Drie exposities in New York laten zien: de kunst houdt zich gedeisd en trekt zich veilig terug in haar eigen bubbel

6 uren geleden 1

Stiekem was het toch wel spannend om naar New York te gaan – nou ja, in ieder geval een beetje. Natuurlijk ben ik privilege op pootjes, zeker in zulke situaties – zelden heb ik iets te duchten, anders dan mensen van kleur of met een X in hun paspoort, die het voormalige Land of the Free steeds moeilijker in komen. Maar toch: enige onzekerheid. Stonden er inderdaad ICE-troepen bij de douane, zoals mensen in Nederland hadden gewaarschuwd? Wisten ze dat ik wel eens wat kritisch over Trump had geschreven – en maakte dat uit? Ondertussen knetterde de Iran-oorlog door, begon Trumps regering rechtszaken tegen immigranten om hun toegezegd staatsburgerschap te ontnemen, en bereikte de olieprijs door het afsluiten van de Straat van Hormuz een historisch hoogtepunt. Willekeur. Chaos. Veel gebroken beloften.

En ik? Ik ging naar New York voor de kunst. Deze zomer kent de stad namelijk een artistieke perfect storm die niet vaak voorkomt. Het Whitney Museum houdt zijn tweejaarlijkse Whitney Biennial, breed erkend als de belangrijkste tweejaarlijkse stand van zaken van de Amerikaanse kunst. Het New Museum, baken van hedendaagsheid, ging onlangs opnieuw open na een twee jaar durende verbouwing met de tentoonstelling New Humans: Memories of the Future. En in MoMA PS1, dat andere ijkpunt van vooruitstrevendheid, vindt deze zomer Greater New York plaats, de tentoonstelling die één keer in de vijf jaar een groot overzicht geeft van hoe de kunstscene in de stad ervoor staat. Over diezelfde scene was eerder in de lente een hoop rumoer ontstaan door een artikel van kunstenaar Josh Kline in het tijdschrift October, die maar liefst negentien pagina’s had uitgetrokken om uit te leggen dat het artistieke klimaat in New York volledig naar de knoppen is. Dat komt volgens Kline vooral door de hoge vastgoedprijzen, de voortdurend stijgende kosten van levensonderhoud, en de toenemende invloed van macht van geld in de stad. Die hebben er gezamenlijk toe geleid dat New York voor kunstenaars te duur is geworden, ook als ze succes hebben – laat staan dat er nog plek is voor jonge kunstenaars die moeten experimenteren, groeien, bloeien, falen. Geld gaat voor. Ook hier gluurt Trump weer om te hoek: door zijn beleid zijn de kosten van wonen in de stad nóg sneller gestegen. Tijden zijn echt veranderd.

Marian Goodman

Daarom was het eigenlijk wel toepasselijk dat ons bezoek begon met een herdenking. In het auditorium van het MoMA werd de legendarische galeriehouder Marian Goodman herinnerd, die overleed op 25 januari. Goodman was een uitzonderlijke vrouw: 1,52 meter lang, met de twinkelende blik van je favoriete tante die ineens van reggae blijkt te houden, was ze decennialang een van de meest bewonderde galeriehouders in de kunstwereld. Dat kwam vooral door haar eigenzinnigheid: eind jaren zeventig, toen niemand daar nog op zat te wachten, introduceerde ze Europese kunstenaars in Amerika (inclusief Gerhard Richter), en ze had een voorkeur voor kunstenaars bij wie menselijkheid voor succes leek te gaan – haar eerste expositie was van Marcel Broodthaers, en haar galerie vertegenwoordigt kunstenaars als Lawrence Weiner, Niele Toroni en Tino Sehgal. Goodman en haar galerie waren (en zijn) zo eigen dat je vergat dat ze ook nog eens goed wist te verkopen. In het MoMA sprak een keur aan kunstberoemdheden hun bewondering voor haar uit, variërend van de mensen die haar galerie hebben voortgezet tot kunstenaars als Julie Mehretu, Thomas Struth en Steve McQueen. Het was mooi, en respectvol, maar er hing ook een zweem van melancholie overheen: iedereen in de zaal besefte heel goed dat de tijden voor galeries, en de kunstwereld als geheel, echt zijn veranderd. Zie Josh Kline. En zie, enkele weken later, de aankondiging van Pace Gallery, ooit groot en pompeus, dat ze vijftig kunstenaars uit hun stal gingen schrappen en vijftig medewerkers gingen ontslaan omdat ‘het huidige kunstsysteem niet meer houdbaar is’. En vooral: hoe onvoorspelbaar maatschappelijke krachten zijn geworden – wat in het MoMA-auditorium werd gesymboliseerd door het onheilspellende gerommel van de New Yorkse metro, die in de diepte elke paar minuten langs raasde. Hallo, hier de buitenwereld. Ja, de dreiging is echt.

