Twee sigaretten had Gerri Eickhof mee op de dag dat hij zijn toegangspasje en auto van de zaak moest inleveren bij de NOS. Gelegenheidssigaretjes, om op te roken tijdens de wandeling van NOS-gebouw naar station.
Negenendertig jaar had hij voor het Journaal gewerkt, het grootste deel als verslaggever, misschien wel de bekendste van het land.
Maar na de wandeling, het roken, het treinritje naar huis, de conductrice die zijn kaartje niet hoefde te zien omdat ze hem herkende van tv – hij stopt met vertellen en neemt een slok koffie, we zitten aan zijn keukentafel, ruim een jaar later, centrum van Amsterdam, bloedhete dag in juni – „ja, daarna was het klaar”.
Of, nou ja, écht klaar was het een paar weken later, na zijn afscheidsfeest, toen hij zag dat hij uit de appgroep van NOS-verslaggevers was verwijderd.
Hoe is het om pensionado te zijn?
„Goh, het moest, hè. Ik had nog wel twee jaar door willen werken, misschien één dag in de week minder. Maar bij de NOS, ik geloof bij de hele publieke omroep, mag dat niet. Werken voor tv…” Hij valt even stil. „Leuker werk is voor mij ongeveer net zo onvoorstelbaar als de uitvinding van het medium zelf.”
Er blijkt ook leven na de NOS. Eickhof deed een seizoen lang mee aan het tv-programma Even tot hier, sprak de stem in van een eland die nieuwslezer is in animatiefilm Zootropolis 2, schreef een tijdje een column voor het ledenblad van Omroep Max, werkt aan zijn memoires.
En hij maakte de documentaireserie Ongelijke Behandeling voor Omroep Zwart, sinds deze week te zien bij de NPO. In drie afleveringen legt Eickhof bloot hoe de zorg die je in Nederland krijgt afhangt van inkomen, gender en culturele achtergrond.
Heb je er na zoveel NOS-jaren over na moeten denken of je iets voor Omroep Zwart wilde maken?
„Heel even, omdat die omroep activistisch is opgezet. Maar het ís geen activistische omroep, ze zijn zich aan het verbreden. Deze documentaire is misschien wel woke, maar niet überwoke, en zeker niet activistisch. Dat is maar goed ook, want ik ben wel woke, maar niet überwoke, en zéker niet activistisch.”
Waarom zou een documentaire over ongelijkheid in de zorg woke zijn?
„Aandacht voor mensen in zwakkere posities, dat is toch tegenwoordig al tamelijk woke. Misschien kijk ik te veel op sociale media.”
Zou het erg zijn om iets te maken voor een activistische omroep?
„Het is niets voor mij. Ik ben van het midden. Dat komt omdat ik, laat ik het zo zeggen, van twee kleuren ben. En ik heb een niet-riante sociaaleconomische afkomst en leef nu in betrekkelijke welstand, ook wat dat betreft heb ik een blik naar twee kanten.”
Ziet de buitenwereld je ook als van twéé kleuren? Of ben je daar vooral een zwarte man?
„Ik ben in mijn leven meer dan veertig keer zonder concrete aanleiding staande gehouden. Dan weet je vrijwel zeker: dat is omdat ik van kleur ben.”
Eickhof noemt het ene na het andere voorbeeld; vliegvelden waar hij uit de rij wordt geplukt, stoptekens van de politie terwijl hij keurig rijdt. Hij vertelt dat hij jarenlang uit voorzorg zijn paspoort op zak had, „omdat ik wist dat het dan dikwijls sneller ging. En ook om als het ware te laten zien: hé, zakkenwasser, hier had je niet op gerekend, hè. Zoiets.”
Hij vertelt dat hij er ontzettend boos over kan worden, maar dat niet altijd laat zien, omdat het averechts kan werken. Over zijn stille protest, door agenten „op geen enkele wijze” tegemoet te komen. „Dan doe ik niet vanzelf het autoraampje naar beneden, om maar wat te noemen.” Dat het vooral gebeurt als hij alleen is. Dat het, naarmate hij bekender werd, minder vaak voorkwam. Hij vertelt over een controle in Amsterdam, waar een politieteamleider intervenieert en tegen Eickhof zegt: „U mag gaan hoor, u moet maar denken: zij doen dit nog niet zo lang”.
Wat denk jij op zo’n moment?
„Fuck you, dat denk ik dan. Het zijn vervelende dingen. Ik heb geleerd om het sneller achter me te laten, dat gaat steeds makkelijker.”
Ik zou denken dat herhaling de frustratie juist versterkt.
„In zekere zin wel, want er zit dus geen vooruitgang in. Maar ik denk ook: wat zielig.”
