Oliereuzen boeken extreem hoge winsten in tijden van onrust. Duurzaamheid? Daar wordt nauwelijks over gesproken

17 uren geleden 2

Is het nu een crisis, of juist een buitenkans voor de grote oliereuzen wereldwijd? Sinds de oorlog in het Midden-Oosten afgelopen februari begon, zitten olietankers vast in een van de belangrijkste zeestraten en raken gasinstallaties beschadigd. Waar de consument de prijs betaalt voor de krapte en volatiliteit die daarmee gepaard gaat, profiteren de olie- en gasconcerns. 

Dat kwam duidelijk naar voren in de financiële cijfers over het tweede kwartaal van dit jaar die zes grote oliebedrijven de afgelopen dagen publiceerden. Shell, BP, TotalEnergies, Saudi Aramco, ExxonMobile en Chevron maakten samen meer dan tachtig miljard dollar winst in drie maanden, ruim 37 miljard dollar meer ten opzichte van hetzelfde kwartaal een jaar eerder. 

Net als vorig kwartaal verdienden de oliebedrijven veel meer dan normaal door ‘Hormuz’. Zo zag Chevron z’n winst bijna vervijfvoudigen en de winst van ExxonMobil en Shell verdubbelde.

De bedragen doen denken aan 2022, toen de prijs van energie na de Russische inval in Oekraïne ook omhoog schoot. Over dat hele jaar genomen maakten deze zes oliebedrijven samen meer dan 350 miljard dollar winst. 

Hoewel deze bedragen uitzonderlijk zijn, geldt voor veel grote oliebedrijven dat zij al bijna zes jaar geen enkel kwartaalverlies noteren. Alleen in het begin van de coronapandemie, toen de economie vertraagde, draaide een deel van de oliereuzen verlies. 

Opvallend aan afgelopen kwartaal is dat ook Saudi Aramco de winst flink zag stijgen. De Saudische oliereus verdiende in drie maanden tijd 33 miljard dollar, tegen 25 miljard een jaar eerder. Vergeleken met de westerse oliebedrijven maakt Saudi Aramco doorgaans nóg meer winst, vooral omdat het goedkoper olie kan oppompen. Olie in Saudi-Arabië is makkelijk te bewerken en ligt dicht aan de oppervlakte, bovendien kan er olie worden gewonnen zonder veel beperkende eisen van de overheid.

Maar nu was de crisis rond de straat van Hormuz vlakbij huis. De Saudi’s wisten desondanks een groot deel van hun olie-export om te leiden via een alternatieve route, namelijk de Bab al-Mandeb-straat. Deze vaarroute tussen Jemen en Eritrea zorgde ervoor dat het land nog steeds miljoenen vaten per dag kon exporteren. Inmiddels is ook de Bab al-Mandeb-straat kwetsbaarder geworden door aanvallen op schepen door de Houthi’s.

Op volle toeren

De oorlog in het Midden-Oosten verhoogt op drie manieren de cijfers in de boeken van de olie- en gasreuzen. Doordat de Straat van Hormuz nog steeds vrijwel gesloten is, komt er nu veel minder olie en gas op de markt. Dat leidt tot relatief hoge olie- en gasprijzen. Waar de prijs voor een vat Brentolie, de maatstaf voor olie uit het Midden-Oosten, vorig jaar in deze periode rond de 60 dollar schommelde, schoot hij nu een paar keer ruim boven de honderd dollar en zakte niet terug onder de 70 dollar. Dit zijn olieprijzen die ‘nu’ worden afgesproken voor een bepaald moment in de toekomst (de zogenoemde papieren markt). Olie- en gasconcerns krijgen meer geld voor hun olie, terwijl het oppompen ervan niet duurder was. Daardoor is de winstmarge van de oliereuzen simpelweg hoger. Dat is manier één. 

Handelaren profiteren niet alleen van hoge olieprijzen, maar ook van het inspelen op de sterk schommelende markt. Dat gaat dan vooral over de kortetermijnhandel, waarin bijvoorbeeld Shell en BP goed zijn, zegt Jilles van den Beukel, energie-analist bij denktank HCSS. Shell heeft op verschillende plekken op de wereld schepen met olie of lng (vloeibaar gas) varen, en die schepen kunnen snel van koers veranderen. „In principe is de olie – en gasmarkt een wereldwijde markt en volgen de prijzen elkaar overal”, zegt Van den Beukel. „Maar stel, door de oorlog ontstaat in Pakistan een tekort waardoor de prijzen daar kortstondig omhoog schieten en Shell heeft nog ergens een lng-tanker die daar snel heen kan, dan zal Shell ervoor kiezen om naar Pakistan te varen.” Bij zulke bestellingen, op een plek met een tekort, kan Shell voor een lading een hele hoge prijs realiseren. In dit soort overeenkomsten voor de kortetermijnlevering, de zogenoemde fysieke markt, hoeven bedrijven zich niet aan de ‘algemene olieprijs’ te houden van de papieren markt.

De prijzen die bedrijven voor zo’n levering afspreken, zijn veel minder transparant dan de algemene olieprijzen. Hoeveel Shell afgelopen kwartaal verdiende aan deze handel, maakte het bedrijf niet bekend in de kwartaalcijfers.

Dan is er ook nog het tekort aan raffinagecapaciteit in het Midden-Oosten, waardoor raffinaderijen die bijvoorbeeld benzine of diesel uit olie produceren elders op de wereld op volle toeren draaien. De toegenomen vraag schroeft de marges op. Dat verklaart ook waarom diesel zo duur werd door de oorlog. Europa haalde dat voor een belangrijk deel uit het Midden-Oosten. In Europa zelf is sinds 2005 de raffinagecapaciteit met ongeveer 20 procent gedaald.