Maar hoe leef je in een crisis?

Het rare is: in New York op straat merk je eigenlijk niks. De stad is vol toeristen, restaurants puilen uit en daardoor kun je als buitenstaander zomaar denken dat er weinig aan de hand is. Dat maakte alleen maar nieuwsgieriger naar de drie grote tentoonstellingen: hoe gaat de kunst met alle spanningen om? Kun je als kunstenaar of curator nog kritisch op de wereld zijn als je leeft onder een regime waar de minste kritiek je meteen je subsidie kan kosten, of de steun van je favoriete verzamelaar, die toch Trump-stemmer of Netanyahu-aanhanger blijkt, of je netwerk – en dus je carrière? Ik dacht aan de Berlijn Biënnale van vorig jaar: daar was de angstvalligheid over alle actuele wereldproblemen zo groot, in het bijzonder Palestina, Israël en Oekraïne, dat de stilte af en toe ronduit pijnlijk was. Was dat in New York beter? Of is het gewoon te veel om dat van kunstenaars en curatoren te vragen?

Geen Palestijnse of Oekraïense vlaggen, geen directe verwijzingen naar de Iran-oorlog, naar discriminatie van trans mensen of naar de corruptie van het Trump-regime

Geen protest

Een ding wordt al snel duidelijk: geprotesteerd wordt er niet, noch op de Whitney Biennial, noch in het New Museum, noch in Greater New York. Geen Palestijnse of Oekraïense vlaggen, geen directe verwijzingen naar de oorlog in Iran, naar discriminatie van trans mensen of naar de corruptie van het Trump-regime. De woorden ‘Ukraine’ of ‘genocide’ zijn op geen enkel tekstbordje te vinden, ‘Trump’ valt in drie tentoonstellingen en vele honderden kunstwerken één keer – wat, komend uit Nederland, waar de Amerikaanse president vaker in de media is dan premier Jetten, bondscoach Ronald Koeman en André Hazes junior bij elkaar, toch merkwaardig is.

Bij het binnenlopen van de Whitney Biennial en Greater New York gebeurde eigenlijk precies hetzelfde. Eerst: veiligheid. Het geruststellende gevoel dat je een wereld binnen stapt die haar eigen wetten en regels heeft en zich niks aantrekt van de onrust en de chaos en oorlog buiten. Dan: een moment van onthechting – waar is… alles? Waar is de wereld? Kun je in deze tijden, in een kunstinstelling, een museum, de herrie van de wereld, Trump, al het rumoer echt buitensluiten? Kunst gaat toch óók over die wereld? Dan: kijken, lezen, en langzaam beseffen dat alle betekenis, alle lading net onder de oppervlakte zit – bij de een hoogstens wat dieper dan bij de ander. Neem het werk van Coumba Samba op Greater New York: saaier, ouderwetser lijkt het nauwelijks te kunnen: drie forse panelen, schuin tegen de muur, elk geschilderd in een andere kleur met een wit kader eromheen: rood, zwart, groen – jarenvijftigmodernisme misunderstood. Maar er is ook een vaag gevoel van herkenning, en dan besef je dat precies deze drie kleuren de basis vormen van verschillende nationale vlaggen die nu vaak in het nieuws opduiken – Koeweit, Afghanistan, Kenia, Palestina. Sterker nog: neem deze drie kleuren, verander hun volgorde en je hebt een heel ander land. Wat zegt dat over de onderlinge verbondenheid van deze landen? Waarom gebruiken westerse landen deze combinatie niet? Zou er een verband met kolonialisme zijn – of is dat toeval? Het is een rare gewaarwording om zo in PS1 heel lang naar drie panelen te staan staren – maar het werkt wél.

Coumba Samba., ‘Panelen (rood) (zwart) (groen)’, 2025. Te zien in de tentoonstelling Greater New York, in MoMA PS1.

Foto Kris Graves

Zo gaat het door. Na een paar rondjes over de Whitney en Greater New York besef je dat kunstenaars en curatoren in Amerika in een onderduikmodus zijn geschoten om de kunst en zichzelf veilig te houden, onafhankelijk, en toch verbonden te blijven met de wereld. Zie het als een stelsel van concentrische cirkels. Aan de buitenkant zitten de abstracte of semi-abstracte werken, best veel, waar je op het eerste gezicht weinig kritisch of historisch aan afleest, maar die vaak afkomstig zijn van een niet-westerse kunstenaar met een andere geschiedenis en culturele achtergrond dan ‘we’ zijn gewend – Kimowan Metchewais bijvoorbeeld, of Agosto Machado, of Nickola Pottinger: de laatste bijvoorbeeld, geeft kwade geesten uit de Caribische cultuur een nieuwe lading door ze te vervaardigen uit papierpulp, gemaakt van oude boeken: wonderlijke, prachtige wezens, die tegelijk behoorlijk verontrustend zijn.

