Googles honderdjarige lening is een ode aan de toekomst, én een waarschuwing ervoor

3 uren geleden 1

Daimler en Benz fuseerden in 1926 tot Mercedes-Benz, dat een van de grootste automobielconcerns ter wereld zou worden. De Amerikaan Alan Greenspan, een van de bekendste centrale bankiers in de geschiedenis, werd dat jaar geboren – en viert over een maand zijn honderdste verjaardag. De Duitse Weimarrepubliek kwam destijds zieltogend bij de van de hyperinflatie. En in de Verenigde Staten genoot de rijke bovenlaag in 1926 van de Roaring Twenties, in zalige onwetendheid over de beurskrach en de Grote Depressie die spoedig zouden volgen.

Een eeuw in de wereldeconomie is lang. Beroemde bedrijven gingen ter ziele. Rijke landen, zoals Argentinië, raakten aan de bedelstaf. Straatarme landen als China groeiden uit tot supermacht. En golf na golf kwamen nieuwe technologieën op: plastic, raketten, computers, atoomenergie en -wapens, televisie, internet en smartphones. Al zouden mensen van een eeuw terug teleurgesteld zijn als ze nu zouden zien dat we nog steeds werken, geen antizwaartekracht hebben uitgevonden en nog geen begin hebben gemaakt met de kolonisatie van het zonnestelsel – laat staan van wat daarbuiten is.

Bijna tienmaal overtekend

Kunnen beleggers een eeuw vooruitkijken? Waarschijnlijk niet, maar ze zijn er kennelijk wél toe bereid. Deze week lanceerde Alphabet, de moedermaatschappij van Google, een honderdjarige obligatielening, af te lossen in 2126. De lening, met een voorgenomen omvang van 1 miljard pond sterling en een jaarlijks rendement van 6,125 procent, werd bijna tienmaal overtekend: beleggers die zich aanmeldden, hadden samen wel 9,5 miljard willen uitlenen.

Dat is opmerkelijk. Want leeft Alphabet nog over honderd jaar? Is het pond sterling er dan nog? En bestaat het Verenigd Koninkrijk zélf nog wel? Die laatste twee vragen zijn minder relevant dan je denkt, want dat zal allemaal contractueel geregeld worden indien munt en land van vorm veranderen. Maar Alphabet zelf gaat er kennelijk óók vanuit dat het er dan nog is, en de lening te kunnen betalen wanneer die afloopt.

De honderdjarige obligatie van Alphabet maakt deel uit van een veel groter pakket van tientallen miljarden dollars aan leningen, dat deze week en eind vorig jaar aan beleggers werd verkocht. En dat terwijl het bedrijf goed bij kas zit: er staat voor 126 miljard dollar aan contanten op de balans. Maar zelfs Alphabet komt geld tekort om zijn ambities waar te maken. Dat heeft te maken met de enorme investeringen die techbedrijven doen in vooral datacentra (hyperscales). Die zijn nodig om mee te kunnen blijven doen in de race rondom kunstmatige intelligentie. Zakenbank Morgan Stanley verwacht dat Big Tech er dit jaar 620 miljard dollar voor vrijmaakt. En dat na de 470 miljard van 2025. Alphabet alleen al neemt van de investeringen in 2026 185 miljard voor zijn rekening. 

De financiering van al die AI-infrastructuur gaat met leningen (obligaties) en eigen vermogen (aandelen). Wie nog niet beursgenoteerd is, wil dat nu wel worden – al brengt dat een openbaarheid met zich mee waar veel bestuurders nog niet aan gewend zijn. OpenAI, bekend van ChatGPT, plant een beursgang in het laatste kwartaal van dit jaar, om zo kapitaal op te halen en zijn investeerders van het eerste uur te laten uitstappen. De schattingen van de beurswaarde lopen wild uiteen, van 500 miljard tot wel 1.000 miljard dollar. Anthropic, bekend van AI-modellenreeks Claude, wil eveneens naar de beurs. De geschatte waarde bedraagt zo’n 350 miljard – meer dan de helft van wat chipmachinemaker ASML waard is. 

Teken van hoogmoed

Langlopende leningen voeden een deel van de enorme financieringsbehoefte. Een looptijd van honderd jaar is zeldzaam. Maar leningen met looptijden van 30 of 40 jaar zijn geen uitzondering. Die uitschrijven vergt zelfvertrouwen – je bestaat tegen die tijd nog – maar kan evengoed gezien worden als teken van hoogmoed. De vorige golf van honderdjarige leningen stamt uit de tweede helft van de jaren negentig, toen op de beurzen de dotcom-boom vaart kreeg.

