Zeventien wedstrijden, één punt – hoe gaan topsporters om met aanhoudende nederlagen?

3 uren geleden 3

Hurleycoach Enzo Torossi Maccia praat, maar niemand luistert. De nummer laatst van de heren hockey hoofdklasse is net op eigen veld afgedroogd door Pinoké: 1-8. Het is zondagmiddag 8 maart, dit jaar. De spelers en de begeleidend staf van het Amsterdamse Hurley staan direct na afloop van de wedstrijd plichtmatig bij elkaar in een kring op het veld.

Met zachte stem probeert de Argentijn zijn mannen nog iets mee te geven. Niemand reageert, twee spelers kijken zelfs over hun schouder naar het drukke en zonovergoten terras van de club waar verschillende damesteams al aan de zogenoemde thé dansant zijn begonnen. De pitchers bier gaan er van hand tot hand.

Dan neemt doelman Joren Romijn plots het woord. „Iedereen moet bedenken wat er hier vandaag in godsnaam is gebeurd en zich vervolgens afvragen: wat breng ík in?! Met welke instelling en intentie kom ik naar de club?” Opeens is er volle aandacht, van iedereen. De ervaren goalie, die op één knie is gaan zitten: „Want daar zit het probleem! We leveren te weinig, zowel op de training als in de wedstrijden.” Een enkeling knikt instemmend. De rest zwijgt, net als de coach.

De nederlaag tegen Pinoké is het voorlopige dieptepunt voor Hurley. Na veertien competitiewedstrijden hebben ze één punt. Nog zorgwekkender: van vechtlust was nauwelijks sprake. Na zeven minuten en twee tegendoelpunten leek de wedstrijd tegen Pinoké al gespeeld.

Romijn, die afgelopen seizoen nog als basisspeler de landstitel won met Amsterdam, kan er met zijn hoofd niet bij. „Dan speel je op het allerhoogste niveau en dan leggen we dit op de mat”, zegt hij na afloop tegen NRC, lurkend aan een bidon. „Het is gekmakend.”

Welke effecten heeft het op spelers als de nederlagen zich aaneenrijgen? Bestaat spelplezier dan nog? En is het mentaal mogelijk het tij te keren? Romijn, terwijl de zweetdamp van zijn kale schedel komt: „Goede vragen, maar niet voor nu.”

Keeper Joren Romijn van hockeyhoofdklasser Hurley baalt na wéér een tegendoelpunt.

Foto: Olivier Middendorp

Landskampioen

Ruim twee weken later komt hij, na nóg twee nederlagen, desondanks vrolijk het pand van zijn werkgever in Amsterdam binnenlopen. „Koffie?”, vraagt hij.

Via Castricum, Hurley, Qui Vive en Kampong belandde hij in 2021 bij zijn droomclub Amsterdam. Bij de wat in verval geraakte topclub en bij het Nederlands team leerde Romijn de wetten van de topsport: de onderlinge verschillen in de top zijn marginaal, het kan áltijd beter en onder druk moet je juist ontspannen zijn om écht te kunnen presteren. „Dat was, in elk geval voor mij, best een lastige combinatie,” vertelt Romijn.

Altijd behield hij het gevoel dat de clubleiding van Amsterdam niet volledig achter hem stond. Ieder jaar waren er de geruchten dat de club uitkeek naar een nog betere, buitenlandse keeper. Het vrat aan hem. Halverwege zijn vierde seizoen bleek die aanhoudende twijfel terecht: zijn contract werd niet verlengd, was de mededeling. Hij was er ziek van.

Tot hij zich na een paar weken bij elkaar raapte en zichzelf én zijn teamgenoten van Amsterdam toesprak. „Ik baal als een stier, maar zal er alles aan doen om kampioen te worden.” Het resultaat: hij speelde de allerbeste maanden uit zijn carrière en won met Amsterdam de eerste landstitel in dertien jaar. „Wáánzinnig, zeker na alles wat er was gebeurd.”

Maar het aantal beschikbare plekken voor keepers op het allerhoogste niveau is nu eenmaal beperkt met maar twaalf clubs. En dus keerde hij in de zomer van 2025 na jaren terug naar zijn ‘jeugdliefde’ Hurley, dat zich ternauwernood had weten te handhaven in de hoofdklasse. „Ik wist dat het een heel ander seizoen zou worden.” Glimlachend: „Maar dit had ik niet voorzien.”

