Wat heeft de wetenschap geleerd van corona? Zes jaar geleden hield het virus de samenleving in zijn greep. De overheid nam de meest drastische maatregelen voor de bevolking sinds de Tweede Wereldoorlog, tot en met een avondklok. De Tweede Kamer boog zich de afgelopen weken in openbare verhoren over het beleid: wat ging er goed en wat niet.
Maar wat heeft de wetenschap opgestoken van de vaccins, de lockdowns en de anderhalve meter afstand? Wat weten we méér over de herkomst van het virus, kwam dat van een dierenmarkt of uit een laboratorium? Hebben de rekenmodellen van het RIVM goed gewerkt? Wie had er gelijk in de controverses over het mondkapje of over de rol van aerosolen in de overdracht van het virus? Heeft de mentale gezondheid van jongeren echt zoveel geleden onder de maatregelen? Welke invloed had corona op de opkomst van ‘alternatieve media’ en het geloof in complottheorieën? Wetenschapsredacteuren van NRC geven antwoord.
In dit artikel/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15095737/180626WET_2034362708_jeugd.jpg)
Leerlingen van een gesloten basisschool in Haren halen hun boeken en schriften op om daarna thuis te kunnen leren.
Foto Kees van de Veen/ANPJongeren
Is de mentale gezondheid van jongeren echt door corona verslechterd?
Het korte antwoord is ja. Dat is uitvoerig onderzocht. Na de pandemie hebben wetenschappers tientallen artikelen gepubliceerd over het verband tussen Covid-19 en mentale problemen van kinderen en adolescenten. Die wáren al aan het toenemen, en werden door corona verergerd. „Corona kwam eigenlijk op een slecht moment”, zegt hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie Eveline Crone van de Erasmus Universiteit Rotterdam, die onderzoek doet naar de sociale ontwikkeling van adolescenten.
Crone: „We zagen al een toename van mentale problemen onder jongeren van 12 tot 26 jaar, waar moeilijk één oorzaak voor aan te wijzen is. Gebrek aan zingeving speelt een rol, toenemende individualisering, het idee dat alles beter wordt terwijl dat dan voor individuele personen niet zo is… Jongeren zijn ook vaak piekeraars. We zagen dat corona een katalyserende werking had. Dus de trend was al gaande, maar tijdens corona werd het nog erger.”
De coronamaatregelen die de overheid oplegde (afstand houden, niet mogen samenkomen, avondklok) zaten drie fundamentele behoeften van jongeren in de weg, zegt Crone: exploreren en dingen uitproberen, diepe intieme vriendschappen sluiten én gezien en gehoord worden. „Die werden in één klap on hold gezet. Ik sprak studenten die met een nieuwe studie begonnen, niemand leerden kennen, geen stage konden lopen. Jongeren hadden zelf veel ideeën over hoe ze zich wel konden ontplooien, maar er werd niet naar hen geluisterd.”
Hadden die jongeren dan echt psychische problemen of voelden ze zich ‘gewoon’ rot? Crone: „Eén op de drie had klachten die we, als we niet in een pandemie hadden gezeten, als psychisch probleem zouden hebben geclassificeerd. Maar als het zo’n grote groep is, dan noemen we het geen stoornis, dan is het een probleem van de samenleving.” Na corona is de gemiddelde mentale gezondheid van jongeren wel weer langzaam aan het herstellen, zegt Crone. „Dat blijkt uit verschillende rapportages.”
En niet met álle jongeren ging het slecht. „Er zijn drie miljoen jongeren in Nederland, natuurlijk voelen die niet allemaal hetzelfde. Ongeveer één op de zes jongeren had veel klachten die ook toenamen, die waren extra kwetsbaar, en één op de drie had eigenlijk amper klachten.” Dat blijkt uit een onderzoek onder 363 Nederlandse jongeren dat Crone en collega’s eerder dit jaar publiceerden in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Scientific Reports. „Bij die laatste groep zaten ook jongeren die opbloeiden doordat ze het gevoel hadden iets te kunnen bijdragen, bijvoorbeeld aan een steunpunt studentenwelzijn. Dat zou je een positief effect kunnen noemen, dat was mooi om te zien.”
