BINNEN
De eerste keer in de kliniek was ik kampioen broodjes smeren. Niemand gebruikte die exacte woorden, maar dat was ook niet nodig. Iedereen kon zien dat ik er in vergelijking met de rest bijzonder goed in was – zo goed dat zowel therapeuten als groepsgenoten hun bewondering uitspraken voor mijn voortvarende smeertechniek.
Die zag er als volgt uit: ik draaide mijn linkerhandpalm omhoog, kwakte daar een snee brood op en bracht dan uit de losse rechterpols margarine aan. Margarine smeren was verplicht, tot ontzetting van velen. Er waren zelfs plaatjes beschikbaar die lieten zien wat de juiste hoeveelheid margarine was. Die konden de therapeuten, die ons strak in de gaten hielden tijdens elke maaltijd, te allen tijde tevoorschijn trekken: kijk, zó hoort je boterham eruit te zien.
Als de smeerpolitie even wegkeek, was er steevast iemand heel geniepig en vlug wat beleg over een margarineloze fabrieksboterham aan het smeren. Dat noemden we ‘smokkelen’. Dat er pogingen werden ondernomen tot gesmokkel met margarine was een van de zekerheden van ontbijten of lunchen in de kliniek. Bij het avondeten waren er weer andere tradities, bijvoorbeeld dat er werd gehuild wanneer lasagne op het menu stond. Dat had iets te maken met de samenstelling van de bechamelsaus.
Ik huilde niet bij de lasagne en had me binnen enkele weken ontpopt tot betrouwbare margarinesmeerder, alsook tot groot liefhebber van pindakaas – toch het meest gevreesde product op tafel. Voor het eerst in jaren smeerde ik er royale lagen van op mijn brood. Mijn groepsgenoten zaten intussen mespuntjes appelstroop over hun boterhammen te verspreiden met de inspanning en precisie van iemand die een bom onschadelijk maakt.
Het was, kort gezegd, best makkelijk om kampioen broodjes smeren te worden in de kliniek. De lat lag heel laag. Toch ben ik er bijzonder trots op geweest.
BUITEN
Ik wilde echt graag beter worden, die eerste keer in de kliniek. Althans: in het begin. Het was mei 2014, ik was pas achttien jaar oud en de maanden vóór de opname waren zo stuurloos geweest, zo waanzinnig deprimerend.
Eind januari was ik gestopt met het eerste jaar van mijn opleiding omdat ik vermagerd, somber en neurotisch was, en in de leegte die volgde was ik nog magerder, somberder en neurotischer geworden. Ik bracht die winterdagen door met kauwgom kauwen en zwarte koffie met heel veel zoetjes drinken om de honger te stillen, en met touwtjespringen en hoelahoepen om denkbeeldige calorieën te verbranden. In de overige tijd stapte ik soms op een tram naar een willekeurige bestemming waar ik niet hoefde te zijn. Daar stapte ik uit en liep ik wat rond, tot ik weer op de tram terug naar huis stapte om op de weegschaal te gaan staan. Die zag ik denk ik vaker dan dat ik mensen zag.
Ik wist niet wie of wat ik wilde worden, of bij welke groep ik hoorde – of ik überhaupt ergens bij hoorde. Rond mijn vijftiende had ik het idee opgevat dat veel van mijn groeiende onzekerheid viel op te lossen door af te vallen. Ik zou me vast zelfverzekerder voelen als ik dunner was. En als ik eenmaal zelfverzekerd was, dan zou de rest vanzelf wel komen.
Mijn nieuwe doelen gaven mijn leven structuur: nu waren er maximale hoeveelheden calorieën die ik binnen mocht krijgen en fitnessroutines die ik dagelijks moest uitvoeren. Ik leefde mijn zelfopgelegde regels eerst vlijtig, toen krampachtig en uiteindelijk dwangmatig na.
Het getal op de weegschaal daalde.
De regels werden strikter en vreemder.
Het getal daalde verder.
Strikter, vreemder, verder.
Als het om afvallen ging, was ik zeer succesvol. Het probleem was alleen dat ik er niet meer mee kon stoppen. Minder eenzaam werd ik er intussen niet van. De regels en rituelen die ik rond eten en bewegen had bedacht vielen moeilijk uit te leggen, dus hield ik ze voor mezelf. Ze werden een geheim dat zich na een tijdje vanzelf openbaarde, zonder dat ik er nog woorden aan vuil hoefde te maken: iedereen die een blik op mijn knokige ledematen wierp, kon raden dat hier iets grondig misging.
