Belastingwijzigingen passeren de Tweede Kamer nooit zonder enige maatschappelijke reuring, dat is begrijpelijk. De heffingen op inkomsten uit vermogen zijn steevast goed voor verhitte discussies. De Wet Werkelijk Rendement waar het parlement donderdag 12 februari mee instemde, houdt de gemoederen nog steeds bezig. Vier vragen over de wijzigingen in box 3.
1Wat is de kritiek op de nieuwe wet?
Om die vraag te kunnen beantwoorden, is enige achtergrond van de discussie nodig. Verschillende achtereenvolgende kabinetten worstelen sinds 2021 met de manier waarop vermogen in Nederland belast wordt. Toen maakte de Hoge Raad gehakt van de manier waarop de Rijksoverheid rekent met fictieve rendementen om vermogen te belasten. De hoogste rechter had al vaker laten blijken dat het niet gecharmeerd was van het idee dat burgers belasting moesten afdragen op basis van een verondersteld rendement. Maar toen vanaf 2017 de wetgever de regeling ook nog zo aanpaste met de aanname dat burgers met een groter vermogen een hoger rendement zouden behalen dan burgers met een kleiner vermogen, greep de Hoge Raad in met zijn inmiddels beruchte Kerstarrest.
Was dit stelsel niet oneerlijk voor de rijke suikeroom die al zijn geld voorzichtig op de bank liet staan tegen een bijzonder laag spaartarief ten opzichte van de kleine bitcoinspeculant die met veel risico veel rendement behaalde? Hier was volgens de rechter sprake van discriminatie tussen risicomijdende en risicozoekende beleggers. Eigenlijk zei de Hoge Raad dat de overheid te veel aannames op elkaar had gestapeld om rendement op vermogen te belasten waarbij de afstand tot de werkelijkheid te groot was geworden.
De regering kwam nadien met allerlei noodwetjes om de acute crisis met belastinginning te bezweren. Maar in 2024 stelde de Hoge Raad dat ook die reparatiewetgeving nog te veel het oorspronkelijke probleem in stand hield: discriminatie van het type belegger waardoor het gevaar bestond dat de wetgever uitging van een hoger rendement dan er werkelijk behaald werd. Het gevolg was de zogeheten tegenbewijsregeling: als een belastingbetaler kan aantonen dat hij of zij minder heeft verdiend dan de fiscus veronderstelt, dan mag van dit lagere rendement worden uitgegaan bij de heffing van belasting.
2Wat is dan het voordeel van de nieuwe wet?
De nieuwe wetgeving moet aan al dit geharrewar een eind maken. Het belangrijkste voordeel van de nieuwe wet die in 2028 moet ingaan is dat er eind wordt gemaakt aan het drijfzand van het fictieve rendement. Met de Wet Werkelijk Rendement gaat de fiscus belastinggeld innen over werkelijk behaalde rendementen en niet meer over de denkbeeldige bedragen die al bijna tien jaar voor discussie zorgen. Het kabinet en de burger zijn zo ook verlost van het paniekvoetbal dat telkens ontstaat door uitspraken van de rechter.
3Wat is dan nu nog het probleem?
Bij de berekening van rendementen gaan ook niet-gerealiseerde rendementen meetellen. Dat betekent dat een belegger niet alleen bij verkoop van zijn belegging belasting moet afdragen over zijn winst, maar ook als hij of zij de winst nog niet ‘geconsumeerd’ heeft. Anders gezegd, de belegger die niets doet, zijn stukken in een belastingjaar niet verkoopt, maar op papier wel de waarde van zijn belegging ziet stijgen, moet daarover belasting afdragen. Dat lijkt terecht vanuit het oogpunt om vermogen op een of andere manier te belasten, maar critici wijzen erop dat dit tot gedwongen verkopen kan leiden. Want heeft de belegger wel het geld paraat dat hij of zij over de ongerealiseerde rendementen moet aftikken? De kritiek heeft ook betrekking op beleggers die aandeelhouder worden in een snelgroeiende onderneming. Als die onderneming op papier snel in waarde groeit – wat heel goed mogelijk is – dan kan dat tot forse belastingaanslagen leiden zonder dat de vruchten genoten zijn.
Overigens is in de nieuwe wet een uitzondering gemaakt voor vastgoed en voor beleggingen in kleine jonge ondernemingen. Daar gelden alleen de gerealiseerde rendementen zoals de huurinkomsten of dividendstromen en worden papieren winsten niet belast. Het streven van het deze week aangetreden kabinet-Jetten I is om uiteindelijk alleen gerealiseerde rendementen te belasten.
4Is er wel ruimte voor ideologisch debat?
Dit is misschien wel het meest heikele punt van de problemen die bij de belasting in box 3 zijn ontstaan, de box waarin belasting wordt geheven over inkomsten uit sparen en beleggen. Door de complexiteit van de regelgeving en de uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst was er de afgelopen jaren nauwelijks ruimte voor politici en beleidsmakers om fundamenteel te discussiëren over de vraag hoe vermogen in Nederland belast zou moeten worden. Veel van die discussie daarover was bij voorbaat zinloos doordat de overheid zichzelf in de hoek had geschilderd waarbij het soms alleen maar kon kiezen uit een paar slechte opties. De discussie over herziening van het belastingstelsel vereist politieke stabiliteit en is een operatie die al snel meerdere kabinetsperiodes overstijgt.
Vooral linkse partijen vinden het verschil tussen belasting op arbeid en belasting op vermogen veel te groot. In hun ogen kan de overheid kapitaal veel zwaarder belasten ten gunste van lagere tarieven in de inkomstenbelasting. Ter rechterzijde wordt gewaarschuwd voor het investeringsklimaat als je kapitaal zwaarder gaat belasten. Zo wordt verwezen naar de aanbevelingen van Mario Draghi, oud-voorzitter van de Europese Centrale Bank. In zijn rapport over de toekomst van Europa hamerde hij erop dat het aantrekkelijker moet worden voor beleggers en investeerders om hun geld te steken in startende ondernemingen.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/23112325/230226MID_2031776749_WEB_HP_ILLU_Japke-denkt-mee_Tomas-Schats.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/23194836/230226VER_2031802977_Mexico.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/23153727/230226DEN_2031782877_bbb.jpg)





/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/21004236/ANP-551322569.jpg)
English (US) ·