Slaapmedicatie

Pech, blessures van bepalende spelers, maar bovenal een gebrek aan vechtlust en kwaliteit braken Hurley al snel in het seizoen op. Illustratief is de thuiswedstrijd tegen Schaerweijde, een directe concurrent in de strijd tegen degradatie. Hurley verloor, ondanks een voorsprong, alsnog. Romijn: „Toen wisten we dat het een héél lastig seizoen zou worden.”

De aanhoudende verliespartijen leidden tot dalend zelfvertrouwen van de ploeg, een paar dikke nederlagen en soms onderlinge irritaties.

Myrthe van Kesteren (rechts) van Huizen in duel met twee speelsters van HV De Terriërs uit Heiloo, in het seizoen 2021/2022

ANP / Soenar Chamid sportfotografie

„Dat herken ik allemaal”, zegt Myrthe van Kesteren. In het seizoen ’24/’25 was ze aanvoerder van Huizen Dames 1, dat na promotie voor het eerst uitkwam in de hoofdklasse. Het werd een rampjaar. Van de 22 competitiewedstrijden werd er één gewonnen, drie keer speelden ze gelijk. De andere achttien wedstrijden gingen verloren, niet zelden met ruime cijfers. „De sfeer was matig en aan het einde van het seizoen op momenten zelfs grimmig.” Er waren meerdere kampen, verschillende groepsapps en ouders bemoeiden zich steeds meer met het team. Van Kesteren: „Dat hielp allemaal niet.”

De voortdurende verliespartijen uitten zich steeds nadrukkelijker in haar gedrag, vertelt ze in haar favoriete koffietentje in Amsterdam. „Ik heb tijdens een wedstrijd eens een teamgenoot aangesproken op een manier dat mijn broer en zus, die langs de lijn stonden, na afloop tegen me zeiden: ‘Dat was niet oké, Myrth’.”

Om de negatieve resultaten te doorbreken, ging ze nog harder trainen. „Op het geforceerde af”. Het hielp niet. Integendeel. „Kort na de winterstop zat ik op doktersvoorschrift aan de slaapmedicatie.” De laatste competitiewedstrijd eindigde in een 10-1 nederlaag. Bij de seizoensafsluiting van het team kwamen slechts zeven speelsters opdagen.

Naar de strot vliegen

Wat gebeurt er, geestelijk en lichamelijk, bij aanhoudend verlies in de sport? „Een heel interessante vraag”, zegt Nico van Yperen bij een kop koffie in het centrum van Groningen. Hij is ’s lands enige hoogleraar sportpsychologie, aan de plaatselijke universiteit. „Juist dat repetérende element van verliezen maakt het intrigerend. Maar daar is, voor zover mij bekend, geen specifiek onderzoek naar gedaan.”

In een verliespartij zitten vaak de beste lessen, zegt Van Yperen. „Toch zeggen sporters en ook coaches dan vaak: ‘Snel vergeten en doorgaan.’ Maar dat is precies wat je níet moet doen. Van fouten kun je meer leren dan van succes.”

Van fouten kun je meer leren dan van succes.

Bij een eindeloze reeks verliespartijen is dat uiteraard moeilijker, zegt Van Yperen. „Dan speelt vaak mee dat de belangrijkste verklaring toch is dat het kwaliteitsverschil van de spelers ten opzichte van de concurrentie simpelweg te groot is. Dat hóeft overigens niet zo te zijn.”

Neem voetbalclub RBC in het eredivisieseizoen 2005/2006. Volgens kenners en betrokkenen een ploeg met eredivisiewaardige spelers. Toch boekten ze het slechtste resultaat ooit door een voetbalclub op het hoogste niveau in Nederland: één overwinning, zes gelijke spelen en 27 keer verlies.

Paul de Lange van RBC in duel met PSV’er Ibrahim Afellay (rechts) in het voor RBC dramatische seizoen 2005/2006.

ANP / ANP

„Het probleem was: we waren geen team, maar een elftal vol huurlingen waarvan de meesten voor zichzelf stonden te spelen”, vertelt RBC-middenvelder Paul de Lange terugblikkend. Exemplarisch, zegt hij, was een vrije trap die RBC kreeg op een kansrijke positie op het veld in de uitwedstrijd tegen PSV. „Ik sprak met Edgar Marcelino af dat ik ‘m zou nemen.” Tot zijn verbijstering zag De Lange hoe de Portugees toch schoot, in een poging zich te onderscheiden tegen het grote PSV. „Ik wilde hem naar zijn strot vliegen.”

