Onderzoek naar gynaecologen die vrouwen met hun zaad bevruchtten: ‘Dit was geen incident, dit was een patroon’

4 uren geleden 1

Als een zaaddonor niet kwam opdagen voor een behandeling in het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem, besloot gynaecoloog Alex Schmoutziguer in zeker zestien gevallen om zelf in te springen zodat het stel toch geholpen kon worden.

Volgens hoogleraar Jan Kremer, die de inmiddels 85-jarige Schmoutziguer en anderen sprak over wat in de jaren zeventig en tachtig gebeurde, voelde de arts zich verantwoordelijk tegenover wensouders. „Hij zag het gebruiken van zijn eigen zaad als een pragmatische en empathische benadering van de kinderwens.” De wensouders werden niet op de hoogte gesteld. Dinsdag verschijnt Het incident voorbij, een onderzoek onder leiding van Kremer naar kunstmatige inseminatie met donorzaad in Rijnstate.

Schmoutziguer, die niet wilde bijdragen aan dit artikel, werkte in een tijd dat doneren nog vrijwel uitsluitend anoniem werd gedaan. Pas na een wetswijziging in 2004 werd dat aan banden gelegd omdat toen meer nadruk kwam te liggen op het belang en het recht van kinderen om te weten waar zij vandaan komen. Kremer: „Veel artsen dachten voor die tijd dat donoren voor eeuwig geheim zouden blijven. Dna-onderzoek zoals we dat nu kennen, was er gewoon niet.”

Het is niet de eerste keer dat Rijnstate in het nieuws komt vanwege slordigheden in de administratie en fraude met donorzaad. In 2015 bleek al dat onder andere de administratie van de zaadbank niet op orde was en dat in meerdere gevallen sprake was van een overschrijding van het maximum aantal toegestane nakomelingen per donor, dat op 25 lag. Eind 2025 schikte Rijnstate een zaak, die ook in de jaren tachtig speelde. Daarin had een gynaecoloog zaadcellen gebruikt die bedoeld waren voor een ivf-traject van een echtpaar, om een andere vrouw te insemineren.

Ook rond andere ziekenhuizen en klinieken kwamen de afgelopen jaren misstanden met donorzaad aan het licht. In het rapport legt Kremer de nadruk op de tijdsgeest waarin de fertiliteitsfraude ontstond. „We weten nu van acht artsen dat zij in de jaren zeventig en tachtig hun eigen zaad gebruikten. Een groot aandeel, in een tijd dat er bij elkaar zo’n veertig of vijftig gynaecologen werkzaam waren. Je kunt dan niet meer spreken van een incident. Het is een patroon.”

Hoe kon dat patroon ontstaan?

„Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig werd de vraag naar donorzaad steeds groter. Het was een oplossing voor mannen die onvruchtbaar waren en stellen met een kinderwens. Maar kunstmatig insemineren met donorzaad was echt nog pionieren. De mensen die ermee bezig waren voldeden aan de eigenschappen van typische pioniers. Ze waren ondernemend, een tikkeltje eigenwijs, vaak maatschappelijk betrokken. Mensen met een kinderwens hadden volgens hen recht op een kind zoals vrouwen volgens de abortusbeweging baas in eigen buik mochten zijn.

„Voor de context is het ook belangrijk om te beseffen dat in de allereerste jaren nog niet met ingevroren zaad gewerkt werd. Vers zaad is beperkte tijd houdbaar en voor de behandeling moest het op dat moment geproduceerd worden.”

De gynaecoloog stelt dat hij zijn eigen zaad gebruikte als een donor niet kwam opdagen.

„Dat klopt. Het speelde zich ook af in een tijd waarin nog geen protocollen waren. Ik heb meegemaakt dat de eerste richtlijn in de gynaecologie er kwam, dat was in 1995. En vóór die tijd was het gewoon doen wat je zelf goed vond.”

Maar ook in die tijd werd van artsen verwacht dat ze een zekere distantie hadden. Ze mochten zich bijvoorbeeld niet mengen in de persoonlijke levenssfeer van hun patiënten.

„Het gebruik van eigen zaad werd niet openlijk besproken en ook niet goedgekeurd. Ik ben van oorsprong gynaecoloog en had oudere collega’s van wie later bleek dat zij hun eigen zaad hadden gebruikt. Dat is niet iets waar ze het openlijk over hadden.”

Biologisch ouderschap werd in de jaren zeventig en tachtig minder belangrijk gevonden dan nu, schrijft u in uw rapport. Speelde dat ook een rol?

„Men dacht dat opvoeding bij de vorming van kinderen belangrijker was dan biologie. Het was bijna onethisch om te veel over genen en erfelijkheid te praten. Het werd in die tijd door de meeste mensen dan ook volledig geaccepteerd dat zaad doneren anoniem gebeurde. Mensen hielden meestal voor hun kinderen geheim dat ze van een donor waren en dat geheim werd met de artsen besproken en soms zelfs in contracten vastgelegd. Dat kun je je nu veel minder goed voorstellen.”

Vorige maand heeft u uw rapport toegelicht aan de donorkinderen. Zij zijn inmiddels veertigers.

„Ik vind het belangrijk om aandacht te vragen voor het dubbele gevoel van donorkinderen uit die tijd. Veel van hen zijn dankbaar dat ze bestaan, maar boos dat de waarheid zo langzaam naar buiten komt. Sommigen hebben het gevoel dat hen iets is ontzegd.