Zijn er in coronatijd fouten gemaakt waarvan we kunnen leren? „Sociale en gedragswetenschappers zaten in het algemeen niet genoeg aan de besluitvormingstafel om mee te praten over maatregelen. Ik snap dat dat de eerste twee maanden nodig was, maar daarna had lens breder moeten worden getrokken en hadden we moeten kijken: hoe houd je de samenleving bij elkaar? Want wat er gebeurt als je dat niet doet, dat zien we nu uitvergroot in de hele wereld.” (EdB)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15134159/180626WET_2034362708_beschermendekleding.jpg)
De longafdeling van Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch in november 2021. Het aantal besmettingen steeg in die periode.
Foto Ilvy NjiokiktjienModelleren
Modellen maken – en voorspellen – gaat beter met hulp van gedragswetenschappers
Of het nu ging om de avondklok, het houden van afstand of het sluiten van cafés, buurthuizen en scholen – steeds was er maar één vraag. Gaat de maatregel helpen het aantal besmettingen en ziekenhuisopnamen van covid-patiënten terug te dringen? Of, in spiegelbeeld: als we deze maatregel niet nemen, hoeveel besmettingen en ziekenhuisopnamen krijgen we er dan bij?
Om daar een inschatting van te maken heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) tijdens de coronapandemie steeds verschillende scenario’s doorgerekend. Het Outbreak Management Team baseerde daarop zijn adviezen aan het kabinet, dat vervolgens besloot tot concrete maatregelen. Dat maakte de pandemie tot een test voor de makers van die scenario’s én voor hun rekenmodellen.
Die coronatest hebben de RIVM-modelleurs met glans doorstaan, vindt een auditcommissie, die spreekt van „werk van uitmuntende kwaliteit” onder zware omstandigheden. Wel had het RIVM volgens de commissie beter moeten samenwerken met modelleergroepen van de Nederlandse universiteiten. „Dat had kunnen bijdragen aan de repliceerbaarheid van en het publieke vertrouwen in het modelleerwerk”, aldus het verslag van de commissie.
Precies die kritiek tekende NRC in 2022 op uit de mond van Sake de Vlas, hoogleraar infectieziektemodellering bij het Erasmus MC in Rotterdam. „Mijn boodschap was: laat anderen meekijken, leg je werk uit aan iemand die begrijpt wat je doet”, zegt De Vlas nu. De Onderzoeksraad voor Veiligheid pleitte later in zijn derde rapport over de coronacrisis ook „voor de inrichting van een crisisbestendige data-infrastructuur, ten behoeve van registreren, delen en modelleren van data” – die infrastructuur is er nog niet.
Dat zou belangrijke voordelen hebben, ook voor de transparantie van de gebruikte modellen. Het RIVM werkte met een ‘transmissiemodel’, dat grote datasets gebruikte over contacten tussen mensen, besmettingen, ziekenhuisopnamen en vaccinaties. Telkens opnieuw moesten daarbij inschattingen worden gemaakt, bijvoorbeeld over de besmettelijkheid van de nieuwste virusvariant. Welke aannames de RIVM-modelleurs deden, en vooral hoe, dat bleef in nevelen gehuld.

Een medewerker laat een kit zien waarmee medewerkers getest worden op het coronavirus in het Amsterdam UMC.
Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP
De corona-afdeling van het Scheper ziekenhuis in Emmen.
Foto Corné Sparidaens/ANPDe Vlas: „Terwijl je aannames enorme invloed hebben op de uitkomsten. Daar hadden modelleurs als ik graag over meegedacht.” Bij een voorgenomen maatregel is het relevant te weten hoeveel mensen zich daar naar de inschatting van gedragswetenschappers aan zullen houden. „Is dat tachtig procent, of negentig? Dat kan veel uitmaken”, zegt De Vlas, die in 2022 al zei dat gedragsdeskundigen veel te weinig bij het nadenken over maatregelen werden ingezet.
Dat laatste is het RIVM sindsdien wel veel meer gaan doen. Er kwam in het voorjaar van 2020 een speciale Gedragsunit die bijvoorbeeld de bereidheid onderzocht tot vaccinatie en het doen van zelftests. Die bestaat niet meer als aparte eenheid, zegt een woordvoerder van het instituut, maar wel is gedragsexpertise „ingebed en wordt gedragsonderzoek breed ingezet binnen het RIVM”. Ook met het oog op „eventuele toekomstige crises”. Het RIVM is inmiddels ook meer gaan samenwerken met academische modelleurs, zo heeft De Vlas ervaren. „Maar er zijn nog geen overeenkomsten gesloten over het kunnen meekijken tijdens een toekomstige crisis.”
