Eén zin hoor je verreweg het meest als kankerpatiënt: „Dit is natuurlijk niks vergeleken bij wat jij doormaakt.” Altijd vol gêne uitgesproken, alsof de spreker zich kapot schaamt dat hij net heeft gepraat over zijn hernia, werkstress of moeizame verbouwing.
Ik snap de opmerking en ik vind het aardig van de ander, maar het is niet nodig. Ik heb kanker, of ik had kanker, ik weet niet eens hoe ik het moet noemen nu de behandeling voorbij is, maar ik zit ook met andere dingen, van steigers rond mijn huis tot zorgen over democratisch verval. Kortom: ik ben niet vergeten hoe het is om mens te zijn.
‘Alles is relatief’ is een dooddoener, maar voor mij is hij echt gaan leven. Alles ís relatief, soms op een verbijsterende manier. Problemen groeien of krimpen, afhankelijk van het referentiekader. Ik weet niet hoeveel literatuur er bestaat over het fenomeen referentiekader, maar ik peins er al dagen over en onderscheid inmiddels drie soorten.
De eerste gaat over aangepaste verwachtingen. Door nieuwe omstandigheden kun je ineens andere standaarden hebben voor wat lekker, fijn of nastrevenswaardig is.
Toen mijn haar weer terugkwam na de chemo vond ik het mooi vergeleken met een kaal hoofd; nu het verder gegroeid is, vind ik die beginnende pluisjes lelijk.
De cracker met pindakaas die ik drie dagen na mijn operatie at, vond ik een van de lekkerste ontbijtjes ooit; inmiddels ligt de lat weer bij roerei met zalm en avocado.
Direct na de diagnose dacht ik: ik zou al blij zijn als ik nog een paar jaar kon leven; nu alles terugkeert naar normaal, wil ik net als voor mijn ziekte negentig worden.
Ik probeer me in te leven in de gevoelswereld van iemand met een hoge verwachting van kruipruimtes
Het tweede type referentiekader is de verhouding van het probleem ten opzichte van andere problemen. Neem bijvoorbeeld de overgang, waarin ik terechtkwam na mijn operatie. Op 39-jarige leeftijd kreeg ik plotseling opvliegers en slaapproblemen, maar aanvankelijk negeerde ik die. Ik had het al druk genoeg met herstellen van de operatie, nieuwe chemokuren ondergaan, kleine triomfen behalen in de sportschool.
Intussen had ik wel hersenruimte voor ándere dingen, zoals nieuws over de ontvoering van Maduro en de Insta-story’s van een man die ik leuk vond. Hoewel die minder directe impact hadden dan de opvliegers en het slaapgebrek, voelden ze veel urgenter. Misschien ook omdat ze, door mijn hoofd te vullen met zorgen en verlangens, perfecte afleiding boden van mijn lichaam.
Problemen kunnen dus (tijdelijk) aan kracht verliezen omdat andere, soms objectief gezien minder belangrijke, issues de aandacht opeisen. Het helpt om het te visualiseren als schaken op meerdere borden. Er is het bord van leven en dood, waarop een existentiële strijd wordt uitgevochten. Maar ik speel ook andere potjes. Er is het bord van de fysieke gezondheid, het bord van de liefde, het bord van het nieuws, het bord van de recreatie. Soms wordt het op een van de borden zo spannend dat de andere er roerloos bij staan.
De derde soort referentiekader is de situatie van andere mensen. Stel dat iedereen in mijn omgeving terminale kanker had, dan had ik mij met mijn niet-terminale kanker allicht een geluksvogel gevoeld. Maar mijn vrienden en kennissen zijn doorgaans kerngezond, waardoor ik mezelf extra zielig vind.
Met mijn ziekte ben ik op mijn beurt onderdeel geworden van het referentiekader van de mensen om mij heen. Wat me terugbrengt naar die zin: „Dit is natuurlijk niks vergeleken bij wat jij doormaakt.” Enerzijds is die zin vaak correct, want kanker ís ook erger dan hernia’s, werkstress en moeizame verbouwingen. Anderzijds klopt hij ook níét, omdat ik andermans problemen meestal niet niks vind. Ik probeer me voor te stellen dat dit een van hún schaakborden is. Als een vriend last heeft van vocht in de kruipruimte, zeg ik niet: „Wees blij dat je überhaupt nog vijftig jaar van een kruipruimte kunt genieten!” En ook niet: „Ach, nat, droog, wat zijn kruipruimtes in the grand scheme of things?” Ik probeer me in te leven in de gevoelswereld van iemand met een hoge verwachting van kruipruimtes en een (tijdelijk) gebrek aan dringender potjes schaak. Wat helpt is dat ik mijzelf het afgelopen jaar ook vaak genoeg heb drukgemaakt om dingen die verbleken bij kanker. Hierdoor dacht ik meestal graag mee over kruipruimte-achtige thema’s.
Dit klinkt allemaal heel verlicht, maar deze redelijkheid kent ook grenzen. Ik breng minder automatisch empathie op voor mensen die ik niet ken, zeker als ik ze om wat voor reden dan ook toch al irritant vind. Ook vind ik het moeilijk als mensen geen poging doen om dingen te relativeren. Ikzelf doe het de hele tijd, van anderen verwacht ik hetzelfde.
Dus toen ik laatst een podcast zag langskomen waarin een mij onbekende vrouw van halverwege de veertig dramatisch deed over de aanstaande perimenopauze, dacht ik toch: kom op zeg, je hebt in elk geval geen kanker. Ik kon het niet helpen.
Soms is het alsof ik in een vorig leven al kanker heb gehad
Misschien, bedenk ik, zijn er twee soorten ‘nu’
Wat uiteindelijk hielp, was een zin op de muur van een wc
Ik ben de Einstein onder de kankerpatiënten, denk ik. Ik doe het zó goed
‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/21120023/230826OPI_2036100257_Web.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/22172420/220826BIN_2036123864_stadhuis.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/22153043/220826VER_2036123789_.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/06090734/210826WEE_2035635366_WEB_HEADER_ILLU_Floor-Rusman-7_Referentiekaders_Kwennie-Cheng.jpg)


English (US) ·