Waarom moet bij makers van kleur altijd hun afkomst worden benoemd om een waardeoordeel te kunnen vellen over de kwaliteit van het werk? Het is een vraag waar Charl Landvreugd, hoofd onderzoek bij het Stedelijk Museum in Amsterdam en zelf kunstenaar, al langer mee rondloopt.
Landvreugd is in 1971 geboren in Suriname en migreert op driejarige leeftijd naar Nederland. Hij begint als kunstenaar, doet promotieonderzoek aan de Royal College of Art in Londen en start in 2020 als hoofd onderzoek bij het Stedelijk Museum. En nu is er het boek Dutch Afro Becomings – Hybrid Being in Black Art and Culture, waarin Landvreugd onderzoekt of het mogelijk is om kunstenaars met een migratieachtergrond als ‘cultuureigen’ te beschouwen in het Nederlandse kunstlandschap.
Dat ze bijvoorbeeld ook de Nederlandse inzending kunnen zijn voor de Venetië Biënnale, waarbij hun afkomst als vanzelfsprekend Nederlands wordt beschouwd zonder dat die expliciet benoemd hoeft te worden. Kunstenaar Iris Kensmil, die Nederland vertegenwoordigde bij de Biënnale in 2019, reageerde op de expliciete benoeming van haar afkomst in een interview: „Ik ervoer dat als etnisch profileren. Je hebt het gevoel dat je apart wordt neergezet.”
Waar sommige kunstenaars het benoemen van afkomst als kleinerend ervaren, geldt het voor anderen juist als statement om de culturele achtergrond met trots te benoemen. Maar in het geval van benoemen, dan zou dat volgens Landvreugd moeten gelden voor iedereen. „Want als een kunstenaar uit Groningen komt, dan is afkomst blijkbaar niet van belang om iets te zeggen over de kwaliteit van het werk.”
Zijn boek start vanuit een persoonlijk perspectief, op het moment dat Landvreugd als 19-jarige ontdekt dat zijn kleur hem anders maakt. Hij schrijft: „Het was in 1990 toen iemand riep: ‘Ga terug naar je eigen land!’ […] Ik herinner me dat ik dacht: ‘Wat betekent dat?’”
Gemankeerde positie
In gesprek met NRC in het Stedelijk licht Landvreugd het persoonlijke vertrekpunt toe: „Ik liep rond met vragen die me als zwarte kunstenaar bezighielden, dus het was logisch om vanuit daar te vertrekken voor mijn onderzoek. Waarom gelden er andere regels voor kunstenaars met een migratieachtergrond bij het beoordelen van de kwaliteit van hun werk, in vergelijking met witte collega’s? Ik wilde weten hoe het is gekomen dat er in het westerse kunstdiscours een hiërarchie is ontstaan over wat wij waardevol vinden.”
De ‘thuiskomst’ in Suriname leverde overigens ook een cultuurshock op. „Ik zag er misschien hetzelfde uit, maar we begrepen elkaar totaal niet,” aldus Landvreugd. „Terwijl, je kan me in elk Nederlands dorp neerzetten en wij begrijpen elkaar. Ik ken alle culturele codes.” Hij beschrijft zichzelf dan ook als fysiologisch Afrikaans, etnisch Zuid-Amerikaans en cultureel Nederlands.
Landvreugd: „Ik heb me altijd te verhouden tot twee originelen: ‘de Nederlander’ of ‘de Surinamer’. Het probleem is dat je dan altijd gemankeerd blijft in relatie tot het origineel. Ik ben cultureel niet Surinaams genoeg en visueel niet wit genoeg om Nederlands te zijn. Maar wie bepaalt onze cultuur en wat is dan feitelijk die cultuur?”
Objectief kwalitatieve kunst
In zijn onderzoek wijst Landvreugd erop dat westerse kunst nog altijd als de norm wordt gepresenteerd, waartoe de rest van de kunstwereld zich heeft te verhouden. „De heersende vormentaal in de westerse kunst is geworteld in het hoog-modernisme. Denk aan kunstenaars als Sol LeWitt. Daar wordt alles aan afgemeten.”
„Als de kunstvormen lijken op wat we kennen, dan is het begrijpelijk”, zegt Landvreugd. „Neem het werk van Remy Jungerman: hij werd pas echt begrepen nadat zijn werk werd vergeleken met de vormentaal van Mondriaan.” Deze kunstenaar – die in 2019 Nederland vertegenwoordigde bij de Biënnale – maakt werk op het snijvlak van de Surinaamse Marron-cultuur, de Afrikaanse diaspora en het 20ste-eeuwse modernisme. „Als je iets totaal anders maakt qua vorm, dan ben je af.”
Hetzelfde geldt voor de drager van het werk. Landvreugd: „Als het kunstwerk bijvoorbeeld in het zand is getekend, dan is het geen kunst, maar cultuur. Maar als het binnenkomt op een doek met een naam eronder en het verhandeld kan worden, dan is het kunst.”
Hij stelt een verschuiving in perspectief voor: een uitnodiging om het Nederlandse Afro-perspectief niet langer als afwijkend te zien, maar als een kracht die het centrum van het Nederlandse kunstverhaal mee kan herschrijven. Een utopische plek waarin mensen met een hybride achtergrond de norm zijn, en waar vormentalen op de eigen merites worden beoordeeld in plaats van langs de meetlat van de ‘objectieve’ westerse kunstcanon.
Hoe dat er in de praktijk uitziet? „We hebben bij het Stedelijk veel interne gesprekken gevoerd over het vermelden van iemands afkomst, omdat je met een andere blik naar een werk kijkt als je eerst leest dat iemand uit Ghana of Nederland komt. Mede doordat we dat nu bij iedereen weglaten, hebben we veranderd hoe de bezoeker de kunst tot zich neemt. We willen dat het kunstwerk eerst voor zichzelf spreekt.”
Museum voor iedereen
Welke rol spelen witte mensen in de utopische ruimte die Landvreugd voorstelt, en wat vindt hij ervan dat sommigen zelfs oproepen tot het behoud van ‘inheemse’ cultuur? „Deze vraag gaat veelal over macht”, zegt Landvreugd. „Over controle hebben over de ruimte. De backlash is het opkomende populisme en fascisme. Ik snap het ergens ook wel.”
Het is iets waar Landvreugd al langer over nadenkt: wat betekent het om er als museum voor iedereen te willen zijn? „Wat betekent dat bijvoorbeeld voor rechts-nationalistische sympathieën of gevoelens? En welke consequenties heeft dat voor wat we in het museum laten zien? Dit is wel iets waar ik serieus over nadenk. Waar ligt de grens? Maar ik pleit in mijn boek dat er ruimte moet zijn voor iedereen.”


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20110911/200426VER_2033139142_paas.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20134115/210426MID_2032929398_Illu_Opgevoed_Martien-ter-Veen-WEB.jpg)




/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/19013228/ANP-556145826.jpg)

English (US) ·