Met geld van ZonMW, financier van zorgwetenschap, zijn in Nederland inmiddels een kleine twintig onderzoeken gedaan naar modelleren. In dat kader heeft De Vlas gekeken naar regionale verschillen bij virusverspreiding. „Het bleek heel moeilijk om aan de benodigde mobiliteitsdata te komen”, zegt hij. Telecombedrijven hebben die wel, maar geld en privacywetgeving staan gebruik in de weg. Dat kan bij een volgende pandemie weer een hinderpaal zijn. (KB)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15133436/180626WET_2034362708_mondkap.jpg)
Op straat in Groningen is het stil, halverwege januari 2021. Later die maand zou een avondklok ingevoerd worden.
Foto Kees van de VeenAvondklok
Gehate maatregel werkte onder jongeren, blijkt uit Duits onderzoek
De avondklok was waarschijnlijk de meest controversiële maatregel om de verspreiding van covid in te dammen. Het verbod om ’s avonds na 21.00 uur (of 22.00 uur) op straat te gaan, leidde begin 2021 tot rellen, bedreigingen van burgemeesters en rechtszaken tegen de overheid. Een rechter veegde de avondklok in kort geding van tafel wegens slechte wettelijke onderbouwing, het gerechtshof vernietigde dat vonnis diezelfde dag in hoger beroep. Bij de verhoren van de parlementaire enquêtecommissie vertelden bestuurders ze de avondklok destijds „met buikpijn” en „met alle pijn en moeite” te hebben ingevoerd.
Naast alle juridische discussie was de wetenschappelijke vraag: helpt de avondklok besmettingen te voorkomen? Jazeker, zei het Outbreak Management Team (OMT), de avondklok drukt het R-getal (de reproductie van besmettingen) met 8 tot 13 procent omlaag. Dat getal geeft aan hoeveel anderen een besmet persoon aansteekt. Duikt dat onder de 1, dan begint het aantal besmettingen na verloop van tijd te dalen. Het OMT baseerde zich voor de conclusie over de avondklok op een handvol Franse en internationale onderzoeken.
Die studies hadden wel hun beperkingen. Zo was het onderzoek gedaan in de eerste fase van de pandemie, toen er in Europa grote regionale verschillen bestonden in de verspreiding van het virus en maatregelen van overheden. Bij internationale onderzoeken in Science en Nature Human Behaviour, maar ook bij een evaluatie van de Nederlandse coronamaatregelen, was de avondklok bovendien verknoopt met andere maatregelen om mensen thuis te houden.
foto Merlijn DoomernikDat laatste speelde ook bij een snelle studie die begin 2021 in Nederland werd gedaan door misdaad-onderzoekscentrum NSCR, dat camerabeelden van uitgaansgebieden bestudeerde. De conclusie was: door de avondklok daalde het aantal mensen op straat sterk. Het ging alleen om heel kleine aantallen doordat Nederland ook al in een lockdown zat, toen de avondklok werd ingevoerd in februari 2021. „In directe zin is nooit aangetoond wat de avondklok precies heeft bereikt”, verzuchtte de Nijmeegse burgemeester Hubert Bruls bij zijn verhoor door de enquêtecommissie. Hij sprak tijdens de pandemie namens de veiligheidsregio’s.
Dat geldt niet voor Duitsland. Daar is een studie gedaan zonder de beperkingen van voortijdigheid en verknopingen. Hamburg, de tweede stad van Duitsland, voerde begin april 2021 een avondklok in voor zijn twee miljoen inwoners, terwijl veel vergelijkbare regio’s met dezelfde covid-trends dat níét deden. „Zo konden we de ontwikkeling van het aantal besmettingen in Hamburg vergelijken met die van de rest van Duitsland en dan met name de grote steden”, vertelt Jan Marcus, hoogleraar toegepaste statistiek aan de Freie Universität Berlin en hoofdauteur van de studie.
