De zon. De wilgen. Het blinkende water. En wij daarbij, daarin – ,,Hier kan geen Turner tegenop”, zeg ik. Het water is de Nieuwe Merwede bij Dordrecht, en de dag daarvoor waren we op de tentoonstelling die het Dordrechts Museum heeft ingericht met een aantal schilderijen van J.M.W. Turner en een paar voorlopers. Het topstuk is een gezicht op de haven van Dordrecht waar we de vorige middag lang naar hebben zitten kijken: Dort, or Dordrecht: The Dort Packet-Boat from Rotterdam Becalmed. Turner is zo goed in licht, in luchten met vegen roze en geel, water dat die luchten weerspiegelt, vals zonlicht dat op een woelige zee valt, laat avondlicht met een paar mensfiguurtjes in een enorme ruimte. Enorme ruimtes, ja daar is hij ook goed in en kijk ons eens hier.
Dit diep snuivende welbehagen kun je alleen maar vinden door hier te zijn, nu, door te ruiken en te horen, de vogelgeluiden, de vage gras-, water- en bloesemgeuren – ach wat houd je van het waterige landschap van dit land waarop je zo graag mag mopperen. Soms voel ik mezelf net Ida Gerhardt, die zo dikwijls de lof zong van het Nederlandse landschap en tegelijkertijd intens chagrijnig was over wat er zoal in het land gebeurde: ‘Ik hard u, Holland, niet / met dit gelaat, waarop geschreven staat: / ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.’
Nu ja. Turner dus. Op zijn grote schilderij zie je het gelige licht van wat we hebben besloten dat een zomeravond moet zijn, het blakke water rond de grote schuit die spullen komt brengen, er drijven een paar vogels op, vooraan drijft iets wits, ,,een plastic zak” mompel ik anachronistisch maar we komen er niet achter wat dan wel. Iets. Juist goed, op water in havens drijft altijd ‘iets’, mensen gooien er dingen overboord of van de kant. Op het stilstaande water onder de verstilde lucht zit een gezelschap in een kleine boot die naar het grote schip vaart, in de verte ligt de stad met zijn karakteristieke stompe toren. Je hoort stemmen over het water, ja, je begrijpt deze avond helemaal, voor zover er iets te begrijpen valt aan avonden. Aan avonden uit 1817. Foto’s waren er nog niet. Een foto zou je juist duidelijk hebben gemaakt dat die wereld daar níet de jouwe was.
Stemmen
We proberen een foto te maken van het landschap dat ons omgeeft, maar het wordt weer eens niets, te vlak, te stil – we hebben Turner toch eigenlijk echt nodig. Een foto is te toevallig, alleen maar dit ene moment, een schilderij is een samenvatting van alles wat avond – of op dit ogenblik juist ochtend – betekent aan licht en stilte. Blijkbaar kun je stilte ook schilderen, want de stemmen van die mensen klinken niet luid en er is nergens een motor te horen, dat is wel duidelijk.
Je wilt het geluksgevoel van deze ochtend vastleggen, maar je wilt dat het vastgelegde alles is wat je al lopende ziet en voelt, het moet ‘dit alles’ zijn. Inclusief onszelf. Dat je voelt wat het is om te bestaan.
Je weet heus wel dat achter deze blinkende werkelijkheid ook een heel andere ligt, je hoeft maar een klein eindje te rijden met de auto, je ogen open te houden, de krant open te doen en daar is het allemaal weer en moet u dan echt in een museum tegenover een schilderij gaan staan en daar de volgende dag langs het water over lopen mompelen?
Ja, dat moet. Dat is het leven, geschilderd en ongeschilderd.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/01154052/010626ECO_2033850891_ice.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/01181159/010626DEN_2034094813_Mikkers.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/01084951/010626VER_2034118381_zeist.jpg)




English (US) ·