Toen ik op de wachtlijst belandde voor een ambulante behandeling in de kliniek, viel ik nog harder en sneller af. Ik had helemaal geen zin om ambulant behandeld te worden. Over mijn problemen praten wilde ik ook niet. Wat ik wel wilde, durfde ik niet hardop toe te geven – het klonk zo treurig. Inmiddels durf ik het wel, al gaat dat nog altijd gepaard met veel schaamte en schuldgevoel. Misschien is dat waarom ik dit verhaal ben begonnen met anekdotes over margarine.
Dit is wat ik wilde: gered worden van mezelf.
Alles uit handen geven.
Ik wilde worden opgenomen. En het gebeurde nog ook.
In mei dat jaar droeg ik mijn roze koffertje de draaideur door, de trap op, en daar legde ik het neer in een van de slaapkamers van de eetstoorniskliniek.
BINNEN
Bij binnenkomst kreeg ik een map vol huisregels en een gepersonaliseerd menu dat me weer naar een gezond gewicht moest tillen. Een weekrooster was er ook. Elke maandagochtend werden we gewogen. Om kwart over acht, half één en half zes werd er begeleid gegeten, meer dan een halfuur per dag wandelen werd ten strengste afgeraden en ’s avonds dienden we uiterlijk half elf in bed te liggen.
Er waren uren waarin je moest rusten en uren waarin je bezoek mocht ontvangen. Er waren dagelijkse groepssessies met namen als ‘vaardigheden’ en ‘zelfwaardering’. Er waren weekdoelen die je moest halen en eetdagboeken die je moest schrijven en therapeuten die vertelden wat je beter wel en niet kon doen.
Er was duidelijkheid. Er was overzicht.
Na een week of twee gaf ik me volledig over aan dit nieuwe regime. Dat ging opvallend soepel. Ik bleek net zo goed te zijn in aankomen als ik was geweest in afvallen, met als verschil dat ik voor elke herwonnen kilo veelvuldig op de schouders werd geklopt door tevreden therapeuten. Aankomen was veel gezelliger, veel minder eenzaam dan afvallen.
Daar kwam bij dat hier een langgekoesterde wens in vervulling ging: in de kliniek had ik een hechte vriendengroep. Tijdens mijn eerste opname ontmoette ik vooral jonge vrouwen die ook niet eerder waren opgenomen en in wie ik mijn eigen onzekerheden herkende. Binnen deze groep zag ik kans om de rol van gangmaker te vervullen. Net als bij de boterhammenkwestie lag de lat daarvoor heel laag, maar ik maakte er toch enorm veel werk van.
Ter bevordering van de groepsmoraal schreef ik bemoedigende gedichtjes voor mijn nieuwe huisgenoten, klopte ik op slaapkamerdeuren om mensen mee te vragen op de dagelijkse wandeling en hing ik de hal en eetzaal vol met grapjes die alleen wij begrepen. Ik maakte zo veel posters waarop Hans Klok beloofde al je issues weg te toveren („Zo heb je issues, en zo heb je ze niet”), dat ik op mijn negentiende verjaardag een gedicht cadeau kreeg met de titel: ‘Hans Helpt’.
Op de avond van mijn negentiende verjaardag vierden we feest. Daar werd een foto van gemaakt die we gebruikten als afbeelding voor onze groepschat op WhatsApp; ik kan hem nog altijd bekijken op mijn telefoon.
Je ziet zeven jonge vrouwen in verkleedkleren voor een olijfgroen magnetisch bord staan. Een vrouw draagt kattenoren, een andere een ezelsmasker. Zelf draag ik een opplaksnor van de HEMA en een geruit overhemd waarvan één mouw is vastgenaaid aan een ander geruit overhemd, en in dat overhemd zit weer een andere kliniekbewoner met een HEMA-snor. Achter ons hangt Hans Klok in veelvoud. Net buiten beeld staat de koffie- en thee-automaat die we gebruikten als er iemand op visite kwam.
Ik weet nog hoe het rook in de hal waar die foto is gemaakt. Het rook er naar sterrenmunt in een dokterspraktijk. Kopjes thee in een wachtruimte. Het was niet vies of lekker – het was gewoon de geur van waar we woonden. De geur van ons huis.
Niet lang na mijn verjaardag begon ik, geheel volgens schema, met de afbouwfase van mijn opname. Ik sliep nu nog maar de helft van de week in de kliniek. De samenstelling van de groep veranderde langzaam, er waren nieuwkomers die ik minder goed leerde kennen. Ze maakten dingen mee waar ik niet altijd meer onderdeel van was.