Ter controle schiepen de onderzoekers een „synthetisch Hamburg” zonder avondklok, opgebouwd uit andere, vergelijkbare steden in Duitsland. „Op beide manieren konden we laten zien dat er door de avondklok een echte afname was in het aantal besmettingen”, zegt Marcus. „Niet meteen na invoering, maar vanaf ongeveer een week, zoals je zou verwachten.” Uiteindelijk zijn door de avondklok ongeveer 3.000 besmettingen vermeden, blijkt uit de berekeningen. „De afname was het sterkst onder jonge mensen”, zegt Marcus. Mensen tussen de 15 en 34 jaar gaan immers het vaakst uit in de avond.
Juist in Duitsland was de avondklok omstreden, door de herinnering aan vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de latere DDR. „Het zou dus niet mijn eerste keus zijn”, zegt Marcus, maar de avondklok is wel minder ingrijpend dan mensen overdag thuis houden. „Persoonlijk zou ik ook eerder kiezen voor een avondklok dan voor het sluiten van scholen.” (KB)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15134102/180626WET_2034362708_vaccinatielocatie.jpg)
Mensen die net gevaccineerd zijn wachten een kwartier in hokjes voordat zij de Jaarbeurs in Utrecht mogen verlaten, juni 2021.
Foto Ilvy NjiokiktjienVaccins
Vaccins zullen bij een volgende uitbraak nog sneller beschikbaar zijn
Ongekend – als dat woord ergens op van toepassing is, dan op het succes van vaccins tijdens de covidpandemie, zegt Cécile van Els, hoogleraar vaccinologie bij de Universiteit Utrecht en onderzoeker bij het RIVM. „Bijna de hele wereldbevolking is gevaccineerd tegen het virus, in elk geval één keer.” De snelheid waarmee vaccins beschikbaar kwamen was „verbazingwekkend”, vindt ze. „Tot dan toe stond voor de ontwikkeling van een nieuw vaccin 5 tot 15 jaar. Nu waren er binnen 12 maanden werkzame en betrouwbare vaccins.”
Nu nog plukken onderzoekers als Van Eels de vruchten van de vele duizenden onderzoeken die er door corona zijn gedaan naar vaccins, het immuunsysteem en alles wat daarmee samenhangt. Zo is onlangs, vijf jaar na het begin van de pandemie, opgehelderd wat de oorzaak was van trombose als zeer zeldzame bijwerking van een bepaald type vaccin. „De pandemie is een groot leertraject geweest”, concludeert Van Els: „En is dat nog steeds.”
De meest tastbare erfenis zijn de zogeheten mRNA-vaccins, die tijdens de pandemie hun doorbraak beleefden. Bij dit type vaccin bezorgt ‘boodschapper-RNA’ bij de lichaamscellen een genetische bouwtekening van het kenmerkende ‘spike-eiwit’ van het SARS-CoV-2-virus. De cellen produceren vervolgens dat spike-eiwit, waarna het immuunsysteem antistoffen en afweercellen begint aan te maken. Die beschermen tegen een eventuele invasie van het virus zelf.
De mRNA-vaccins bleken effectiever en ook sneller te maken dan bijvoorbeeld de (goedkopere) Oxford-vaccins, die een verzwakt verkoudheidsvirus gebruiken om de bouwtekening voor het spike-eiwit af te leveren bij de cellen. „Het mRNA-vaccin zit sindsdien standaard in de gereedschapskist bij de bestrijding van infectieziekten”, zegt Van Els. Zo is een van de vaccins in ontwikkeling voor het jongste ebolavirus in Centraal-Afrika (Bundibugyo-virus) een mRNA-vaccin.
Welke inzichten leverde de pandemie nog meer op voor de ontwikkeling van vaccins? Heel veel waardevols over wat je erin moet stoppen en over de manier waarop het lichaam op het vaccin reageert, zegt Van Els. Plus een omvangrijk multidisciplinair netwerk van onderzoekers. Ze komt tot drie grote lessen: maak het vaccin nog effectiever in de wedloop tussen virus en afweer (ontwikkeling), stem toediening af op het individu (gebruik) en behoud een netwerk van onderzoekers.