Zo liepen de frustraties steeds verder op naarmate het seizoen vorderde, vertelt De Lange tijdens een schaftpauze van zijn werk als huisschilder in Beverwijk. „We werden cynisch naar elkaar”, zegt hij. Hij zucht. „Misschien was wel het grootste probleem dat iedereen zichzelf te goed vond om bij RBC te spelen”, zegt hij. „Ik ook.”

Net als bij Myrthe van Kesteren sijpelden de prestaties steeds meer door in zijn privéleven. De Lange: „In mijn hele carrière heb ik alleen dat seizoen last gehad van slaapproblemen.”

Vuur in de ogen

Om het tij in elk geval mentaal te keren, huurde RBC een mental coach in. Maar de groepssessie werd geen succes. „Er werd alleen maar om gelachen,” zegt De Lange. „Dat hele seizoen was één groot dieptepunt.”

Bij Myrthe van Kesteren pakte een paar individuele bezoeken aan een sportpsycholoog juist goed uit. „Het gaf me inzicht in mezelf en mijn verkeerde omgang met de frustraties.”

Maar wat haar het meeste hielp, zegt ze, was een uitstapje in de winterstop met zes andere speelsters uit haar team. „We zijn gaan zaalhockeyen. Daarin hadden we ontzettend veel lol én we werden kampioen. Dat gaf me nieuwe energie.”

Hoogleraar Nico van Yperen knikt als hij het verhaal hoort. „Even iets anders gaan doen in nieuwe omgeving is een heel goede en bekende manier om het spelplezier terug te vinden.”

Van Kesteren speelt nog altijd hoofdklasse, nu bij Rotterdam. „Dat ene seizoen heeft me veel gekost maar ook zoveel geleerd. Ik ben nog altijd super competitief, maar wil en zal nooit meer de Myrthe van toen zijn.”

Joren Romijn probeerde nieuwe doelstellingen voor zichzelf te formuleren gedurende het seizoen. Zo nam hij nog nadrukkelijker de leiding als ervaren speler tijdens trainingen, bijvoorbeeld in disciplinair opzicht. „Als wij er álles aan doen, hebben we een kans om erin te blijven”, hield hij zijn teamgenoten voor. „Ik vind dat ik het als oudere speler moet doen, maar heb er ook plezier in om voorop te gaan in de strijd.”

Na de deceptie tegen Pinoké (8-1 verlies) stak de ploeg de koppen bij elkaar. Er vielen harde woorden. Wat volgde was een goede wedstrijd tegen topclub Bloemendaal. Ook die ging weliswaar verloren, „maar ik zag weer vuur in de ogen”, zegt Romijn. „Dat gaf voldoening en hoop op de eerste overwinning.”

Poep in de broek

Een paar dagen later, op zondagmiddag 29 maart, moet het dan echt gaan gebeuren voor Hurley. De Amsterdammers spelen uit tegen Schaerweijde, de nummer drie van onderen. Het is theoretisch de beste kans op een overwinning die resteert voor Hurley om nog aan rechtstreekse degradatie te ontkomen.

Maar het gebeurt niet, die middag in Zeist.

Hurley oogt als een stuurloos schip, hoe Romijn ook probeert zijn ploeg te coachen en aan te vuren. Het verliest met 2-1. Ook na zeventien wedstrijden heeft de ploeg één punt.

Na afloop staart Romijn in de dug-out een kwartier roerloos voor zich uit. „We speelden met poep in de broek”, zeg hij bij het verlaten van het veld. Gevraagd naar zijn gevoel, zegt hij: „Ik voel nu vooral leegte.”

En dan, op zondag 12 april, in de uitwedstrijd tegen HDM lijkt Hurley als bij toverslag opeens te herrijzen. Het speelt, met twee van blessures teruggekeerde spelers, overtuigend. Met wilskracht. Het scoort, het incasseert.

Vijf minuten voor tijd gooit het team bij een 1-1 stand alle schroom van zich af. Romijn gaat naar de kant om een extra veldspeler in te kunnen brengen. Het plan werkt. Hurley forceert een strafcorner die dankzij één van de teruggekeerde spelers fabelachtig in de linker bovenhoek verdwijnt. Vier speelrondes voor het einde is de eerste overwinning een feit.

Na afloop staat Romijn in de zon te stralen. „We leven nog!” Uit de boxen schalt het nummer Get lucky, van Daft Punk:

Like the legend of the phoenix / All ends with beginnings.

Lees het hele artikel