Wanneer ik niet in de kliniek was, voelde ik steken van afgunst en heimwee. Het viel me ook nu pas op hoezeer mijn lichaam was veranderd. Mijn dijen raakten elkaar weer, mijn kleren voelden kleiner, het ging ineens zo snel. En juist nu het moeilijk werd, nam de hulpverlening af. Omdat ik me had voorgenomen weer te gaan studeren in september mocht ik zelfs vroegtijdig stoppen. Daar probeerde ik maar blij mee te zijn.
In mijn laatste week in de kliniek zei een therapeut: jij hoort hier niet meer. Het was lief bedoeld, als bevestiging van hoe ver ik gekomen was. Van hoeveel gezonder ik overkwam dan de rest van de groep. Maar vanbinnen voelde ik me ongezonder dan aan het begin van de opname, verre van klaar voor de volgende stap.
In de kliniek had ik duidelijke doelen gehad en ergens bij gehoord. Ik was iemand geweest. Wie was ik als ik straks weer buiten stond?
Hier is nog iets dat ik toen niet had durven toegeven, niet aan mezelf en ook niet aan een ander: zodra ik de kliniek verliet, verlangde ik ernaar terug.
Illustratie Sara-Noor ten CateBUITEN
Ik begon aan een nieuwe opleiding, zoals ik me had voorgenomen. Dat hield ik een jaar vol. Aan het eind van het studiejaar vierde ik mijn twintigste verjaardag met waterijs – veel meer dan dat wilde ik niet eten.
Die zomer meldde ik me met holle ogen opnieuw bij de kliniek. Ik was nog lichter dan de eerste keer.
BINNEN
Een eetstoorniskliniek kan een leerzame plek zijn voor wie beter wil worden, maar het is ook een leerzame plek voor wie ziek wil blijven. Ik wilde dat allebei tegelijk.
De tweede keer in de kliniek schreef ik daarom nog steeds bemoedigende gedichtjes, maar zette ik ook alle smokkeltrucjes in die ik er de vorige keer had gesignaleerd. Een voortrekkersrol vervulde ik niet meer. Integendeel: toen het merendeel van de groep met elkaar afsprak om voortaan bij de lunch heel dapper de vorken terzijde te leggen en onze boterhammen gewoon met onze handen te eten, weigerde ik hieraan mee te doen.
Nu gold ik als bederver van de groepsmoraal.
De therapeuten zagen het ook steeds minder met me zitten: ik kwam amper aan, ik werkte de behandeling tegen. Een behandelaar die erop stond om ons wekelijks aan mindfulness te laten doen, wees me erop dat het hier „geen hotel” was. Na een paar maanden zag men in de kliniek het nut van de opname niet meer in, maar ik wilde niet naar huis. Ik wist zeker dat ik mezelf daar tot waanzin zou drijven.
Het was op mijn eigen verzoek dat ik in het voorjaar van 2016 werd overgeplaatst naar de psychisch-medische unit van het ziekenhuis. Daar hoorde ik voor het eerst de term ‘draaideurpatiënt’. Een verpleegkundige gebruikte dat woord voor een andere vrouw met anorexia, die hier jaarlijks een keer of drie werd opgenomen. Het eerste wat ze deed toen ze binnenkwam was een volledig blikje zoetjes in haar koffie legen – ze wist al waar ze stonden. Het tweede wat ze deed was aan de verpleging melden dat de zoetjes op waren.
Verder herinner ik me weinig van het ziekenhuis. Ik kreeg een zware mix van medicatie en een bed met knopjes aan de zijkant, waarmee je het omhoog en omlaag kon laten bewegen. Naar buiten gaan mocht alleen onder begeleiding, in een rolstoel. In mijn neus zat een slangetje waardoor ik sondevoeding kreeg, zodat ik niet eens meer een boterham hoefde te smeren. Het gaf een vreemd gevoel van rust.
Tot ook die opname werd afgerond.
BUITEN
In de zomer dat ik eenentwintig werd stuurde de behandelaar uit het ziekenhuis me een mailtje om te vragen hoe het ging. Het ging niet goed. Ik aarzelde heel lang over het antwoord en schreef toen terug:
„Heel eerlijk gezegd mis ik soms, al klinkt dat nogal ziek, het ziekenhuis. Daar was het tenminste duidelijk wat ik was: patiënt.”
De maand erna werd ik weer opgenomen.