Toen het Oxfordvaccin aan het begin van de pandemie werd getest in onder andere Zuid-Afrika, ging het virus daar al zo heftig rond dat er al mutaties waren opgetreden in het spike-eiwit. „De door het vaccin opgewekte afweer had daardoor geen optimale grip op het virus”, legt Van Els uit. Desondanks bleek het vaccin tussen de 70 en de 80 procent effectief bij de bescherming tegen ernstige covid: „Veel beter dan we vooraf hadden gehoopt.”
Maar het Oxfordvaccin bood minder bescherming dan de mRNA-vaccins, die (ruim) boven de 90 procent scoorden. „Deze vaccins waren al in een iets vroegere fase van de pandemie getest en de opgewekte afweer bleek nog precies te zijn op afgesteld op het spike-eiwit van het virus dat op dat moment rondging”, vertelt Van Els. Naarmate het coronavirus langer rondging traden mutaties op en begon het virus „steeds meer door de afweer heen te glippen”. De vaccins werden daarop aangepast.
In die wedloop tussen virus en afweer is het belangrijk om van meet af aan te proberen een ‘breed vaccin’ te maken, zegt Van Els. „Een vaccin dat de afweer behalve op één specifiek eiwit ook op minimaal één ander eiwit richt.” Het vinden van een optimale samenstelling is de „heilige graal” van de vaccinontwikkeling.



Priklocaties in Tilburg en Veghel en een corona-afdeling in Almelo.
foto’s Olivier Middendorp en kees van de veenToen de grote vaccinatiecampagnes begonnen, wezen experts er ook op dat die niet voor iedereen even effectief zouden zijn. Bepaalde groepen maken na vaccinatie minder of niet genoeg afweerstoffen aan om het virus uit te schakelen, zoals sommige ouderen of mensen met een zwak immuunsysteem. „Terwijl je echt de maximale hoeveelheid antistoffen nodig hebt om geen virus te laten ontsnappen”, zegt Van Els.
Tweede les: de hoeveelheid antistoffen die mensen aanmaakten na de (eerste) vaccinatie verschilde sterk, zo bleek uit vele onderzoeken tijdens de pandemie. Jonge mensen hadden doorgaans de maximale hoeveelheid antistoffen in hun lichaam, maar per oudere leeftijdscategorie werd dat minder. „Bij mensen boven pakweg 60 jaar zagen dat we iets extra’s moesten doen”, zegt Van Els, „dus nog een aanvullende vaccindosis in de eerste ronde.”
Dat klinkt makkelijker dan het is. Bij de registratie van een geneesmiddel – en ook een vaccin – wordt precies vastgelegd hoe vaak het wordt toegediend. Een arts kan het op eigen gezag (‘off-label’) wel vaker voorschrijven, maar Van Els vindt dat niet wenselijk: „Je kan al meteen bij registratie van pandemische vaccins het gebruik ervan wellicht wat ruimer vastleggen.”
Derde les: tijdens de pandemie gingen experts veel intensiever samenwerken, dwars door landsgrenzen en vakgebieden heen. „Dat netwerk is van een onschatbare waarde gebleken bij de bestrijding van de pandemie”, zegt Van Els. „Als er weer een pandemie komt, dan weten we elkaar snel te vinden.”
De lessen zijn overigens niet alleen van waarde voor een toekomstige pandemie, benadrukt Van Els, maar ook voor veronachtzaamde infectieziekten. De coronapandemie heeft laten zien dat hiervoor snel nieuwe vaccins ontwikkeld kunnen worden. „Het kan nog sneller bij een volgende pandemie is de verwachting in mijn vakgebied, onder meer met AI, en het moet ook sneller”, zegt Van Els. „Het streven is nu om het uiteindelijk niet in 12 maanden te doen, maar in 100 dagen.” (KB)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15094713/180626WET_2034362708_aerosolen.jpg)
Onderzoek bij TNO naar de verspreiding van het coronavirus in een theateropstelling, maart 2021.
Foto Olivier MiddendorpAerosolen
Grote druppels kregen de schuld, maar de kleine waren ook boosdoeners, zeggen natuurkundigen
Het waren er drie, de blauw-witte icoontjes op het spreekgestoelte waarachter premier Rutte (VVD) en minister De Jonge (Volksgezondheid, CDA) het land bijpraatten over corona.
Handen wassen. Afstand houden. Testen.
En ineens, meer dan anderhalf jaar na het begin van de pandemie, werd daar een vierde icoontje aan toegevoegd:
Lucht.