Overigens profiteren olie- en gasbedrijven niet alleen maar van de oorlog. Bij Shell daalde de gasproductie nadat in maart een groot gascomplex in Qatar beschadigd raakte door aanvallen vanuit Iran. „De totale olie- en gasproductie is, vergeleken met het eerste kwartaal van 2026, met 31 procent gedaald”, valt te lezen bij de cijfers, „voornamelijk als gevolg van de impact van het conflict in het Midden-Oosten op de Qatarese volumes.” De kosten voor reparatie van schade zijn nog niet volledig verwerkt in deze kwartaalcijfers, maar zullen ruim gecompenseerd worden door de hogere winsten.

Frans prijsplafond

De sterk gestegen winst van de oliereuzen roept vragen op. Zijn oliebedrijven speelbal van de schommelende olieprijzen? Of kunnen zij wel degelijk meer doen om de consument te beschermen tegen de hoge prijzen?

Volgens Van den Beukel zijn de mogelijkheden daartoe beperkt. „Of het nu om ruwe olie, benzine, diesel of kerosine gaat: dit zijn wereldwijde markten waar de prijs door vraag en aanbod wordt bepaald. Daar hebben individuele bedrijven geen invloed op.” Onafhankelijk energie-adviseur Kasper Walet: „De olieprijs zelf komt op de beurs tot stand, waar allerlei bedrijven, banken en handelshuizen aan deelnemen. De oliereuzen zijn daar maar een klein deel van en hebben nauwelijks invloed op de prijs.”

En de prijzen aan de pomp dan? Die kunnen oliereuzen wel zelf bepalen. Vaak reageren bedrijven traag met het verlagen van de pompprijzen wanneer de olieprijs zakt. 

Een Frans voorbeeld laat zien dat het wel kán. TotalEnergies besloot, zolang de onrust in het Midden-Oosten duurt, een maximumprijs te hanteren voor de verkoop van benzine en diesel bij alle 3.300 Franse benzinepompen van het bedrijf. „We doen het omdat we Frans zijn”, aldus topman Patrick Pouyanné in Franse media, al speelt er vermoedelijk meer. Zoals grote politieke druk om niet te veel winst te maken uit de energiecrisis en de actiebereidheid van de Fransen. Denk aan de gele hesjesbeweging, een massaal protest tegen het verhogen van de brandstofbelasting. De topman van TotalEnergies waarschuwde dat het bedrijf de maximumprijzen weer los zou laten zodra de Franse overheid een extra belasting zou rekenen op de verhoogde winsten. 

Oliebedrijven en economen wijzen op een nadeel van zo’n maximumprijs. „Als bedrijven hun marge verlagen is dat aardig voor de consument op korte termijn”, zegt hoogleraar energie-economie Machiel Mulder van de Rijksuniversiteit Groningen. Maar de vraag blijft dan nog steeds hoog, terwijl, zolang de oorlog voortduurt het aanbod nog steeds beperkt blijft. Consumenten hebben dan geen prijsprikkel om zuinig aan te doen. Bovendien hebben bedrijven dan geen prikkel om te zoeken naar extra olie, die de prijs omlaag zou duwen maar nadelige gevolgen voor het klimaat

En de overheid dan? Kan die niet iets doen om de consument te beschermen tegen de hoge prijzen, zoals Nederland dat tijdens de energiecrisis in 2022 deed met de zogeheten solidariteitsbijdrage? Daarbij was afgesproken dat bedrijven die ten minste 75 procent van hun omzet uit olie- en gasgerelateerde werkzaamheden halen, maximaal 20 procent meer mochten verdienen dan hun gemiddelde winst in de vier jaren ervoor zonder extra belasting. Wat ze daarbovenop verdienden, werd extra belast met 33 procent.

Nederland haalde daarmee enkele miljarden op. Over wat er nu gedaan moet worden met die zogeheten overwinsten lopen nog gesprekken in de Tweede Kamer. Bovendien lopen er nog tientallen rechtszaken van bedrijven die geld terugvragen omdat zij vinden dat de maatregel juridisch onhoudbaar is. 

Energietransitie

Wat gaan oliebedrijven doen met het extra geld dat ze afgelopen maanden hebben verdiend? Dat wordt nog niet duidelijk uit de kwartaalupdates, afgezien van het feit dat aandeelhouders wel meeprofiteren van extraatjes. Zo koopt Shell voor 3 miljard dollar aan eigen aandelen terug, waardoor de winst per aandeel stijgt.

In de kwartaalupdates van de grote oliebedrijven zijn in ieder geval geen aanwijzingen te vinden dat ze hun extra verdiende miljarden in grote mate gaan uitgeven aan vergroening of de energietransitie. In de zomer waarin nog nooit zoveel Europese grondgebied in brand heeft gestaan, vallen de woorden duurzaamheid of CO2 weinig. 

Sterker nog, verschillende oliereuzen snijder zelfs al langer in hun duurzame investeringen. Zo maakte Shell maandag nog bekend dat het bedrijf al zijn zonne- en windparken op het vasteland in Europa gaat verkopen aan TotalEnergies. Een maand eerder verkocht Shell een Indiaas dochterbedrijf gericht op duurzame energie.

Oliebedrijven schroeven hun fossiele productie doorgaans juist op wanneer de olieprijs hoog is. Saudi Aramco wil meer olie oppompen in de Perzische golf en Amerikaanse Chevron pompte nog nooit zoveel olie op als afgelopen kwartaal, bijvoorbeeld door opgevoerde productie in West-Texas en de Golf van Mexico.

Lees het hele artikel