Ik staarde naar m’n telefoon, waar het inmiddels los ging

2 dagen geleden 3

Op de heetste dag posteerden Willem en ik ons aan een tafeltje op de achterste rij van het terras, onder de zwarte luifel, op de Grote Markt. We klapten onze laptops open, bestelden cola zero en ijsblokjes in een apart glas. Een bruidspaar liep aan het terras voorbij. Hij had een Jumbo-tas vast, zijn rug was nat. Haar make-up parelde in bruine druppels op haar voorhoofd, haar krullen zakten slap langs haar schouders omlaag. De strapless witte jurk trok als een dwangbuis om haar romp, maar toch, ze waren getrouwd. Hij hield in het voorbijgaan haar hand even omhoog voor de mensen, er werd geklapt, ze glimlachte naar hem.

De middag zette in, om ons heen werd steeds meer bier gedronken. Mijn gekruiste benen glibberden steeds van elkaar af, wel lekker eigenlijk. We klapten onze laptops dicht, het zou niet gaan vandaag.

Toen belde een vriendin. Ze vroeg me of ik ‘de reactie van de Dolle Mina’s’ al had gelezen. Dat had ik niet.

Ze bleken een statement te hebben uitgevaardigd vanwege mijn vorige column, over Thijs Römer en zijn voorstelling. Daarin verweet ik de Dolle Mina’s kort gezegd de ondermijning van de vrijheid van de kunsten, door middel van online hetzerij. Want niet de inhoud van de voorstelling werd door hen bekritiseerd, maar het feit dat Römer het überhaupt waagde op een podium te staan.

„Die malle Mina’s schrijven trouwens in hun eerste zin ‘een betoog DIE’”, mopperde de vriendin aan de lijn.

„Het is vooral”, begon ik. „Het is vooral.” Wat ik wilde zeggen sijpelde uit me weg. Ik legde mijn hand in Willems nek en kneep zachtjes. Hadden ze me wel begrepen? „Oh ja”, zei ik. „Ze doen alsof ik sympathie voor Thijs Römer heb, terwijl ik alleen het theater wil beschermen. Eerder ondanks hem.”

Ik staarde naar m’n telefoon, waar het inmiddels los ging. „Get with the program, sis”, schreef een megawitte vrouw. „Ze zouden jouw dochter eens moeten verkrachten”, kreeg ik in mijn DM.

„Fakking Thijs Römer”, mompelde ik.

Ik dacht aan de appgroep waarin de Mina’s, met ongetwijfeld veel gedoe, dit epistel collectief hadden samengesteld

Op het plein klom een groepje jongens zonder shirt in de Zonnevechter, een grote bronzen vorm waarin een vechtende man te herkennen valt, of in ieder geval iets, een klauw, een zeis, omhoogreikend.

Eentje wriemelde zich er doorheen, een spekkig, roze lijf, glad als een aal, hing even aan de rand, en liet zich daarna met een plof vallen. Hij bleef even liggen. Zijn vrienden joelden.

Ik had opeens ook zin om met mijn blote rug op hete stenen te branden tot ik alleen nog maar sterretjes zou zien.

„Ik dacht altijd, wat goed dat ze er zijn. Die Mina’s. Zo’n brede organisatie en ook nog minder elitair dan wat we normaliter aan feministen voorgeschoteld krijgen”, zei ik.

„Is natuurlijk ook super”, zei Willem.

Ik griste het laatste ijsblokje uit het glas en kauwde erop tot het pijn deed. Ik dacht aan de appgroep waarin de Mina’s, met ongetwijfeld veel gedoe, dit epistel collectief hadden samengesteld.

„Ik weet niet of ze het zelf doorhebben”, zei de vriendin. „Maar er staat hier nog steeds dat de vrijheid van de kunsten wat de Mina’s betreft niet voor iedereen geldt.”

„Vinden jullie het ook een beetje eng, zo’n georganiseerd statement tegen één onwelgevallige vrouw?”, vroeg ik Willem en de vriendin.

„Doodeng. Maar volksbewegingen willen uiteindelijk altijd een groot en wreed gelijk”, besloot de vriendin. „En daarvoor hebben ze opponenten nodig.”

Het bruidspaar sjokte weer langs, dit keer in de schaduw van de huizen. Het groepje jongens joelde desondanks.

En de zonnevechter blikkerde, blikkerde in het helle, witte licht.

De column van Sarah Sluimer is in september weer terug.

Lees het hele artikel