Er werd verder niets over gezegd, het werd niet uitgelegd. Dat er tijdens een coronapandemie goed geventileerd moest worden, het leek ineens zo vanzelfsprekend dat het geen toelichting behoefde. Maar achter dat vierde icoontje ging een maandenlange felle strijd schuil tussen virologen, natuurkundigen én kersverse corona-influencers.
Die strijd ging over de rol van zogenoemde aerosolen bij de verspreiding van het virus. Aerosolen zijn microscopisch kleine vochtdruppeltjes die vrijkomen bij ademen, praten, hoesten of niezen. Als in zulke druppeltjes ziekteverwekkers zitten, heeft dat grote consequenties voor hoe een ziekte zich verspreidt. Immers, zulke deeltjes zweven veel verder dan de anderhalve meter waarop het kabinet steeds wees, en blijven in een niet goed geventileerde ruimte lang rondhangen.
Bij de verspreiding van SARS-CoV-2 speelden die deeltjes nauwelijks een rol, was lange tijd de inschatting van het Outbreak Management Team (OMT), dat het kabinet adviseerde. Het virus zou zich vooral verspreiden door grotere druppels die doorgaans binnen een meter op de grond vallen (vandaar het 1,5 meter afstand houden) en door contact met besmette oppervlakken, zoals deurklinken en handen (vandaar geen handen schudden).
Maar natuurkundigen in binnen- en buitenland zagen al vroeg in de pandemie aanwijzingen dat de invloed van aerosolen wél serieus moest worden genomen: dat waren de superspreader events. Zangkoren, een restaurant, een popconcert, een bus. Tientallen voorbeelden van grote groepen besmette mensen die zich weliswaar op afstand van elkaar bevonden, maar in een slecht geventileerde ruimte.
Al in juli 2020 publiceerde hij daar met Nederlandse collega’s over in The Lancet, zegt natuurkundige Daniel Bonn, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. „Maar zowel bij de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) als bij het RIVM werd door virologen steeds gezegd dat er maar twee ziektes zijn die bewezen via aerosolen worden overgedragen: tuberculose en de mazelen.”
Bonn doet al jaren onderzoek naar aerosolen die via een neusspray medicijnen kunnen afleveren in neus, keel of longen. In de maanden na het Lancet-artikel verschenen meer onderzoeken. Philomena Bluyssen, binnenklimaatspecialist van de TU Delft, liet zien dat aerosolen zich verder verspreiden dan anderhalve meter. Epidemioloog Mariëtte Lokate van het Universitair Medisch Centrum Groningen toonde aan dat die aerosolen virusdeeltjes kunnen bevatten. Toch kreeg Bonn steeds te horen dat er geen bewijs is dat patiënten via aerosolen daadwerkelijk besmet raakten met covid. „Een vreemd argument, want we weten van niemand écht zeker hoe ze besmet zijn geraakt. De andere twee routes, aanraking en grote druppels, berusten ook op aannames.”
Wat de discussie niet hielp, was dat opiniepeiler en geograaf Maurice de Hond zich vanaf het prille begin opwierp als dé verdediger van de aerosolentheorie. Aan talkshowtafels verkondigde hij luidkeels het belang van ventileren en de nutteloosheid van het afstand houden. Over de aerosolen had de opiniepeiler in de kern gelijk, zeggen deskundigen nu, maar hij schoot door in zijn conclusies. „De Hond heeft de discussie misschien op scherp gezet door zich er als burger tegenaan te bemoeien”, zegt Bonn. „Maar de virologen luisterden ook niet naar natuurkundigen, die echt verstand hebben hoe deeltjes zich verspreiden.”
In juli 2021 stuurde Bonn samen met een groep van 20 wetenschappers een brief naar het kabinet met de oproep het ventileren serieuzer te nemen. Een maand later verscheen opeens dat nieuwe icoontje op de katheder. Internationaal was dat advies toen al maandenlang omarmd door de WHO en het Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC), net als in een aantal omringende landen. In België luidde het overheidsadvies om in elke ruimte een CO2-melder op te hangen – als indicator voor de mate van ventilatie. Het RIVM nam het advies in de loop van de tijd over op de site, maar zonder daar veel ruchtbaarheid aan te geven.