Voor wie?
„Voor zo’n agent.”
Hoezo voor die agént?
„Dat die zo bekrompen en bevooroordeeld is in zijn denken, kennelijk. Maar goed, dus…” Hij kijkt weg.
Vind je het moeilijk om het hier over te hebben?
„Ik vind het moeilijk dat het hier altijd over gaat.”
Daar kan ik me iets bij voorstellen.
„Soms is het gewoon vervelend voor de mensen om je heen, die niet goed weten hoe ze ermee om moeten gaan. Dan kom je er zelf tamelijk alleen voor te staan.”


Hij vertelt over een heidag met de binnenlandredactie van de NOS, een paar jaar geleden. Dat ze in een gesprek over racisme en discriminatie de vraag kregen om op te staan als ze eens waren staande gehouden. „Er gingen er een stuk of dertig, veertig staan.” Als ze méér dan eens waren staande gehouden. „Toen stonden er nog zeven, denk ik.” Als ze meer dan twéé keer waren staande gehouden. „Toen stonden er nog twee: mijn collega met een Turkse migratieachtergrond en ik. En dat was het. Een half uur later was het koffiepauze, geen méns is komen vragen: hoe vaak dan, hoe zit dat dan? Dat had ik wel zo aardig gevonden.”
Toen Eickhof voor de documentaire werd gevraagd, was het oorspronkelijke idee dat hij alleen maar zou presenteren. Maar tijdens het maken bleek zijn eigen leven behoorlijk wat raakvlakken te hebben met het onderwerp. Zijn ervaringen werden erin vervlochten.
Je werd twee maanden te vroeg geboren. Nog voordat de huisarts werd gebeld, werd je snel gedoopt. Dan zou je niet in de hel komen, mocht het mis gaan.
„Ja, daar geloofden mijn opa, oma en moeder heel erg in. Dat je wordt geboren met de zondvlek, de doop wast die af.”
De huisarts werd ook niet meteen gebeld omdat jullie geen ‘dokterlopers’ waren.
„Zo noemde mijn moeder dat. De huisarts was iemand uit een andere klasse. Die had gestudeerd, daar zat een koppie op, zoals zij dat zei. Die was druk en moest je niet lastigvallen.”
Een nieuwe huisarts, met een Chinese achtergrond, nam de drempel weg. Hij was vriendelijk, toegankelijk en – zegt Eickhof terwijl hij zijn hoofd buigt – „klein van stuk”. Ze hoefden niet meer op te kijken.
In Ongelijke Behandeling schuift de ene na de andere onderzoeker aan bij Eickhof. Opgeteld geven hun droge feiten een vrij ontluisterend beeld: over vooringenomenheid bij artsen, over het verband tussen sterftecijfers bij baby’s en armoede, over verschil in behandeling van zwangere vrouwen, afhankelijk van of ze wit of zwart zijn.
„Wat mij ook heel erg verbaasde, was hoe groot het verschil tussen het mannen- en vrouwenlichaam is”, zegt Eickhof.
Een cardiologe vertelt je dat ze nog steeds geneeskundestudenten spreekt die daar niet in geloven.
„Je moet maar hopen dat die ergens vóór hun examens al struikelen. De ontmoeting met haar, Janneke Wittekoek, was bijzonder. Dat was de vrouw die mij in november 2004 vertelde dat mijn moeder stervende was. Mijn moeder lag in het ziekenhuis, ze was nogal ziek. Ik ging elke dag op bezoek, na het werk. En daar stond Wittekoek te wachten. Ze vertelde dat het mis was, dat ze over zouden gaan naar palliatieve zorg. Toen ik haar bij de opnames weer zag, vertelde ze dat het de eerste keer was geweest dat ze aan een naaste van een patiënt had moeten vertellen dat er niet veel tijd meer was. Mijn moeder is overleden aan leverkanker. Het was vrij plotseling opgetreden. Ze dronk weleens een borreltje, maar het was ook niet weer zo dat je zou denken: wat een zuipschuit.”
Hij zwijgt, staat op. „Ik neem even koffie.” Terwijl het apparaat pruttelt: „Enfin.”
Heb jij inmiddels een kunstgebit?
„Nee. Eergisteren was ik nog bij de tandarts. Alles was helemaal goed.”
Dat is je eigen verdienste.
Lachend: „Ja, dat vind ik eigenlijk ook wel.”
Eickhof poetste voor het eerst zijn tanden nadat hij het klasgenoten had zien doen tijdens kamp, in de brugklas. Thuis had hij het niet meegekregen, zijn moeder poetste alleen vlak voor ze naar de kerk ging. In zijn omgeving stond de tandarts gelijk aan pijn, en dus angst.
