Het kabinet komt met officiële excuses aan afstandsmoeders en hun kinderen. Wat betekenen die? ‘Ik wil horen dat de overheid medeverantwoordelijk is geweest’

2 uren geleden 1

Donderdag 2 juli zal het kabinet in Den Haag officieel excuses aanbieden aan afstandsmoeders, afstandsvaders en afgestane kinderen voor de rol die de overheid heeft gespeeld bij binnenlandse afstand en adoptie. Hoe „onvoorstelbaar groot” de gevolgen waren voor de duizenden vrouwen en baby’s die tussen 1956 en 1984, vaak onder grote druk en onvrijwillig, van elkaar werden gescheiden, staat uitvoerig opgetekend in het onderzoek dat commissie-De Winter afgelopen zomer presenteerde.

Daaruit blijkt onder meer dat ongehuwd zwangeren, verwekkers en kinderen niet of nauwelijks een stem hadden bij de besluiten rond afstand en adoptie. „Er is grote schade aangericht door de beslissingen die over hen zijn genomen”, zei commissievoorzitter Micha de Winter in een interview met NRC. De commissie wil dat alle partijen die hier een aandeel in hadden – waaronder de overheid, kerken, en psychiaters – kritisch naar hun eigen geschiedenis kijken en daar consequenties uit trekken. De overheid is de eerste partij die daar nu gehoor aan geeft.

Ans de Bakker, die haar zoon moest afstaan, en Georgia Gradenwitz, als baby van haar moeder gescheiden, werkten mee aan het landelijk onderzoek en zijn donderdag in Den Haag als Claudia van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (D66), namens het kabinet excuses zal maken. Hoe beïnvloedde afstand en adoptie hun levens, en wat hopen zij dat deze dag zal brengen?


Ans de Bakker (82) leerde haar afgestane zoon pas kennen toen hij 55 was

Ans de Bakker beviel in 1967 van een zoon die ter adoptie werd weggegeven.

Foto Jagoda Lasota

„Op foto’s uit die tijd zien we er allebei gelukkig uit. Ik leerde hem kennen op een feestje in Nijmegen, waar we allebei studeerden. Ik was 23, allang het huis uit, en ik had al een opleiding tot verpleegkundige afgerond. We waren verliefd, gingen samen op vakantie, naar feestjes, en hij ontmoette mijn ouders. Maar alles veranderde toen ik na een jaar in verwachting raakte.

Het was 1966, als je ongehuwd zwanger raakte was dat een groot schandaal. Dus moesten we een oplossing verzinnen. Hij kwam met het idee om naar een ziekenhuis in Denemarken te gaan, want hij had gehoord dat abortus daar onder bepaalde voorwaarden was toegestaan. Ik stemde ermee in, en samen reisden we in zijn grijze Renaultje naar Kopenhagen. Zonder afspraak en achteraf totaal onbezonnen, stapten we het ziekenhuis binnen. We kregen een gesprek met een arts, maar al snel bleek dat ons plan onmogelijk was. Er kwam veel papierwerk bij kijken en we zouden een tijdje moeten blijven. Dat kon niet, want ik had maar vier dagen vrij genomen van mijn werk. 

De terugreis was verschrikkelijk. Hij sprak geen woord meer met me. Ik raakte daardoor zo in paniek dat ik uit de rijdende auto ben gesprongen. Bij mijn ouders kwam het nieuws hard aan. Gaan jullie trouwen, vroeg mijn moeder meteen. We konden de stoelen in de huiskamer krijgen, zei ze, dan hadden we alvast iets. Toen hij aangaf dat hij dat niet wilde, stortte mijn moeder in en is ze naar bed gegaan. Zijn ouders had ik nooit ontmoet, en toen we het hun vertelden, reageerde zijn vader kil: zijn zoon moest eerst zijn studie afmaken. Het was duidelijk dat ik van hen geen steun hoefde te verwachten.

In de maanden voor de bevalling woonde ik op verschillende adressen, want bij mijn ouders was ik niet langer welkom, en niemand mocht bovendien weten dat ik zwanger was. Eén keer nog heb ik hoogzwanger bij hem aangebeld. Dit was toch niet alleen mijn verantwoordelijkheid? Hoezo ging zijn leven door alsof er niks was gebeurd en werd ik als een soort paria behandeld? We hadden het toch fijn gehad samen? Maar toen hij me zag zei hij: ga weg, Ans, straks zien de buren je.

