuk, en dus zat ik erin (in de autobus)”) ziet zij „iets dat het midden hield tussen een heer en een man”. Zij determineert hem dadelijk als iemand „uit de onderste lagen van de middenstand”. Ze glimlacht en dat mist zijn uitwerking niet. Hij blijkt employé op een tabakskantoor, laat zich meteen de volgende avond bij Thea uitnodigen alwaar hij een dienstbode voor haar moeder aanziet en een schaaltje breekt – van die dingen. Binnen de kortste keren vraagt hij vader Wentinck om Thea’s hand; zij staat hem achter een gordijn uit te lachen.
Inderdaad, Van Eijk had een appeltje te schillen met de hogere kringen, waarin zij opgroeide, maar waarvan zij de koude kant leerde kennen nadat de bank van haar vader failliet was gegaan. Zelden werd de weerzinwekkendheid van een subcultuur zo scherp – en zo lichtvoetig – beschreven: er loopt een rechte lijn van Van Eijk naar Carmiggelt, Schmidt en Witteman.
Wilt u het besproken exemplaar van De kleine parade hebben? Mail naar boekuitdekast@nrc.nl; het boek wordt onder inzenders verloot, de winnaar krijgt bericht.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/20143401/210726BUI_2035338828_ITApolitiekeophef02.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/21113515/210726CUL_2035367955_ZAP.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/21095455/210726VER_2035364874_finale.jpg)





English (US) ·