Kan kunst bijdragen aan onderdrukking? Die vraag klinkt groot, ik weet het, maar laten we eens even kijken naar een van de lelijkste kunstwerken van de afgelopen jaren. Het is gemaakt door kunstenaar Daniel Arsham (heel beroemd, zie Google) en is een portret van Priscilla Chan – een naam die u misschien niet heel bekend voorkomt tot ik zeg: echtgenote van Mark Zuckerberg. Zuckerberg wilde een beeld in zijn achtertuin, Arsham maakte een levensgroot portret van Chan, waarbij haar hoofd, borst, handen en voeten zijn vervaardigd van groen geoxideerd koper. Daaroverheen golft een romeins-achtig gewaad van hard-spiegelend roestvrij staal. Het beeld is vooral een pijnlijk misverstand: Arsham doet of hij Chan optilt, haar kracht geeft, alsof ze de hoofdrol speelt in een sciencefictionfilm, maar het stalen gewaad lonkt zo luidruchtig dat Chan er bij in het niet valt – haar gezicht is leeg en uitdrukkingsloos, en haar handen hangen onmachtig om haar lijf. Zodat je beseft: dit beeld gaat niet over Chan, ze is alleen een figurant, die wordt ingezet zodat Zuckerberg kan laten zien dat hij vele tonnen kan betalen voor een achtertuinbeeld en omdat er nu eenmaal een lichaam nodig is om dat virtuoos gefabriceerde staal te dragen.
Over het gebruik van macht gesproken.
Arshams beeld is een goed voorbeeld van de opkomst van de Efteling-kunst – kunst die louter uit is op effect. Internationaal heeft het een hele reeks van namen: red chip art, techbro-kunst – het lijkt allemaal nét iets anders, maar de essentie is steeds hetzelfde: het is kunst die bestaat bij de gratie van effecten, spiegels, licht, techniek, natuurlijk het liefst AI. Internationaal is de succesvolste kunstenaar in het genre waarschijnlijk Refik Anadol (al zegt zijn naam u vast weinig): hij exposeert al jaren, in musea over de hele wereld (waaronder het MoMA in New York), verleidelijke computeranimaties van kolkende golven veelkleurige balletjes, die zo vloeien dat ze de museumzaal in lijken te stromen, op de toeschouwer af. Het is allemaal oh en ah en wow en illusie – een perfecte driedimensionale lavalamp.
Ook in Nederland zijn we opvallend goed in het genre: al jaren hebben we Studio Drift, die het met hun zwevende ‘beton’-blokken zelfs tot het Stedelijk schopten en in het najaar hun eigen ‘museum’ gaan openen. Of Daan Roosegaarde, wiens nieuwste installatie Glowing Garden bestaat uit lichtgevende namaak-bloemen waarmee je ‘van je eigen tuin een paradijs kunt maken’ en Boris Acket, die een praktijk aan het opbouwen is met dramatisch wapperende (en natuurlijk computergestuurde) lappen. Grootste nieuwe naam in het genre is Sabine Marcelis, die net als Drift en Roosegaarde uiterst nauwkeurig (en nogal opportunistisch) op de grens van design en kunst balanceert. Op de laatste aflevering van Coachella bijvoorbeeld, twee weken geleden, toonde ze een enorm opblaasbaar doolhof dat in het donker licht gaf – niet meer dan een opgepompt volwassenenspeeltje zou je denken, maar Marcellis noemt het wel een ‘installatie’. Soms gaat ze volledig voor de kunst en exposeert dan, variërend van het Stedelijk Museum Schiedam tot een groot kunstenfestival in Saoedi-Arabië, beelden van gekleurd spiegelglas. Grote, glanzende, futuristisch-ogende, rood-geel-spiegelende zuilen of platen zijn het, die glimmen dat het een aard heeft. Daarbij word je als toeschouwer wél geacht even te vergeten dat deze beelden sterk lijken op het werk van de Amerikaanse kunstenaar Larry Bell. Alleen: waar Bell met zijn transparante kleur-glas-laag-sculpturen de toeschouwer uitdaagt na te denken over licht en kleur en perceptie, zijn Marcelis’ beelden vooral een kruising tussen selfiedecor en lachspiegel. Kermiskunst.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20132743/200426CUL_2032398941_marcellis.jpg)
‘Light Horizon’ van Sabine Marcelis bij Stedelijk Museum Schiedam, 2024.