Ans de Bakker in haar twintiger jaren.

jagoda lasota

Via maatschappelijk werk werd geregeld dat ik de laatste weken van mijn zwangerschap terechtkon in Huize De Bocht, een tehuis voor ongehuwde moeders in Goirle. Daar zou ik bevallen en mijn kind afstaan, er stonden al lieve adoptieouders klaar, zo werd me verteld. Op 22 juni 1967 om half drie ’s nachts is mijn zoon geboren. Het enige wat ik me daarvan herinner is hoe een in het wit geklede non door de deur verdween met een bundeltje in haar armen. Ik voelde me intens alleen. Kennelijk heb ik nog gevraagd of ik hem mocht zien, maar dat is niet gebeurd – dat las ik onlangs in mijn dossier uit die tijd. Een vriendin zei dat ik haar destijds heb verteld dat ik een doek over mijn gezicht kreeg tijdens de bevalling. Ook dat herinner ik me niet meer, die nacht is één groot zwart gat.

Ik mocht tien dagen blijven om uit te rusten. Enkele vrienden die op bezoek kwamen, moesten huilen toen ze me daar zagen. Mijn ouders en familie kwamen niet, en de vader van mijn zoon liet zich ook niet zien. Wel stuurde hij me een plant. Die had ik het liefst door de kamer gegooid, maar ik heb hem uiteindelijk meegegeven aan de non. Eenmaal thuis vroeg niemand iets en er is nooit meer met een woord over gesproken.

In de jaren daarna trouwde ik, kreeg twee kinderen, en bouwde een leven op. Mijn man had ik voor ons huwelijk over het gebeurde verteld, en mijn kinderen later ook. Verder sprak ik er nooit over. In 1981 deed ik, via het Fiom – een organisatie voor hulp aan ongehuwde moeders – een poging om mijn zoon te vinden: hij was toen zeventien. Maar ik had geen recht op informatie, en liet het rusten.

Ans de Bakker

‘Ik hoop dat de excuses rust zullen brengen’

Foto Jagoda Lasota

Tot op 9 mei 2022 een brief op de mat viel: een familielid was op zoek naar mij. Wat een schok, natuurlijk wist ik meteen dat hij het was. Korte tijd later ontmoetten we elkaar. Mijn zoon kwam binnen met een prachtige bos bloemen, en zei: ik heb negen maanden in jouw buik gezeten, toen heb je me afgestaan, dat zou je nu nooit meer doen. Die opmerking kwam keihard binnen. Pas bij latere ontmoetingen kon ik hem uitleggen dat het nooit een vrije keuze was geweest. Wat een vreselijk gemis het is dat ik hem niet zag opgroeien. Zijn adoptieouders weten niets over ons contact. Ze zijn op hoge leeftijd en mijn zoon is bang dat ze dat nieuws niet zullen overleven. Mijn geheim is doorbroken, maar nu is het hun geheim geworden, dat vind ik heel erg.

Ik hoop dat de excuses me rust zullen brengen: de afgelopen vier jaar heb ik amper een nacht goed geslapen. Sinds mijn zoon weer in mijn leven is, ben ik veel bezig met wat er toen is gebeurd. Het ergste vind ik dat niemand destijds met me is gaan zitten om te onderzoeken hoe ik mijn kind had kunnen houden. In mijn dossier zie ik terug hoe er direct is toegewerkt naar adoptie. Uit nood heb ik ermee ingestemd. Dus ja, deze excuses zijn belangrijk. Ik wil de overheid horen zeggen dat zij medeverantwoordelijk is geweest.”


Georgia Gradenwitz (63) was zes maanden oud toen ze bij haar moeder, die op dat moment aan het werk was, werd weggehaald

„Ik dacht: mijn adoptieouders hebben een goede daad verricht door mij op te nemen in hun gezin.”

Foto Jagoda Lasota

„Op 5 september 1963 werd ik door de politie en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming weggehaald bij mijn vaste oppas. Mijn moeder was op dat moment aan het werk. Ik was zes maanden oud. Dit weet ik omdat ik het teruglas in mijn dossier, dat ik zes jaar geleden, na vele verzoeken, eindelijk mocht inzien. Daar zat ik dan in een kamertje bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) in Haarlem. Voor het eerst las ik over de eerste twee jaar van mijn leven, een periode waaraan ik zelf geen actieve herinneringen heb.

Mijn moeder was getrouwd, maar het was geen gelukkig huwelijk. Toen ze erachter kwam dat mijn vader een vriendin had die zwanger van hem was, vertrok ze. Haar twee oudste zoons van zeven en vijf liet ze tijdelijk bij haar eigen moeder achter. Ik vermoed dat het haar plan was om een eigen leven op te bouwen. Maar al gauw bemoeide de RvdK zich met de situatie, en oordeelde dat mijn moeder geen goede moeder kon zijn. Feitelijk onderbouwd wordt dat niet, maar in het dossier staan wel opmerkingen over dat ze gescheiden leefde van mijn vader, in een slechte buurt woonde, en labiel zou zijn. Tegelijkertijd noteerde een raadsmedewerker na een onaangekondigd bezoek dat mijn moeder een gezond, goed verzorgd kindje uit het wiegje haalde, dat ze leuk met me speelde, en dat er een moeder-kindband leek te zijn opgebouwd. Het advies was om ‘het een en ander nog even aan te kijken’. Drie weken later werd ik onaangekondigd weggehaald.