IBM bracht één ‘honderdjarige’ uit in 1996. En hoewel de computergigant het sindsdien iets beter deed dan de algemene S&P500-aandelenindex, verloor het concern 40 procent aan waarde ten opzichte van de Nasdaq-index. Daarin zijn de grote concurrerende techbedrijven opgenomen. 

Motorola, dat destijds onder meer de chips voor Apple-computers leverde, verging het nog slechter. Dat bedrijf bleef sinds de uitgifte van zijn honderdjarige lening in 1997 liefst 75 procent achter bij de Nasdaq. En het destijds machtige autoconcern Ford leverde sinds zijn honderdjarige lening, eveneens in 1997, maar liefst 90 procent in ten opzichte van de algemene beursindex. Het aandeel Ford is, met een koers van nog geen 14 dollar, nauwelijks meer waard dan toen.

Koersen BigTech nog steeds torenhoog

Zijn zeer langlopende leningen zo bezien een teken des tijds, een aanwijzing dat een hele sector op de top van zijn kunnen opereert? De aandelenkoersen van Big Tech zijn nog steeds torenhoog. De beurswaarde van Alphabet kwam vorige maand voor het eerst boven de grens van 4 biljoen (4.000 miljard) dollar. Chipontwerper Nvidia was in oktober vorig jaar zelfs even 5 biljoen waard.   

Of dat allemaal goed gaat, hangt af van de financiële robuustheid van de sector, en uiteraard van de vooruitzichten. Een gezonde winst maken de grote spelers allemaal. En ze hebben vrijwel allemaal een zeer hoge kredietbeoordeling: AA. Er zijn industrielanden, zoals Frankrijk, die het slechter doen. De Verenigde Staten verloren vorig jaar bij de drie belangrijkste kredietbeoordelaars (Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch) hun hoogste kredietstatus en staan nu nog maar één stapje hoger (AA+) dan Big Tech.

De effectieve rente die Big Tech over de leningen betaalt, komt dan ook dicht in de buurt van wat grote landen betalen. Alphabet is minder dan een procentpunt meer kwijt dan de VS zelf.

Kwetsbaarder voor tegenslagen

Dat spreekt tot de verbeelding. Maar beleggers zijn gewend aan zeer gezonde balansen bij deze bedrijven, met relatief weinig krediet tegenover het eigen vermogen. En dát verandert waarschijnlijk, nu ze veel lenen. Dramatisch wordt dat voorlopig niet: de hoeveelheid cash op de ene kant van balans is groter dan de langlopende kredieten aan de andere kant. Maar toch: krediet maakt kwetsbaarder voor tegenslagen. Dat geldt voor huishoudens, en evenzeer voor bedrijven. In de meedogenloze AI-race zullen ook uitvallers zijn.

Alles hangt nu af van de vraag of de mega-investeringen in AI, waar al dat geld voor wordt vrijgemaakt, rendabel worden. Zijn datacentra – en dan vooral de chips die erin worden gebruikt – niet al verouderd als ze zijn neergezet? Wordt de grootschaligheid ingehaald door veel kleinere en meer efficiënte alternatieven uit bijvoorbeeld China? Wordt de concurrentie dermate groot dat de winsten gaan tegenvallen?

Beleggers die zeer langlopende leningen kopen, doen dat in principe omdat zij ook zeer langlopende verplichtingen hebben die zij wat de looptijd betreft willen matchen. Denk aan pensioenfondsen of levensverzekeraars. Maar veel ervan zullen de obligaties ook kopen zonder daar op de lange termijn iets mee te willen. Ze zijn verhandelbaar, dus je zit niet voor eeuwig vast en kunt er zo weer uit.

Ultieme ironie

Als daadwerkelijk voor de lange termijn wordt belegd, zijn de AI-plannen van de bedrijven die nu zo veel geld lenen op te vatten als een investering in de kritieke infrastructuur van de toekomst. De torenhoge beurskoersen van de grote techconcerns zijn eigenlijk alleen te rechtvaardigen als er op termijn een oligopolie, een kleine groep oppermachtige bedrijven, overblijft die megawinsten maakt.

Die toekomst geldt evenzeer voor de zeer langlopende leningen. Daarbij openbaart zich overigens een ultieme ironie. Stel dat de AI-revolutie zó succesvol, doorslaggevend en revolutionair is dat zij de huidige investeringen, kredieten en aandelenemissies volledig rechtvaardigt. Bestaat over honderd jaar de wereld zelf dan nog wel? 

Lees het hele artikel