„In Nederland zijn tienduizenden donorkinderen zoals zij, die met anoniem zaad zijn verwekt. We weten de getallen niet precies, maar het kunnen er wel honderdduizend zijn. Het gaat dus over een substantieel aantal mensen in ons land die mogelijk existentiële vragen hebben. Waar kom ik vandaan? Wat? Hoe zit ik in elkaar? Wie zijn mijn zussen, broers, halfzus, halfbroers dan?”

De gynaecoloog zelf was er niet.

„Nee. Hij is een man van 85. Fysiek en mentaal is hij in goede doen, maar ik denk dat het te veel was geweest voor hem. Tijdens het onderzoek heb ik meerdere gesprekken met hem gevoerd en heeft hij goed meegewerkt. Hij heeft iets opgeschreven over zichzelf, zodat zijn kinderen weten wie hij is. Met de meesten van hen heeft hij ook contact. En hij heeft een paar maanden geleden dna ingeleverd bij de databank Fiom, zodat hij vindbaar is.

„Aan de ene kant werkt hij dus mee, maar aan de andere kant geeft hij geen openheid over het aantal kinderen dat hij heeft verwekt met zijn eigen zaad. Hij heeft steeds meegepraat met wat we al weten. Dus toen er zes donorkinderen bekend waren, zei hij dat het er dan zes moesten zijn. Maar inmiddels zijn er zestien ontdekt. Dus ik kan ook echt niet uitsluiten dat er weer nieuwe dingen naar boven komen.”

Waarom is het voor deze en andere gynaecologen zo moeilijk om erover te praten? Waarom kunnen ze niet zeggen: met de blik van nu schaam ik me rot maar het is wel gebeurd in een tijd die heel anders was dan deze.

„Als ik hiernaar kijk met de bril van nu vind ik dat openheid gewenst is en dat de tijd van geheimen voorbij is. Maar kijk ik met de bril van toen dan begrijp ik het beter. Tot 2004 werd de anonimiteit van donoren door vrijwel iedereen heel belangrijk gevonden. De kinderwens woog het zwaarst. Veel artsen houden daar nog steeds aan vast.

„Het is ook spannend om je uit te spreken. De eerste reacties op berichtgeving hierover is vaak: schande, wat een boef! Maar het is een gelaagd, genuanceerd vraagstuk waarin boosheid en dankbaarheid naast elkaar bestaan.”

Het bestuur van Rijnstate is verweten dat zij eerder niet op de goede manier aandacht besteedden aan vragen die kwamen van donorkinderen en slachtoffers van fertiliteitsfraude.

„Zij hadden onvoldoende erkenning voor de existentiële vragen waarmee mensen bij hen kwamen. Ze namen te weinig verantwoordelijkheid. Die mindset is de laatste jaren veranderd. Ik zie dat ze nu opener zijn over het verleden. Ik vind dat we als samenleving ook die volgende stap moeten gaan zetten. We moeten nadenken over hoe we ons tot dit verleden verhouden.”

Vindt u dat de overheid iets moet doen? 

„Ik vind dat de minister verantwoordelijkheid moet nemen. Net als bij de afstandsmoeders, die onder druk hun kinderen af moesten staan. Een groot deel van de Kamer wil daar nu formele excuses voor. De minister moet reflecteren op hoe we zijn omgesprongen met donorinseminatie: de anonimiteit, de slordige dossiervoering, teveel kinderen per donor, artsen die hun eigen zaad hebben gebruikt. Wat er is gebeurd is onacceptabel.

„Gynaecologen moeten zelf ook meer verantwoordelijkheid nemen. Alle gynaecologen die in de tijd van anonieme zaaddonatie hebben gewerkt zouden hun dna moeten afstaan aan de databank van Fiom. Ik vind eigenlijk zelfs dat alle mannen die anoniem zaad hebben gedoneerd hun dna zouden moeten inleveren.”

Verwacht u dat er nog meer gevallen worden van artsen die eigen zaad gebruikten?

„Er zijn er acht bekend, maar het is heel aannemelijk dat het er meer waren. Stichting Donorkind heeft die signalen ook al van hun achterban.”

Vindt u dat inseminatie met donorzaad tegenwoordig wel goed verloopt?

„Nee. In Nederland wordt bij inseminatie met donorzaad heel veel zaad uit Denemarken gebruikt. Daardoor zijn er kinderen die op verschillende plekken in de wereld misschien wel 300 halfbroers en halfzussen hebben rondlopen die ze niet kennen.”

Wettelijk mogen Nederlandse fertiliteitsklinieken geen behandelingen uitvoeren met anoniem donorzaad. Donorkinderen, ook als die verwekt zijn met zaad uit Denemarken, kunnen daarom meestal op hun achttiende de naam van hun donor opvragen, maar die donor is niet verplicht om contact te accepteren. De identiteit van broers en zussen wordt niet vrijgegeven.

„Deze kinderen lopen straks misschien ook rond met existentiële vragen waar ze geen antwoord op krijgen. Wat mij betreft zouden we daar meteen mee moeten stoppen.”

Hoe belangrijk is het om te weten waar je vandaan komt?

„Dat is niet voor iedereen even belangrijk. De gynaecoloog van Rijnstate heeft bijvoorbeeld een aantal donorkinderen verwekt die geen contact willen. Maar ik heb ook gezien dat het voor heel veel mensen veel betekent. Dat ze altijd iets hebben gemist dat op zijn plek valt als ze weten wie hun donor is.”

Met medewerking van Cas Reijnders

Lees het hele artikel