Foto Paul SwagermanHedendaagse hype-mix
Dat geldt ook voor Beeple, van wie volgende week een tentoonstelling opent in de prestigieuze Neue Nationalgalerie in Berlijn. Hij ontleent zijn roem aan het feit dat hij in 2022, op het hoogtepunt van de NFT-golf, het werk Everydays: The First 5000 Days voor ruim 69 miljoen dollar wist te verkopen – en de NFT-hype vrijwel meteen daarna verdampte. In Berlijn toont hij een groep bewegende, toeschouwer-lonkende robothonden, getooid met de koppen van onder anderen Picasso, Warhol, Elon Musk en (natuurlijk) Beeple zelf die constant zelfgemaakte foto’s uitpoepen – een perfect uitgekookte, hedendaagse hype-mix van art meets tech meets fame. Een kermisattractie, die louter draait om oh’s en ah’s en spektakel. Maar die nu dus wél, courtesy directeur Klaus Biesenbach, naast Gerhard Richter en Tracey Emin en Cindy Sherman in een prestigieus museum wordt getoond.
De vraag is natuurlijk: is dat erg?
Dat is misschien wel het opvallendste aan het succes van deze kunst: dat het antwoord op die vraag niet langer vanzelfsprekend is. De Efteling-kunstenaars en hun liefhebbers hebben namelijk een uitstekend verdedigingsargument bedacht dat musea en liefhebbers gretig overnemen: als je kritiek hebt op dit soort werk is het antwoord altijd dat dit soort kunst ervoor zorgt dat mensen die normaal geen museum bezoeken, alsnog komen en zo ook met ‘betere’ kunst worden geconfronteerd. Dat klinkt aantrekkelijk, maar helaas: het is een misverstand. De mensen die deze steppingstonetheorie omarmen, verliezen namelijk de essentie van kunst uit het oog: dat kunst, goede kunst, altijd bestaat bij de gratie van nieuwsgierigheid, van onverwachte ideeën, van het onderzoeken van onbekende werelden. Soms zijn ze daarbij zelfs zo tegendraads dat ze de toeschouwer niet meteen een plezier doen, dat ze vreemd zijn, confronterend, ongemakkelijk. Maar dat is juist de crux: voorbij het ongemak lonkt een nieuwe wereld. Design-kunstenaars daarentegen, werken omgekeerd: zij willen niet prikkelen, maar pleasen. Niet verrassen, maar verdoven. Ze willen de toeschouwer niet aanzetten tot écht iets voelen, tot nadenken, tot écht nadenken over gebeurtenissen in je hoofd of in de wereld, maar alleen maar een korte, krachtige sensatiekick leveren – zeg maar: zoals fastfood. Of de dopaminekick van je mobiele telefoon.
Design-kunstenaars willen niet prikkelen, maar pleasen. Niet verrassen, maar verdoven
Dat deze kunst nu toch doordringt tot klassieke instituten als het MoMA, het Stedelijk en de Neue Nationalgalerie komt dan ook niet door de inhoud, naar omdat ze twee dingen meebrengt waar de traditionele kunstwereld altijd behoefte aan heeft: geld en publiek. En hier komen de techbros en hun financiers om de hoek kijken. Zij duiken de laatste jaren steeds vaker op in de kunstwereld. Daarbij brengen ze twee dingen mee: buitensporige welvaart en het verlangen naar status. Die combinatie maakt hen voor de kunstwereld aantrekkelijk: juist doordát kunst relatief complex is en is geworteld in allerlei intellectuele en sociale tradities, is ze in staat de status te bieden waar nieuwe rijken naar verlangen.
