„Bijna elk slag” herinnert Lieuwe de Boer zich nog van de belangrijkste rit van zijn leven, de 500 meter op de Olympische Winterspelen van 1980. „Ik had een heel snelle start”, zegt De Boer (64). „In de eerste buitenbocht kwam ik met mijn schaats een paar keer in de sneeuwrand naast de baan, maar ik had een heel goed tweede rechte stuk. Toen kwam die klote-binnenbocht. Dat was even wringen, maar ik hield hem.”
Na afloop ging De Boer snel naar de kleedkamer – op de buitenbaan van Lake Placid (VS) was het minus vier graden en er stond een flinke bries. Daar ging hij op een stretcher liggen. „Op een gegeven moment kwam de fysiotherapeut binnen. Die zei: ‘Kom, vervelende hondenkop, we gaan naar de dopingcontrole’. Toen wist ik: ik heb een medaille.”
Het was niet zomaar een medaille die Lieuwe de Boer uit het Friese Ureterp won. Zijn brons, achter de ongenaakbare Amerikaan Eric Heiden en de Rus Jevgeni Koelikov, was de eerste Nederlandse olympische podiumplek ooit op de 500 meter. „Eerst had ik het niet zo door, maar toen ik ’s middags mijn medaille kreeg omgehangen in het dorp, besefte ik: dit is toch wel een beetje uniek.”
Eindeloos veel schaatsmedailles heeft Nederland gewonnen in honderd jaar Olympische Winterspelen: bijna een kwart van het totaal. Maar op één afstand ogen de cijfers pover: de 500 meter. Slechts vijf keer wisten Nederlandse mannen het podium te bereiken op de kortste sprintafstand. Bij de vrouwen is de oogst nóg magerder: één bronzen medaille. Op de Spelen in Milaan zijn er, met Jenning de Boo en Joep Wennemars en vooral Femke Kok [LINK stuk Sam], voor het eerst in twaalf jaar weer serieuze medaillekandidaten. Wat maakt de 500 meter zo’n taai nummer voor de Nederlanders?
‘Achterwagentje van de allrounders’
De belangrijkste verklaring voor het gebrek aan medailles, zegt Lieuwe de Boer: sprinten stond in Nederland lange tijd in laag aanzien. De lange afstanden, dáár draaide alles om: Ard en Keesie (Schenk en Verkerk), Piet Kleine, Hilbert van der Duim. Terwijl andere landen – Japan, Oost-Duitsland, Rusland, de Verenigde Staten – zich al vanaf de jaren zestig specialiseerden in de korte afstanden, bleven sprinters in Nederland „het achterwagentje van de allrounders”, zoals Lieuwe de Boer het noemt. „We hadden een schaatscultuur, maar geen sprintcultuur”, zegt Jan Ykema. „’Luie allrounders’, zo werden we wel eens genoemd.”
Ykema – ook uit Friesland – was ’s lands meest getalenteerde sprinter in het tijdperk na Lieuwe de Boer. Tegen de tijd dat hij zijn top bereikte, tweede helft jaren tachtig, had schaatsbond KNSB weliswaar al een jaar of tien een aparte sprintploeg, maar qua ontwikkeling lagen de Nederlanders nog mijlenver achter. Ykema: „Ik zag die buitenlanders gespecialiseerd trainen. Ze waren veel in de sportschool, hoefden niet hele dagen op de fiets te zitten.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/09132158/140226SPO_2031226383_deBoer.jpg)
Lieuwe de Boer tijdens zijn bronzen 500 meter op de Olympische Winterspelen in Lake Placid (1980)
FOTO ANPIn 1988 wist Ykema het tweede Nederlandse succes te boeken op de 500 meter. Op de Winterspelen in Calgary reed hij naar een zilveren medaille, achter de Oost-Duitser Uwe-Jens Mey. Het waren de eerste Winterspelen in een overdekte hal – niet per se de natuurlijke omgeving van de ‘krachtschaatser’ Ykema, die goed uit de verf kwam op buitenbanen met veel wind en sneeuw. „Maar gelukkig had ik de eerste binnenbocht, waardoor ik kon finishen met een buitenbocht. Veel van mijn Russische concurrenten hadden dat omgekeerd, en konden de laatste binnenbocht niet houden.”
Zijn medaille gaf een nieuwe impuls aan het Nederlandse sprinten, gelooft Ykema. In de tweede helft van de jaren negentig kwam er voor het eerst een hele generatie sprintmannen tot wasdom: Jan Bos, Erben Wennemars, Gerard van Velde. Bij de vrouwen was er Marianne Timmer. Belangrijk daarin was de komst naar Nederland van de Amerikaanse coach Peter Mueller, die zich – eerst bij de KNSB en later met een eigen commerciële ploeg – vrijwel exclusief ging toeleggen op de korte afstanden.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/09132213/140226SPO_2031226383_Ykema1.jpg)
Jan Ykema (links) wordt tweede op de 500 meter in Calgary (1988).
Foto ANPGeen pure sprinter
Toch vertaalde die nieuwe energie en dat talent zich aanvankelijk alleen in medailles op de 1.000 meter, een afstand die ook gewonnen kan worden door schaatsers die geen pure sprinter zijn. „In de tijd dat ik voor het eerst meedeed bij de senioren”, zegt Jan Smeekens, „was de eerste vraag die ik altijd van journalisten kreeg: hoe is het met je 1.000 meter?”
Smeekens speelde een hoofdrol in de definitieve doorbraak van de 500 meter in het Nederlandse schaatsen. Hij zou de eerste Nederlandse wereldkampioen worden op die afstand, in 2017, maar staat vooral in het collectieve schaatsgeheugen gegrift vanwege de spannendste 500 meter aller tijden.