Diezelfde avond nog stond mijn moeder voor de deur van het tehuis in Utrecht waar ik was ondergebracht. Ze was behoorlijk tekeergegaan, schreef de directrice. Ook belde mijn moeder elke avond, totdat haar werd gezegd daarmee te stoppen, dan mocht ze mij een uur per week bezoeken. Een keer kwam ze een kwartier te laat, en werd ze direct weggestuurd. Uiteindelijk, na een paar weken waarin ze niet was geweest, schreef een medewerker: „Moeder lijkt niet meer geïnteresseerd. Vrijgeven voor adoptie.” Ik was tweeënhalf toen ik in een adoptiegezin terechtkwam.  

Georgia Gradenwitz

‘Ben ik wel geworden wie ik had moeten zijn?’

Foto Jagoda Lasota

Ik voelde me heel schuldig toen ik dit in 2020 allemaal las. Omdat ik terugdacht aan de eerste ontmoeting met mijn moeder in 1988 – ik was 25. Toen ze de voordeur opendeed keek ik in hetzelfde gezicht als het mijne, maar dan ouder. Zij schrok zo dat ze de deur dichtgooide. Even later mocht ik toch binnenkomen en vertelde ze me over wat haar was aangedaan, de woede spatte van haar gezicht. Ze was gek geworden toen ze me week na week bezocht, en erachter kwam hoe kansloos het was: ze zouden me niet teruggeven.

Hoe het al die jaren voor mij was geweest, vroeg ze niet. We ontmoetten elkaar nog een paar keer, maar een band opbouwen lukte niet. Beiden te beschadigd, te vol van ons eigen moeilijke leven. Ook vond ik haar verhaal over hoe ik was weggehaald moeilijk te begrijpen: je pakt een moeder toch niet zomaar haar baby af? Nu weet ik dat ze de waarheid sprak: ik heb zwart op wit hoe ze als alleenstaande moeder gediskwalificeerd werd en geen hulp kreeg.

Datzelfde geldt voor mijn vader, ook hij is buitenspel gezet door de RvdK, terwijl hij heel graag vader had willen zijn. Hij had geen schijn van kans, vertelde hij. De laatste elf jaar van zijn leven ontwikkelden we alsnog een hecht contact, dankzij hem heb ik mijn wortels leren kennen.

Georgia Gradenwitz: „De excuses gaan mijn leven niet veranderen, maar ik vind het belangrijk dat ze er komen.”

Foto jagoda lasota

De excuses gaan mijn leven niet veranderen, maar ik vind het belangrijk dat ze er komen. Wel hoop ik dat ze verdergaan dan alleen het erkennen van het leed. Ik had nooit weggehaald mogen worden bij mijn moeder, en daar is de overheid, waar de RvdK onder valt, verantwoordelijk voor geweest. Als dit in de juiste woorden wordt gezegd, kan het misschien nog enige heling brengen. Voor mijn ouders is het postuum een vorm van eerherstel.

Er is me vaak gezegd dat ik het zo had getroffen: ik was ‘gered’ en had lieve adoptieouders. Maar de vraag is: waar ben ik van gered? Mijn moeder kon wel voor me zorgen, maar ze mocht het niet. Ik ben weggehaald bij mijn familie, ik kreeg een nieuwe naam en identiteit, een andere familiecultuur. Stop er maar veel liefde in, dan komt het wel goed, zei de directrice van het kindertehuis tegen mijn adoptieouders. Maar een kind is geen ding. Adoptie is een voorwaardelijke situatie, ook als je adoptieouders zeggen dat ze onvoorwaardelijk van je houden. Dat kun je als kind vaak niet voelen, want er is al een keer afscheid van je genomen, door je moeder van wie je totaal afhankelijk was.

Ergens in mij sluimerde altijd de angst dat dat opnieuw kon gebeuren. Ik dacht: mijn adoptieouders hebben een goede daad verricht door mij op te nemen in hun gezin, ik moet het wel waard zijn. Dus speelde ik mijn rol: ik was vrolijk, kon mensen goed vermaken, en leek nergens last van te hebben. Maar het was niet mijn toneelstuk, en tot op de dag van vandaag vraag ik me af: ben ik wel geworden wie ik had moeten zijn?”

Lees ook

Afstandsmoeder Ellen Venhuizen vond haar afgenomen dochter terug: ‘Toen ik haar rook wist ik meteen: dit is helemaal mijn kind’

Ellen Venhuizen.
Lees het hele artikel