Het ideaal, zegt Eickhof, was dat je wachtte tot je tanden één voor één vergingen en daarna een kunstgebit kreeg. „Dan was je overal vanaf: tandartsbezoekjes, pijn, kosten. Er waren jongens en meisjes bij mij in de buurt die aan een kunstgebit gingen als ze twintig waren. En als dat eenmaal aangemeten was, gaven ze een feestje.”
Werkte jij daar ook naartoe?
„Toen ik begon met poetsen was er al schade. Met het geld dat ik verdiende bij mijn allereerste bijbaan ben ik naar een particuliere tandarts gegaan. Die heeft de boel opgeknapt.”
Gerri Eickhof groeide op in Amsterdam, in de wijk Tuindorp Oostzaan, hij woonde met zijn moeder bij zijn opa en oma. Een streng katholiek gezin. Niet arm, wel in armoedige omstandigheden vanwege het conservatisme van zijn oma. Geen koelkast, omdat zij dat niet nodig vond. Om de beurt wassen in hetzelfde badwater. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Dat was, zegt Eickhof al jaren in interviews, „hoogstwaarschijnlijk” iemand uit Suriname.
Ik ben altijd alert. Omdat de eerste beste boerenlul nog steeds tegen je kan zeggen: ga terug naar je eigen land
In de eerste aflevering van Ongelijke Behandeling rijdt Eickhof door zijn oude buurt, waar hij een afschuwelijke hekel aan heeft. Hij was het enige zwarte jongetje, werd om die reden uitgescholden. „Dat neem je heel je leven mee”, vertelt hij tijdens het autoritje. En ook dat hij er nooit meer komt, behalve op dagen dat hij zich „depressief en down” voelt.
Wanneer is dat?
„Het kan me overvallen, misschien is het wel een ziekte. Dan word ik wakker en dan denk ik: er is niets in mijn hoofd dan leegte. Een heel diep, wezenlijk gevoel. Ik heb het nooit laten onderzoeken. Dan eet ik drie keer en dan ga ik naar bed in de hoop dat het de volgende dag over is. Dat is dan ook altijd zo. Het is al een hele tijd niet meer gebeurd.”
Waarom wil je dan naar je oude buurt?
„Om mezelf te vertellen: kijk eens, hier ben ik in ieder geval weg. Het is toch wel goed met mij gegaan. Dat is dan toch prettig.”
Ben je de kleine Gerri Eickhof uit die tijd helemaal ontgroeid?
„Nee. Diep van binnen ben ik nog altijd bang voor armoede. Ik geef makkelijk geld uit, maar ik ben me er altijd van bewust dat het makkelijk ís. Ik weet een maand later nog wat ik gekocht heb. Ik ben ook altijd alert. Omdat de eerste beste boerenlul nog steeds tegen je kan zeggen: ga terug naar je eigen land.”
Gebeurt dat?
„Ja, tijdens het werken. Ging ik voxpoppen, stond ik op mijn dooie gemak in een winkelstraat, kwam er een of andere imbeciel langs die dat riep. Ik heb weleens teruggezegd: ik betaal de belasting waar jij je uitkering van krijgt.”
Je was het enige zwarte kindje en dat werd je duidelijk gemaakt. Heb je er bewijsdrang aan overgehouden?
„Vooral op het werk. Pas toen ik mijn eerste oorlogsreportage had gemaakt, over de Joegoslavische burgeroorlog, dacht ik: nu weten ze het wel. Ik voelde daar zo’n bewondering en tevredenheid over van allerlei kanten.”
Voelde dat bevrijdend?
„Nu ik daaraan terugdenk: het gaf een soort ontspanning. Alsof je in druk verkeer hebt gereden” – hij gaat naar voren zitten, spant zijn schouders aan, doet alsof hij een stuur vast heeft – „en dan op het punt komt dat je denkt: ik kan weer tegen de rugleuning.” Hij ontspant, schouders zakken weer naar beneden.
In de documentaire hoor ik je voor het eerst zeggen dat je vader Surinaams is, zónder dat woordje ‘waarschijnlijk’.
Eickhof knikt, maar blijft stil.
Wil je erover vertellen?
„Ik weet wie hij was.” Hij valt weer even stil. „Bij leven van mijn moeder heb ik het nooit heel precies willen uitzoeken. Toen ze overleed, dacht ik: god, nou ja, ik kan eens een poging doen. Ik heb her en der bij Surinaamse mensen die ik kende rondgevraagd. Die zijn ook weer rond gaan vragen, enzovoort.”
Eickhof dacht jaren geleden al familie van zijn vader te hebben gevonden, maar na een dna-test bleek dat toch niet zo te zijn. Hij besloot zich er aanvankelijk bij neer te leggen, niet meer op zoek te gaan.