Op de Winterspelen van 2014 in Sotsji reed Smeekens, in de vorm van zijn leven, in de slotrit naar olympisch goud. Dacht hij. Terwijl hij juichend een ereronde deed, volgde een tijdcorrectie: niet Smeekens, maar zijn rivaal Michel Mulder was olympisch kampioen geworden. Het verschil: twaalf duizendste seconden.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/09132421/140226SPO_2031226383_smeekens.jpg)
Jan Smeekens tijdens zijn race op de 500 meter in Sotsji (2014).
ANPEen traumatische ervaring voor Smeekens, hij ging later in therapie om het te verwerken. Toch zou uiteindelijk, zegt hij, het besef komen dat er in Sotsji iets bijzonders was gebeurd. Het podium van de 500 meter was volledig Nederlands: achter hem ging de bronzen medaille naar Ronald Mulder, de tweelingbroer van Michel. „We hadden een doorbraak geforceerd. Mijn halve schaatsleven heb ik gestreden voor erkenning van de 500 meter in Nederland. Dat is dáár gelukt.”
Een beetje geluk
Sinds ‘Sotsji’ haalden de Nederlandse mannen geen olympische podiumplekken meer op de 500 meter. De vrouwen – Margot Boer won die Spelen de eerste (bronzen) medaille ooit – evenmin. Maar dat, zeggen de drie oud-medaillewinnaars, komt niet omdat het pure sprinten in Nederland weer op de achtergrond is geraakt. Er zijn successen behaald op EK‘s en WK’s , nieuwe sprinttalenten blijven zich aandienen.
Het punt is: bij de 500 meter moet je ook een beetje geluk hebben. Het is de enige afstand waarin, zo luidt het cliché, ‘alles moet kloppen’ als je wil winnen. Twee rechte stukken en twee bochten, iets meer dan een halve minuut – daarin moet het gebeuren.
Eén misslag kan op de 500 meter het verschil maken tussen wel of geen medaille. „Als je éven niet scherp genoeg start, of een bocht nèt even verkeerd aansnijdt, of niet genoeg vaart maakt op het tweede rechte stuk, ben je een tiende van een seconde kwijt”, zegt Jan Smeekens. „Dat scheelt zo vijf à zes plekken in de eindklassering. Dat maakt de 500 meter een heel zenuwachtige en mentaal moeilijke afstand.”
De tweede bocht heeft op de 500 meter een welhaast mythische status. Wie de laatste buitenbocht loot, is over het algemeen in het voordeel: op het tweede rechte stuk wordt zóveel snelheid gemaakt dat het lastig is om de laatste binnenbocht ‘te houden’. „Je stuurt hem dan snel te wijd, waardoor je aan de rand van de baan belandt, of zelfs op de buitenbaan”, zegt Jan Ykema. „Dan moet je terug over de blokjes, en rijd je 505 meter of zelfs 510.”
Minstens zo belangrijk als de laatste bocht: het gevoel. De 500 meter voltrekt zich „voor minstens vijftig procent in je hoofd”, zegt Smeekens. „Kun je vanuit ontspanning agressief schaatsen? Of verkramp je omdat er een binnenbocht aankomt waarvan je vreest dat je hem niet zult houden?” Ykema: „Sprinters zijn gevoelsmensen. Een sprinter moet het niet hebben van conditie maar van lekker in z’n vel zitten.”
De 500 meter, zegt Lieuwe de Boer, kan maar op één manier gereden worden: „Op het scherpst van de snede.” En dat vergroot onvermijdelijk de kans op fouten. „Als je verschrikkelijk hard rent, struikel je ook eerder.”
Mooi simpel mannetje
Femke Kok is zondag de torenhoge favoriet op de olympische 500 meter bij de vrouwen. Bij de mannen, op zaterdag, staan op de startlijst drie Nederlandse debutanten: Jenning de Boo, Joep Wennemars en Sebas Diniz. Over die nieuwe lichting Nederlandse mannen, met name het Groningse supertalent De Boo, zijn de oud-medaillewinnaars bijzonder goed te spreken. „Een heel mooi, simpel mannetje”, zegt De Boer. „Ik kijk altijd met plezier naar hem.” Ykema: „Er zit een goede kop op, ik gun hem van alle kanten een gouden medaille.”
De Boo en Wennemars zullen het wel moeten opnemen tegen ijzersterke concurrenten: de Koreaan Jun-Ho Kim, de Pool Damian Zurek en bovenal schaatsfenomeen Jordan Stolz uit de Verenigde Staten, die afgelopen woensdag de olympische 1.000 meter won. Smeekens: „De Boo zal gruwelijk goed moeten zijn om Stolz te kunnen verslaan.”
Ze zullen alle drie voor de televisie zitten, de oud-medaillewinnaars. Ykema heeft alvast vrijaf genomen van z‘n werk – hij is tegenwoordig huisschilder. Smeekens zal in de radiostudio in Hilversum zitten, als analist bij Langs de Lijn. En Lieuwe de Boer is te vinden in café De Drie Zwaantjes in het Friese dorpje Langweer, samen met zijn oude sprintkameraad Sies Uilkema. „Met warme chocola en een kop snert. Dat gaat zeker mooi worden.”


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/13211009/130226SPO_2031569498_-jorrit1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/13085143/130226ECO_2031535517_3.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/13184917/130226SPO_2031585782_.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/11103636/100226ECO_2031450801_boekholt2.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/11131853/web-110226ECO_2031508057_.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/10163427/100226VER_2031483828_1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/11125655/110226SPO_2031512690_.jpg)
English (US) ·