Onderdeel zijn

4 uren geleden 1

Soms lijkt er geen ander mens op de wereld te leven. Een mistige zondagmorgen, druipende bomen, alles grijs en stil en zompig, ik wandel omdat ik vind dat het moet, niet omdat ik nu met volle teugen loop te genieten. Over het pad langs de sloot komt toch iemand aanlopen, iemand met een hond – honden trekken mensen de wereld in. De man staat stil en laat zijn hond aan zijn voet zitten, hij kijkt hem daarbij dwingend aan en ik verwacht dat er nauwelijks een groet af zal kunnen, want zo gaat dat als een wandelaar veranderd is in de baas van een hond. De man kijkt even op en zegt ,,goedemorgen” en ik zeg dat ook en dan kijkt hij me echt aan, glimlacht aardig en wenst ,,een fijne zondag”.

Hoe je dan verder loopt. Heel anders. Ineens ben ik opgewekt thuis in mijn leven en op deze plek. In dit lege landschap van kale akkers en stuk gereden bermen ben ik, blijkbaar!, op mijn plaats.

Ik herinner me de eerste keer dat ik dat zo voelde, meer dan twintig jaar geleden toen ik net op het Groningse platteland kwam wonen. Ik stond wat te snoeischaren in mijn nieuwe voortuin, my very first voortuin, en de buurman kwam langs op de fiets en zei vrolijk ,,hoi”. Dat je dan ineens denkt: ik besta.

Andere mensen hoeven soms maar heel weinig te doen om te maken dat je je onderdeel voelt van – ik weet eigenlijk niet goed waarvan. De samenleving klinkt ineens zo politiek, en dat is het niet, al heeft het beslist iets met samenleven te maken. Het is zoiets als in de dichtregel ‘ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef’.

Remco Campert schreef dat over poëzie (,,Poëzie is een daad van bevestiging”) en daar geldt het zeker voor, er wordt iets nieuws geschapen, bedoeld om gedeeld te worden. Maar het blijkt ook op te gaan voor zoiets eenvoudigs als een groet, een blik, een piepklein vriendelijk woord.

Soms denk ik aan Jan Peter Balkenende, aan zijn oproep tot fatsoen

Dat weten we natuurlijk wel, en het kan allemaal reuze zoetsappig worden. Misschien moet je niet al te bang zijn voor zoetsappigheid? Het is flauw om het zo te noemen. Mensen vinden het over het algemeen prettig om iets aardigs voor iemand te doen – ga op een straathoek vragend om je heen staan kijken en er komt iemand die je de weg wil wijzen, een moeder met een kind in een wagentje wordt altijd de tram uit geholpen, in de trein is er meestal een jong iemand die in een volle coupé opstaat voor een ouder iemand. Dat dat laatste al wat minder vanzelfsprekend is, zal wel te maken hebben met de moeite die het kost – moeiteloze vriendelijkheid is nu eenmaal het eenvoudigst.

Net zo eenvoudig als moeiteloze onvriendelijkheid, en toch kom je (ik) die minder tegen. Er zijn mensen die juist dat voortdurend tegenkomen. En er zijn mensen die het als het ware hun plicht achten om die onvriendelijkheid te bevorderen.

Soms denk ik aan Jan Peter Balkenende. Aan zijn oproep tot fatsoen en hoe dat, ondanks zijn nogal overduidelijke gelijk, zo intens tuttig klonk. ‘elk woord heeft naast een prijs een schaduw/ in die schaduw herkennen we elkaar’, schreef Nisrine Mbarki Ben Ayad in haar ‘Beginselverklaring’ als Dichter der Nederlanden. 

Ik zag eens in een museum een filmpje van iemand die ’s ochtends op straat in de stad iedereen groette. ,,Goed idee”, zei ik tegen de bezoeker die toevallig naast me stond. ,,Dan hoop ik dat ik u niet tegenkom”, antwoordde hij.

Lees het hele artikel