Met je moeder heb je nooit echt over je vader kunnen praten.
„Ze hebben een goede twee jaar een relatie gehad. Hij heeft er een punt achter gezet toen zij zwanger was, daar was mijn moeder tamelijk bitter over. Voor mijn studie antropologie ben ik veldwerk in Groot-Brittannië gaan doen. Toen heb ik tegen haar gezegd: ik ga mensen het hemd van het lijf vragen over hun levensgeschiedenis, maar ik weet zelf niks. Ze heeft zijn naam genoemd. Eerlijk gezegd was dat zo’n verschrikkelijke doorsnee naam dat ik het niet geloofde. Later bleek het toch te kloppen. Ze vertelde me ook dat hij klein van stuk was, dat hij had gewerkt als grondpersoneel op Schiphol en van sieraden hield.”
Op aanraden van een vriend die stamboomonderzoek doet, waagde Eickhof een paar jaar geleden een nieuwe poging. Hij stuurde dna, wangslijm, op naar de databank van MyHeritage. Af en toe, zegt hij, kreeg hij een berichtje over een mogelijke verwantschap. Maar het percentage lag steeds zo laag, dat hij dacht dat het betekenisloos was. Hij sloeg er geen acht op.
„Tijdens een etentje vroeg die vriend of ik al iets had gehoord. Nou, moet je eens kijken, zei ik, dit stelt toch niet zoveel voor. Hij vroeg of ik het boekje over stambomen dat hij me had gegeven nog niet had gelezen.”
Dat had je niet gedaan.
„Als ik degene bovenaan het lijstje zou bellen, zou ik er misschien achter kunnen komen. Daar heb ik toen een paar weken over nagedacht, of ik het wílde weten. Omdat het die zielenrust die ik gevonden had, toen ik dacht ‘laat maar zitten’, zou kunnen doorbreken. Uiteindelijk heb ik het toch gedaan omdat ik dacht, nou ja, het is misschien het ontbrekende puzzelstuk. Ik stuurde een bericht, binnen een half uur had die persoon teruggeschreven. Dat mijn vader de broer was van haar vader.”
Eickhof hoorde dat de man die zijn vader zou kunnen zijn overleden was. Van een mogelijke oom kreeg hij uiteindelijk het telefoonnummer van de man die zijn halfbroer zou kunnen zijn.
„Ik heb hem ontmoet, vier jaar geleden. Hij bleek helemaal niet ver weg te wonen. We hebben een dna-test laten doen, om te onderzoeken of we halfbroers zijn. Er kwam een percentage uit van 96 procent. Daar zeiden ze bij dat ze nooit zeggen dat het honderd procent is, vanwege juridische redenen.”
Lijkt hij op je?
„Uiterlijk niet, vind ik. Ik herken mezelf wel een beetje qua levensbeschouwing. We denken ongeveer hetzelfde over wat goed en kwaad is.”
Dan ben je in de zestig en heb je ineens een halfbroer. Hoe is dat?
„Bijzonder, ik vind het vooral heel leuk. Weet je, het is te laat in mijn leven gebeurd om er nog grote invloed op te hebben. Voor hem was mijn bestaan ook een verrassing. We spreken regelmatig af. Dan gaan we tafeltennissen, wat drinken of eten. Het is een heel aardige vent, hij is zes jaar jonger.”
Is hij wel door je vader opgevoed?
„Nee, maar hij had met enige regelmaat contact. Hij weet meer over hem, maar daar wil ik niet over vertellen. Hij heeft me foto’s laten zien. Het is heel plat, maar bij de eerste foto dacht ik: goh, dat is hem dus. Ik heb ook nog wat foto’s van hem op jonge leeftijd gezien. Nou, het was in elk geval geen lelijkerd.”
Lijk je op je vader?
„Ik zie dat zelf niet zo, er zijn anderen die vinden van wel. Kijk, er zit… er heeft bij mij wel altijd een soort van boosheid gezeten, omdat hij mijn moeder toch lelijk in de steek heeft gelaten. Dus bij de allereerste foto die ik zag, dacht ik misschien heel in de verte óók wel: dit is ’m, de rotzak.”
Denk je dat nog steeds?
„Nee, het is gewoon de tijd. Het is allemaal veel te lang geleden. Als dit was gebeurd op mijn twintigste of zo, dan was het veel heftiger geweest.”


:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/taxonomy/a4a2c4d-IHM_itemafbeelding.png)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/02153157/030726ECO_2034305085_WEB_ILLU_Geboren-consument1_Tomas-Schats.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/03172458/web-030726BIN_2034951268_quint.jpg)
English (US) ·