In het onderwijs leeft nog steeds de vraag waarom de scholen in coronatijd zo lang gesloten moesten blijven

2 uren geleden 1

Voor basisschooldirecteur Eva Naaijkens was de coronaperiode „de heftigste periode” uit haar loopbaan. Scholen moesten meerdere keren langdurig dicht. Ook als ze open waren, was het onderwijs beperkt. Volgens de directeur van de Alan Turingschool in Amsterdam hingen de besluiten van het kabinet vaak „lang in de lucht”, waardoor scholen op het laatste moment moesten improviseren. „Elke keer probeerde ik te anticiperen.” Maar toen op een gegeven moment negen leraren tegelijk ziek waren, dacht ze: „Ik ben gewoon uitgeorganiseerd.”

De parlementaire enquêtecommissie Corona blikt de komende dagen in de openbare verhoren terug op de sluiting van het onderwijs. In die weken waren kinderen aangewezen op online lessen en huiswerkopdrachten. Daardoor ontstonden aanzienlijke leerachterstanden en werden de verschillen tussen leerlingen groter, omdat niet iedereen thuis een computer had, een rustige plek om te leren of ouders die konden helpen.

Wat er ook gebeurt, de scholen moeten altijd open blijven. Dat is de les die we wel geleerd hebben

Studenten moesten nog langer thuisblijven. Ze kregen het grootste deel van de pandemie online colleges. Dat leidde tot eenzaamheid, gebrek aan motivatie en soms ernstige psychische klachten.

NRC sprak met leraren, schooldirecteuren, onderwijsdeskundigen, studentenorganisaties en belangenverenigingen over de schoolsluitingen. Wat hopen en verwachten ze van de verhoren van de enquêtecommissie? Welke vragen hebben ze over de kabinetsbesluiten? En welke boodschap zouden zijzelf willen meegeven aan de enquêtecommissie?

Lees ook

Wat zijn vijf jaar na corona de brokstukken van de ‘stille ramp’ voor jongeren?

NRC sprak in 2020 met Lisa Kruger, Hanwe Chang en Anne-Ruth Barth. Vijf jaar later vroegen we ze opnieuw hoe het met ze gaat.

Heel veel paniek

De vraag die terugkeert, is hoe de besluitvorming over de sluitingen is verlopen en of de belangen van kinderen en jongeren werden meegewogen. Dat het kabinet in de eerste fase van de pandemie, in maart 2020, besloot dat het onderwijs dicht moest, vinden sommigen nog wel te begrijpen. „Er moest heel snel gehandeld worden en veel is op gevoel besloten, zonder dat men wist wat voor mogelijke impact dat zou hebben”, zegt Jan Paul Beekman, destijds rector van het Spinoza Lyceum in Amsterdam. Hij hoopt dat de enquête in elk geval duidelijk maakt „dat wat er ook gebeurt, de scholen altijd open moeten blijven. Dat is de les die we wel geleerd hebben, denk ik”.

Ook Lobke Vlaming, directeur van Ouders & Onderwijs, dat de belangen behartigt van ouders met kinderen in het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs, denkt dat het onderwijs werd gesloten met de beste bedoelingen. „Er was in die eerste fase heel veel paniek”, zegt ze. „In die paniek is dat besluit genomen, terwijl, als naar de wetenschap en het RIVM was geluisterd, dan was het misschien niet nodig geweest. Ik denk niet dat je moet zeggen: dit is fout geweest.” Vlaming vindt het nuttiger om lering te trekken. „Hoe doen we dat een volgende keer?”

Anderen oordelen harder. Karin den Heijer, wiskundedocent op het Erasmiaans Gymnasium en de Hogeschool Rotterdam, liet zich al vroeg in de coronacrisis kritisch uit over de sluitingen. Die waren volgens haar niet rationeel onderbouwd. „Terwijl het RIVM en het Outbreak Management Team (OMT) hadden geadviseerd om de scholen open te houden, gingen ze toch dicht”, zegt ze. Den Heijer richtte haar kritiek niet alleen op het kabinet, dat dit besloot, maar ook op de rol van lerarenvakbonden en schoolleiders. „Die oefenden druk uit op het kabinet”, zegt ze. Den Heijer waarschuwde dat kinderen de prijs zouden betalen.