BINNEN
Een paar weken verbleef ik in het ziekenhuis. Er was nog één ander meisje met anorexia, maar we bleven bij elkaar uit de buurt en namen ook geen afscheid toen ik doorstroomde naar een andere kliniek, in een andere stad.
Die laatste keer was het ronduit vreselijk in de kliniek. De overige kliniekbewoners kenden elkaar bijna allemaal al van eerdere opnames; sommigen waren hier ooit begonnen op de kinderafdeling. Ze vielen af en kwamen aan, gingen naar buiten en naar binnen. Als ze ziek waren werden ze beter en als ze beter waren werden ze ziek. Ik zag voor me hoe ik dit de komende jaren ook zou blijven doen. Hoe mijn leven er dan uit zou zien.
Soms kreeg ik bezoek van mensen met wie ik in de klas had gezeten op de middelbare school. Zij hadden zich gestort in het uitgaansleven, ze waren aan het daten, sommigen waren op kamers gaan wonen en hadden al een opleiding afgerond. Ik bleef al die tijd bevroren in dit vreemde tussenstadium. Ik was geen kind meer, ik was geen student en ik was ook nog geen volwassene. De belangrijkste beslissing die ik dagelijks nam was welk beleg ik op mijn boterham zou doen.
Ik kon hier niet blijven.
Mijn laatste opname was ook mijn kortste. Toen ik hem afrondde schreef een therapeut in haar evaluatie:
„De opname verliep wisselend. Amber is enerzijds gemotiveerd, zegt af te willen van de eetstoornis. Anderzijds vindt ze het heel lastig om afscheid te moeten nemen van haar eetstoornis. Dit voelt als verlies van iets dierbaars.”
Het was het begin van een rouwproces, die laatste keer in de kliniek. Ik begroef een ziekte.
Een thuis.
Een levensfase.
BUITEN
Het is achtenhalf jaar geleden dat ik voor het laatst mijn roze koffer een kliniek uit droeg, de draaideur door, naar buiten. Daar heb ik me nog een hele tijd ontheemd gevoeld.
De heimwee ebde weg naarmate ik een bestaan buiten de kliniek opbouwde, zo goed en zo kwaad als dat ging. Ik ben niet van de ene op de andere dag beter geworden. Niemand wordt van de ene op de andere dag beter. Een paar jaar lang bleef ik afvallen en aankomen, afvallen en aankomen, maar niet meer met de hevigheid van de jaren ervoor. Op weer een nieuwe opleiding ontmoette ik vrienden voor wie ik iets betekende, en zij iets voor mij. Heel langzaam vulden nieuwe interesses en relaties en ervaringen het gat dat de anorexia achterliet.
Ik weet niet of de opnames me hebben gered of afgeremd. Of ze me beter of juist zieker hebben gemaakt. Misschien zijn dat waarheden die naast elkaar kunnen bestaan.
Nog één keer ben ik het gebouw binnengelopen waar ik voor het eerst ben opgenomen. Ik had er twee jaar geleden een afspraak met iemand die verstand had van rouw, want ik had nu geen ziekte, maar een mens verloren. Ik wilde wel eens weten hoe anderen dat doen: afscheid nemen.
Ik keek verdwaasd om me heen toen de vrouw met wie ik had afgesproken me door de gangen leidde van mijn oude kliniek. In mijn handen hield ik een wegwerpbeker met thee uit de automaat. Het rook er vaag naar vroeger.
„Ik ben hier nog opgenomen geweest”, zei ik. „Toen was dit een eetstoorniskliniek.” „Oh”, zei ze nonchalant. „Die is allang verhuisd.”
Ik ging alleen naar huis met een hoofd vol fragmenten van toen; ze drukten van binnenuit tegen mijn slapen. Dat doen ze soms nog steeds. Dan doet het zeer, maar het is een pijn die ik steeds beter verdraag. Ik wil het kunnen voelen: hoe alles voorbijgaat. Hoe dat verdrietig en troostrijk kan zijn tegelijk.
De kliniek bestaat alleen nog maar in mijn herinnering. Ik kan, ik hoef, ik ga er nooit meer naar terug.


/https://content.production.cdn.art19.com/images/5c/f1/5c/b4/5cf15cb4-3eae-48af-af9f-6c2feb12b858/fe0b0e450c1acdd88d1edba6c6e41e71002674b513ff54d9d36c168809ec8019eb1ad4fe32035569725b15e4c884bda154b4895cb6df8b07b3c2078dba71ad7d.jpeg)

/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data151932880-7bb79e.jpg)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/05214753/050826VER_2035740527_bol2.jpg)

English (US) ·