Ongegeneerd hedendaags

Dan zijn er de werken waarbij je ziet dat ze commentaar leveren op de wereld, maar die de ‘boodschap’ subtiel verpakken. Neem het werk van de Japans-Amerikaanse schilder Akira Ikezoe: grote doeken die wel wat lijken op de emoji-pagina van je telefoon: lange blokken met honderden icoontjes, klein, maar liefdevol perfect geschilderd, waardoor Ikezoe je uitdaagt je eigen patronen en voorkeuren in een ongrijpbare wereld te zoeken. Of een van mijn favorieten: de pas 29-jarige Taína Cruz, wier schilderijen zowel in het Whitney als in PS1 hangen. Cruz is ongegeneerd hedendaags: in haar portretten combineert ze scifi cultuur met historische verwijzingen, black pride, TikTok-esthetiek en een soort ongemak dat we kennen uit films als Get Out en Sinners. Dat levert een schilderij op als Continuing Anyway (2026 – alleszeggende titel, trouwens): in al z’n ongemak en dubbelzinnigheid een van de meest knerpende werken die ik hier heb gezien.

Dan zijn er de werken waarbij je ziet dat de kunstenaars commentaar leveren op de wereld, maar die de ‘boodschap’ subtiel verpakken

Dan is er nog een kleine cirkel met werken waar de kritiek bijna (maar niet helemaal) aan de oppervlakte ligt: de installatie van Basel Abbas en Ruanne Abou-Rahme bijvoorbeeld – het enige werk in de tentoonstellingen dat, zij het enigszins geësthetiseerd, direct gaat over de Palestijnen, hun dromen, hun verwachtingen. Of het werk van Precious Okoyomon, die in het Whitney tientallen knuffelpoppen aan muur en plafond heeft gehangen. Vertederend, even, tot je ziet dat ze soms héél curieus zijn gecombineerd: een roze knuffelkonijn bijvoorbeeld, met een zwart gezicht en blauwe ogen – het klinkt simpel, maar Okoyomon laadt en combineert ze precies goed, waardoor de poppen, wéér, doen denken aan een horrorfilm. Hoe duidelijk ook, directer, maatschappelijker wordt het niet, wat het gevoel versterkt dat de kunst in New York op dit moment niet slecht is, maar zich ook veilig in haar bubbel heeft teruggetrokken. Is het zelfbehoud?

Nickola Pottinger. ‘Genkle Jesus meek and mild II’. 2026. Te zien in de tentoonstelling Greater New York, in MoMA PS1.

Foto Kris Graves

Al die mensbeelden

Okoyomons installatie had trouwens ook heel goed in het New Museum kunnen hangen. De tentoonstelling hier, New Humans, is verreweg het beste wat er nu in New York is te zien, vooral omdat de samenstellers nadrukkelijk een stap achteruit doen, en niet alleen vanuit de actualiteit naar de wereld kijken, maar met meer afstand, en verdieping. Het idee is helder: een overzicht, met ruim tweehonderd (!) kunstenaars, van de manier waarop de mens de afgelopen honderd jaar naar zichzelf heeft gekeken – als visionair, als vrouw, als robot, als sjamaan, als wandelende piemel, als stadsbewoner, als buitenaards wezen. Dat werkt fantastisch, door de afstand en de reikwijdte van het geheel, en doordat de kunstenaars komen uit alle tijden en continenten, variërend van Portia Zvavahera, Francis Bacon, Miriam Cahn, Pierre Huyghe tot Ibrahim El-Salahi. De tentoonstelling laat zo zien hoe het menselijke zelfbeeld voortdurend verandert, hoeveel hoop en verwachting we op onszelf projecteren, maar ook dat goede kunst die verwachtingen juist overstijgt en ontregelt – het maakt New Humans enorm rijk, vooral doordat al die mensbeelden je op verschillende manieren raken, duwen, aan het denken zetten. Maar ook, en dat is misschien wel het belangrijkste: ze relativeren het heden. En geven zo hoop.

Eenmaal buiten het New Museum, op Bowery, zat het terras vol, en besefte ik dat ik door de tentoonstelling weer even met een andere blik naar mensen was gaan kijken – al die individuen, al die menselijk samengebalde ideeën, fantasieën, dromen, emoties. Toen begon ook onder Bowery de metro te rommelen – veilig zijn we nog niet.

Lees ook

Amerikaanse kunstenaar Carrie Mae Weems in Rijksmuseum: ‘Trump wil ons het zwijgen opleggen, maar ik krijg er juist veel energie van’

Lees het hele artikel