Onderzoekers in Zuid-Korea hebben in mondbacteriën een signaal gevonden dat kan duiden op maag- en dikkedarmkanker. Een computermodel kon patiënten op basis van enkel een mondspoeling onderscheiden van gezonde deelnemers.
Tussen de mond en de darmen is de afstand niet zo groot, slechts een paar meter. Toch leven er heel andere bacteriën. Dat komt doordat ze gescheiden zijn door barrières: in speeksel zitten stoffen die bacteriën doden, maagzuur is bijtend en in de darm zit een populatie die overlevers uit de mond wegconcurreert.
Mondbacteriën slagen er dus meestal niet in om zich in de darm te vestigen. Behalve wanneer er iets mis is. Bij ontstekingen of wanneer het immuunsysteem hapert, lukt het hen soms wel.
Eén specifieke soort mondbacterie, Fusobacterium nucleatum, wordt al jaren teruggevonden in tumorweefsel van dikkedarmkanker. Bij sommige patiënten gaat het om exact dezelfde stam als in hun eigen mond.
Twee staaltjes
De onderzoekers vroegen zich daarom af of ze aan de hand van de aanwezigheid van bepaalde mondbacteriën ziektes kunnen opsporen. Ze gingen aan de slag met stalen van 507 mensen. Elke deelnemer leverde er twee: een mondspoeling die op lege maag genomen werd en een staal van de stoelgang.
Van hen waren 129 gezond, 215 hadden problemen met de stofwisseling, 77 maagkanker en 86 dikkedarmkanker. De stalen van de kankerpatiënten werden genomen voor ze behandeld werden en voor het darmonderzoek.
De onderzoekers lazen van elke staal een stukje bacterieel DNA uit, waaruit ze een database aanlegden van unieke DNA-signaturen. Door de mond- en stoelgangstalen van dezelfde persoon met elkaar te vergelijken, konden ze zien welke bacteriën in de darm exact dezelfde signatuur hadden als bacteriën in de mond. Het aandeel van zulke overlopers in de darm noemden ze de mond-naar-darmindex.
Twee tot drie keer zo vaak
Bij gezonde deelnemers zat de index rond 1,2 procent. Bij maagkankerpatiënten was dat 3,6 procent en bij mensen met dikkedarmkanker 3,1 procent. Bij de mensen met stofwisselingsproblemen zat de index op het niveau van de gezonde groep. Gewoon ziek zijn is dus niet de reden.
Bij maagkanker zat de afwijking vooral in de mond, bij dikkedarmkanker vooral in de darm. En de soorten die overliepen, verschilden per groep. Bij dikkedarmkanker ging het om negentien soorten, waaronder verschillende namen die eerder al als kankermarkers waren aangeduid.
“Dat er mondbacteriën in de darm van kankerpatiënten zaten, was niet helemaal onverwacht”, zegt medeauteur van de studie Sun Ha Jee in een persbericht. “Wat we niet zo hadden zien aankomen, was hoe sterk het signaal verschilde tussen de ziektegroepen en hoeveel ervan al uit de mondstalen alleen te halen viel.”
Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!
Beter dan de stoelgangtest
De onderzoekers trainden vervolgens een computermodel om patiënten van gezonde mensen te onderscheiden. Het model doet dat op basis van de bacteriën die zijn overgelopen.
Dat werkte behoorlijk goed voor dikkedarmkanker. Op een schaal van 0,5 (puur gokken) tot 1 (perfecte voorspelling) kwamen de onderzoekers in die groep op een score van 0,82. Voor maagkanker was het model minder accuraat, met een score van 0,66.
Daarna lieten ze het model los op eerder gepubliceerde datasets uit andere landen. Ook daar kon het met redelijk veel zekerheid dikkedarmkanker opsporen, maar maagkanker bleef moeilijk.
Het wordt pas interessant als je dit vergelijkt met bestaande screeningtests. Die zoeken naar onzichtbare bloedsporen in de ontlasting. Deze test is de basis van het bevolkingsonderzoek in Nederland en Vlaanderen. In een groep van 66 mensen pikte die bloedtest ongeveer zes op de tien kankergevallen op. Het model op basis van de mondstalen zat rond negen op de tien.
Die vergelijking verdient wel wat nuance. Ze gebeurde bij 66 mensen, van wie 28 met kanker en die patiënten wisten al dat ze ziek waren. Het model kreeg dus de makkelijke opdracht: het onderscheid maken tussen mensen met een gestelde diagnose en gezonde vrijwilligers. Bij een echt bevolkingsonderzoek moet je een handvol gevallen vinden tussen duizenden mensen zonder klachten en daar vallen de cijfers altijd lager uit. Bovendien werkte het model het best bij gevorderde tumoren, terwijl een screeningtest ze net bij vroege stadia moet vinden.
Dit is desalniettemin veelbelovend, maar de test komt nog niet meteen op de markt. Voordat die in de praktijk kan worden gebruikt, moeten klinische studies worden uitgevoerd in echte screeninggroepen.
Wil je niets van Scientias missen? Voeg Scientias toe als voorkeursbron op Google dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

1 uur geleden
1









English (US) ·