„Ik wil toch nog even vragen…”, zeg ik, en mijn stem verandert in de kinderlijke piepstem waarmee ik dit soort vragen stel. Ik hoor dat de gynaecoloog een beetje moet lachen, ze weet al wat er komen gaat. „… je denkt dus níét dat ik binnen een paar jaar doodga?”
Ik heb haar aan de telefoon terwijl ik met mijn rug naar het terras sta. Achter mij zit mijn vader; ik ben weggelopen richting de zee. „Dat lijkt me niet waarschijnlijk,” zegt ze, „maar ik weet het niet. Ik kan niet in de toekomst kijken. Ik denk dat je je even moet concentreren op het nu. Je zit met je vader aan het strand. Geniet ervan.”
Van alle moeilijke dingen vind ik één ding het allermoeilijkst: in het nu leven. Mijn gedachten zijn meestal in het verleden of de toekomst, en zelden in het nu. Voor iemand met kanker is dat extra onhandig. Het is immers nu, in dit moment, dat ik leef. Dat weet ik zeker, terwijl de toekomst ongewis is. De kanker kan terugkomen, en als dat gebeurt, kunnen behandelingen weer aanslaan, of niet.
Mensen met wie ik dit bespreek, benoemen graag dat iederéén moet leven met onzekerheid. „Misschien loop ik morgen onder een bus”, zeggen ze dan. Dat vind ik een flauwe reactie, want ten eerste is die kans heel klein, en ten tweede heb je er enige invloed op. Je kunt bijvoorbeeld om je heen kijken voor je een straat oversteekt. Statistisch gezien is de kans dat je als veertigjarige hoogbejaard zult worden groot, wat maakt dat je vol vertrouwen dingen zegt als „na mijn pensioen wil ik …” of „als mijn hypotheek is afbetaald, ga ik …”. Dit soort uitspraken kan ik niet meer onbevangen doen.
Dat levert problemen op. Genieten is voor mij nauw verbonden met herhaling: mijn frustratie over dat ik niet goed ‘in het nu’ kan zijn, het moment niet kan vastpakken, bestrijd ik normaal gesproken met de gedachte dat het zich tenminste vaak zal herhalen. ‘Dit ga ik nog vaak eten’, ‘hier ga ik nog vaak heen’. Ik geniet van de eerste lentedag in de wetenschap dat er hierna nog een slordige veertig, vijftig zullen volgen. Ik geniet van gesprekken met vrienden in het licht van soortgelijke gesprekken in de toekomst. Met deze anticipatie omzeil ik mijn onvermogen om samen te smelten met het nu.
Nu de toekomst zo onzeker is, werkt de strategie minder goed. Een psycholoog van het ziekenhuis raadt me mindfulness aan, maar dat vind ik te moeilijk. Mijn gedachten voelen tijdens zo’n oefening als honderd peuters die simultaan proberen te ontsnappen uit de stoeltjes waarin ze zijn vastgesnoerd. Maar wat is dán de oplossing?
Ik ben, zoals ze dat noemen in de zelfhulpwereld, ‘bewust onbekwaam’: ik ben me pijnlijk bewust van mijn falen
Deels helpt de leus die ik op een wc-muur las, zoals ik vorige week schreef: ‘HET LEVEN IS NU’. Sinds ik die fotografeerde, zoemt de zin rond in mijn hoofd. Ik herhaal hem tegen mezelf als ik weer rusteloos boven het moment zweef, in plaats van erin op te gaan.
Het gaat beter, maar van een doorslaand succes kan ik nog niet spreken. (Als dat wel zo was zou ik het ook niet weten, want dan kon ik er niet op reflecteren – is dit nu ironie?) Ik ben, zoals ze dat noemen in de zelfhulpwereld, ‘bewust onbekwaam’: ik ben me pijnlijk bewust van mijn falen.
Maar dan, na veel gepieker over ‘het nu’, heb ik een inzicht. De behandeling is alweer maanden voorbij, ik voel me fit en gezond, en ik verbaas me erover hoe abstract de ziekte voelt. Hoewel ik er voortdurend aan denk, en ik nog steeds, zoals ik het tegen vrienden noem, „in existentiële sferen” verkeer, voelt mijn dagelijks leven opvallend hetzelfde als voordat ik ziek werd. De twee realiteiten zijn moeilijk te rijmen.
Ik tast de situatie af met een gedachtenexperiment. Wat zou ik liever willen: mijn huidige toestand, die tegelijk normaal en onzeker is; óf geen kankerdreiging, maar wel vanaf nu de rest van mijn leven niets meer kunnen proeven? Dat laatste zou rampzalig zijn: ik ben dol op eten en drinken, het is de spil waarom mijn leven draait. Het kost me moeite deze optie te kiezen. Maar het is rationeel gezien gek om mijn huidige situatie te prefereren. Wie verkiest een substantieel hogere kans om jong te sterven nou boven lekker eten en drinken? Misschien betekent dit dat ik die kans toch niet zo hoog inschat. Maar mijn twijfel bewijst ook, realiseer ik me, dat ik wél in het nu leef. In mijn huidige leven ben ik niet ziek, de dood is op veilige afstand. Ik denk er veel over na, maar ik voel nu geen doodsangst. Wat ik wel voel, is een sterk verlangen naar witte Bourgogne en vers stokbrood met gezouten boter.
Wat betekent dit voor mijn zelfbeeld? Leef ik nou wel of niet in het nu? Misschien, bedenk ik, zijn er twee soorten ‘nu’. De ene betekent ‘het moment’. Daar ben ik niet goed in: het lukt me bijna nooit om gedachten aan eerder, later en elders te blokkeren. De andere betekenis is breder, en betreft ‘het heden’. Het is moeilijk om buiten het heden te denken. Dat zal iedereen herkennen die zich in de zomer geen kou kan voorstellen, en in de winter geen zonnig terras. In het heden leven kan ik wel degelijk, merk ik in de praktijk. Ik ben niet meer kaal en heb geen infuus in mijn arm. Als dit stukje verschijnt zit ik in de auto naar Frankrijk, zoals elk jaar, en ga ik wandelen, alsof er niets is veranderd.
Misschien, bedenk ik, zijn er twee soorten ‘nu’
Wat uiteindelijk hielp, was een zin op de muur van een wc
Ik ben de Einstein onder de kankerpatiënten, denk ik. Ik doe het zó goed
‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’


/https://content.production.cdn.art19.com/images/5c/f1/5c/b4/5cf15cb4-3eae-48af-af9f-6c2feb12b858/fe0b0e450c1acdd88d1edba6c6e41e71002674b513ff54d9d36c168809ec8019eb1ad4fe32035569725b15e4c884bda154b4895cb6df8b07b3c2078dba71ad7d.jpeg)

/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data151932880-7bb79e.jpg)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/05214753/050826VER_2035740527_bol2.jpg)

English (US) ·