Ook later in de coronacrisis werden volgens haar beslissingen genomen die niet waren gebaseerd op wetenschappelijke kennis. Ze hoopt dat de enquêtecommissie dit blootlegt. „Zelfs toen al duidelijk was dat leerlingen geen besmettingsgevaar vormden, moesten de scholen dicht blijven. En toen ze weer opengingen, moest iedereen in school anderhalve meter afstand houden. Dat was onwerkbaar.”

Destijds nam Den Heijer zelf contact op met het RIVM om te vragen waarom dit nodig was, want het virus leek zich op scholen niet grootschalig te verspreiden. Daar hoorde ze dat het advies kwam van het OMT. „Dat vond ik heel raar, dat het OMT advies gaf aan het RIVM, in plaats van andersom.”

Lees ook

Soms wat ‘felle’ oud-RIVM-baas Van Dissel krijgt ongerichte vragen en laat zich niet berispen: ‘Dit punt is veel ingewikkelder dan u denkt’

Jaap van Dissel, oud-directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, voorafgaand aan het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie corona.

Op een bierviltje

In de zomer van 2020, toen de scholen na de eerste lockdown weer opengingen, was inmiddels duidelijk dat het niet goed ging met kinderen. Uit onderzoek kwamen leerachterstanden naar voren en vooral kwetsbare leerlingen raakten in de knel. Toch kregen de scholen in het najaar weer beperkende maatregelen opgelegd, waardoor niet alle leerlingen tegelijk naar school mochten. En in december 2020 gingen ze opnieuw wekenlang dicht.

Socioloog Thijs Bol (Universiteit van Amsterdam) vindt dat de enquêtecommissie moet onderzoeken hoe zwaar het onderwijs meewoog in de besluitvorming over de coronamaatregelen. „Welke prioriteit, of gebrek aan prioriteit, kreeg het onderwijs?” Bol deed tijdens de eerste lockdown onderzoek waaruit bleek dat de sluitingen de ongelijkheid tussen leerlingen vergrootte. „Toch bleven de maatregelen maar verlengd worden.” Zijn indruk is dat de gevolgen voor leerlingen minder belangrijk werden gevonden dan andere belangen, zoals de economie.

Die 8,5 miljard euro voor het Nationaal Programma Onderwijs kwam zomaar uit de lucht vallen

Om de negatieve impact van de coronacrisis te dempen, werd in februari 2021 een herstelprogramma aangekondigd: het Nationaal Programma Onderwijs (NPO). Het kabinet trok hier in totaal 8,5 miljard euro voor uit. Volgens Bol kwam dat bedrag „zomaar uit de lucht vallen”. „Ik heb het idee dat het op de achterkant van een bierviltje is bedacht.” Zijn indruk is dat het kabinet zo de groeiende onvrede over de sluitingen wilde tegengaan. Dat ze dachten „nou moeten we wel met iets komen, want dit straalt niet goed op ons af”.

Bol wijst erop dat niet alleen hijzelf, maar ook de Algemene Rekenkamer meteen al kritische kanttekeningen plaatste, omdat het NPO werd gelanceerd zonder duidelijke doelstellingen of meetbare indicatoren. Bol: „Welke doelen hadden ze vooraf opgesteld? Ik neem aan dat daar in de ministerraad of op de departementen wel over gesproken of gemaild is. Daar ben ik wel benieuwd naar.”

Mosterd na de maaltijd

Een klacht die in alle gesprekken doorklinkt, is dat de noodsignalen dat het niet goed ging met kinderen en jongeren, niet tot het kabinet leken door te dringen. „Wij waren vooral de uitvoerders van beleid”, zo verwoordt Eva Naaijkens het gevoel dat in de onderwijssector heerste. Alleen de adviezen van het OMT, waarin medische en epidemiologische experts zaten, leken voor het kabinet te tellen.

Bol richtte in februari 2021 met onderwijswetenschapper Inge de Wolf (Universiteit Maastricht) en andere hoogleraren het ‘Onderwijs-OMT’ op. „We wilden tegenwicht bieden aan die heel eenzijdig medische blik”, zegt De Wolf. Het Onderwijs-OMT formuleerde adviezen, zowel voor het coronabeleid van de overheid als voor de onderwijspraktijk.