In deze samenkomst van deze twee soorten van verlangen gebeurt nog iets: er ontstaat een clash om de inhoud. Musea halen de nieuwe rijken binnen omdat ze daarmee hopen hun traditionele inhoud te versterken. Maar daarbij zien ze over het hoofd dat deze techtypes daarin helemaal niet zijn geïnteresseerd. Sterker nog: techentrepreneurs zijn vrijwel altijd groot geworden door zich af te keren van het traditionele establishment (‘move fast and break things’), waardoor ze een natuurlijke aversie hebben tegen het ‘elitaire’ aspect van kunst. Daar ontstaat de botsing: om de verlangde status te verwerven willen de techtypes best geld aan musea geven, maar daarbij moeten die musea ook weer niet te moeilijk doen – en trouwens: die tech is toch nieuw, is toch aantrekkelijk, is dat voor de musea ook niet interessant? In deze clash wint, zoals altijd, het geld. Door het nieuwe geld, en misschien nog wel meer: het potentieel aan publiek dat de techbro’s de musea als wortel voor de neus hangen, verschuiven musea héél voorzichtig, licht opportunistisch, hun artistieke normen. En belanden Drift en Daan Roosegaarde in het Stedelijk. Refik Anadol in het MoMA. En lopen er volgende week robothonden in de Neue Nationalgalerie – je ziet Klaus Biesenbach al staan op de opening, lachend als een boer die kiespijn heeft, maar zojuist óók een tandartspraktijk heeft gekocht.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20144407/200426CUL_2032398941_drift.jpg)
Bezoekers kijken naar een zwevend blok beton van Studio Drift in mei 2018 in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Beeld ANP / Herman WoutersDiep venijnige angel
Want daaronder zit een angel, een diep venijnige angel. Mensen uit de kunstwereld die meegaan met de Anadols, Beeples, Driften en Marcelissen, vergeten namelijk iets cruciaals: dat de verplatting en verleiding die deze design-kunstenaars propageren niet los is te zien van iets groters. Dat hun houding staat voor méér. Sterker nog: dat zulke verplatting ook precies de essentie is van het verdienmodel van de techindustrie. Of het nu de Instagrams en de Facebooks zijn, de Amazon-achtigen, of de Open AI-makers: de belangrijkste overeenkomst tussen deze bedrijven is dat ze mensen afhankelijk willen maken van oppervlakkigheid, van snelle beelden, van korte kicks, van meedrijven op een computergegenereerde stroom – en vooral: ze zo min mogelijk zelf laten denken en handelen. Niet eigenzinnig zijn, niet tegendraads, maar consumeren. Meelopen. En hè, laat deze design-kunst daar nu perfect bij aansluiten! Alsof ze voor hetzelfde doel is geschapen: zoals Facebook en Instagram en Amazon en Open AI er alle belang bij hebben dat consumenten voorspelbaar zijn, zich voegen naar de norm van overzichtelijke middelmatigheid, streven de Driften en de Marcelissen en de Anadols naar hetzelfde: ze degraderen kunstkijkers tot Efteling-bezoekers. Trojaanse paarden zijn het: ze betreden de kunstwereld met de belofte van verleiding en toegankelijkheid, maar eenmaal binnen beginnen ze die wereld van binnenuit te ondergraven, af te vlakken. Niks artistieke gelaagdheid, niks geschiedenis, niks verdieping – kijk, hier: een glimmende Instagram-spiegel, een fotopoepende robothond, een zwevend betonblok! En trouwens: de musea zeggen toch zelf dat dit kunst is? Waarom zou je dan verdieping zoeken? Een glimmende spiegel is al meer dan genoeg!
Niks artistieke gelaagdheid, niks geschiedenis, niks verdieping – kijk, hier: een glimmende Instagram-spiegel, een fotopoepende robothond, een zwevend betonblok!
Daarom moeten we af van die steppingstonetheorie. Deze design-kunst is geen opstap, het is versimpeling, afvlakking, ondergraving van kunst, nu net een van de laatste bastions in de maatschappij waar tenminste nog enigszins plaats is voor vrije, onafhankelijke, ontregelende gedachten (wat door de toenemende marktwerking ook al lastiger wordt). Dáár ligt de principiële taak voor musea: zij moeten beseffen dat ze met het binnenhalen van deze verdovingskunst zaken als afstomping en verplatting salonfähig maken – sterker nog: dat ze zo laten zien dat ze best wat van hun artistieke principes willen inleveren, als daar maar voldoende sponsoring en/of bezoekers tegenover staan. Dat is het verkeerde signaal: in een wereld waar we tieners willen beschermen tegen teveel telefoongebruik, waar we consumenten willen waarschuwen voor AI en afhankelijkheid van de computer, waar we willen dat mensen zelf blijven denken, moeten musea kunst die het verdienmodel van de grote tech-ondernemers actief versterkt buiten de deur houden. Om nog even op die onderdrukking terug te komen: misschien is het tijd om te beseffen dat we allemaal een beetje Priscilla Chan zijn. De tech bros hijsen ons op een sokkel, houden ons een glimmend schild voor en laten ons zo denken dat we vrij zijn. Maar ondertussen zitten we collectief opgesloten in de tuin van Mark Zuckerberg. Laat kunst de weg naar buiten blijven.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20163458/200426DEN_2033140719_steunpakketDragend1.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/20095020/200426BUI_2032835429_1.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/19013228/ANP-556145826.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/18182520/180426VER_2033120686_kyivshooting3.jpg)
English (US) ·