Het veld was blij met de adviezen en het Onderwijs-OMT sprak ook een aantal keren met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), vertelt de Maastrichtse hoogleraar. „Maar met het echte OMT hebben we nooit gesproken.” Ze zou graag willen dat de enquêtecommissie onderzoekt waarom het perspectief van het onderwijs niet werd betrokken in de besluitvorming. „Want kinderen hebben echt schade ondervonden van de schoolsluitingen.”

Wij zaten niet aan tafel in het Catshuis. En ik had niet de indruk dat het ministerie echt in de lead was

Freddy Weima – sinds april 2021 voorzitter van de PO-Raad, de belangenorganisatie voor het basisonderwijs – had „bijna dagelijks” contact met het ministerie van OCW. Hij blikt positief terug op die samenwerking. „Maar wij zaten niet aan tafel in het Catshuis. En ik had ook niet de indruk dat het ministerie echt in de lead was. De besluitvorming van het OMT was erg dominant.”

Weima vindt de parlementaire enquête „een beetje mosterd na de maaltijd”, omdat de Onderzoeksraad voor de Veiligheid al uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het coronabeleid. Hij hoopt vooral dat de verhoren zullen laten zien „hoe ongelooflijk hard in het onderwijs is gewerkt. En hoe pittig het was voor leraren om onder ingewikkelde omstandigheden toch les te geven.”

Daarnaast hoopt Weima „dat de enquêtecommissie met een aantal adviezen komt die ons helpt om weerbaar te zijn. Bijvoorbeeld hoe scholen open kunnen blijven in spannende tijden.”

Weggezet als boosdoeners

De groep die zich misschien het minst gehoord voelde, waren de studenten. Martijn Janse richtte in coronatijd de stichting Lieve Mark op, die toenmalig premier Mark Rutte (VVD) vroeg in het coronabeleid ook aandacht te besteden aan studenten. „Maandenlang werden jongeren of studenten geen enkele keer in de persconferenties genoemd”, zegt Janse.

Hij vraagt zich af waarom jongeren niet meer vrijheid kregen, aangezien ze minder risico liepen om ziek te worden. „Ik ben wel benieuwd of leeftijdsdiscriminatie überhaupt ooit op tafel heeft gelegen en waarom daar uiteindelijk niet voor is gekozen, terwijl dat de naleving van de maatregelen door jongeren wel zou hebben verbeterd.”

Volgens Janse waren kinderarts Károly Illy en intensivist Diederik Gommers de enige OMT-leden die oog hadden voor de impact op jongeren. Hij zou graag horen hoe zij de belangen van jongeren binnenskamers onder de aandacht probeerden te brengen en hoeveel weerstand ze tegenkwamen.

Ik ben wel benieuwd of leeftijdsdiscriminatie überhaupt ooit op tafel heeft gelegen

Naast mentale problemen kampten veel jongeren met financiële zorgen. Ze hadden geen vaste contracten en werkten een beperkt aantal uren per week, bijvoorbeeld in de horeca. Dat werk viel in coronatijd helemaal weg. Lyle Muns, die tijdens de coronacrisis voorzitter was van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), wil graag weten waarom bijna geen financieel vangnet werd gecreëerd voor jongeren. „Er leek overal geld voor te zijn, alles kon: waarom werd dan zo weinig gedaan om de economische impact voor jongeren te dempen?”

Muns stoorde zich ook aan de negatieve manier waarop er over jongeren werd gepraat. „Wij werden weggezet als boosdoeners, als virusverspreiders.” Jongerenorganisaties vroegen aan het OMT en het kabinet om op een respectvollere manier over jongeren te spreken. Muns: „Wij waren juist heel veel aan het opofferen, om anderen te beschermen. Heel veel jongeren hebben bijna twee jaar lang grotendeels thuis gezeten, in een heel kwetsbare fase van hun leven.”

Karin den Heijer hoopt dat de enquête zal leiden tot erkenning van het leed van de jongere generatie. „Kinderen en jongeren zijn verschrikkelijk bang gemaakt. De boodschap was: als jij geen afstand houdt, dan kan opa doodgaan.” Ze vindt dat daar bij de enquête „best wel excuses voor mogen worden aangeboden”.

Lees ook

Corona is bijna de school uit, nu de smartphone nog

Lees het hele artikel