De aerosolentheorie heeft ook consequenties voor die andere stekelige discussie, die over het nut van mondkapjes. Bonn: „Een goed FFP2-mondmasker is uiteindelijk de beste bescherming tegen besmetting door aerosolen. Dat het RIVM daar in het begin niet aan wilde door tekorten, dat begrijp ik. Maar maandenlang volhouden dat mondkapjes geen bescherming bieden, dat is je publiek voorliegen.”
Om goed voorbereid te zijn op een nieuwe pandemie moet er nog meer onderzoek naar komen, vindt Bonn. „Het zou heel goed kunnen dat veel meer ziekteverwekkers dan we nu weten zich verspreiden via aerosolen. Maar voor zover ik weet zijn er weinig mensen die daar onderzoek naar doen.” Als natuurkundige kan Bonn niet met virussen werken. Hij kan uitrekenen hoeveel virusdeeltjes er in een milliliter speeksel zitten, maar dat is wat anders dan begrijpen waarom bepaalde virussen wél door de lucht worden overgedragen en andere niet. „Daar heb je een viruslab met virologen voor nodig.”
Tot op heden is die brug tussen virologie en natuurkunde in onderzoek aar aerosolen niet écht gelegd, zegt Bonn. „Er is nauwelijks iets veranderd na corona. Het is een lange en moeilijke strijd geweest, waarvan ik niet het gevoel heb dat we die gewonnen hebben. Het gaat er tijdens de coronaverhoren wéér niet over.” (KS)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15094259/180626WET_2034362708_paraplu.jpg)
Tienduizenden mensen protesteren in Amsterdam tegen coronamaatregelen, september 2021.
Foto Bram PetraeusMedia
Alternatieve media kregen een geweldige boost – net als complotdenken
Voor wie de media, overheid of wetenschap toch al wantrouwde was corona de perfect storm. Alles kwam erin samen: een onzichtbaar virus met enorme gevolgen, ingrepen in het dagelijks leven, onvrijwillig thuis zitten, de explosie van sociale media en: de beschikbaarheid van nieuwe technologie om eigen kanalen te openen.
De Andere Krant, Gezond Verstand, blckbx-tv en de YouTube-kanalen Café Weltschmerz en De Nieuwe Wereld, sommige bestonden al maar allemaal kregen ze een boost van Covid-19. Ook na de pandemie zijn ze gebleven: het format van scepsis en argwaan bleek even goed toe te passen op stikstof, asiel of de oorlog in Oekraïne.
Zo is een alternatief media-ecosysteem ontstaan dat in Nederland nog onbekend was, een journalistieke en intellectuele contracultuur die zich richt tegen de gevestigde orde of ‘het systeem’. Veelal online, maar De Andere Krant en Gezond verstand liggen bij de Bruna in de schappen, tussen de opiniebladen. Het YouTube-kanaal De Nieuwe Wereld van de filosoof Ad Verbrugge tikte recent de 150.000ste volger aan. Het kanaal leeft van betalende leden, donaties en advertenties.
Er zijn flinke onderlinge verschillen. De Andere Krant (13.500 betalende abonnees, laat de uitgever weten, waarvan 2000 alleen digitaal) begon in 2018 als een ouderwetse krant met interviews, rubrieken en columns. De inhoud (slogan: „Want er is meer aan de hand”) ademt een sfeer van ecologische filosofie en spiritualiteit, geopolitiek complotdenken light en pacifisme. Met veel aandacht voor (alternatieve) gezondheid en voeding en zelfs vakantietips voor de lezersschare van „maatschappijcritici”, „levensgenieters” en „creatievelingen”.
Bij het tweewekelijkse Gezond Verstand, in 2020 begonnen door oud-NRC Handelsblad-correspondent in Azië Karel van Wolferen, gaat het er een stuk ruiger aan toe. Het blad heeft ook een webshop, lezersdagen en een YouTube-kanaal waar de hoofdredacteur, soms geplaagd door hoest, zijn eigen essays voorleest. Die schilderen een nachtmerriewereld met een ‘globalistsiche’ elite die moord pleegt op de wereldbevolking.
Ook in Nederland. Tijdens de misdadige „machtsgreep” die de pandemie volgens hem was, voorspelde Van Wolferen dat de sterfte „het dodental van de Tweede Wereldoorlog in verregaande mate zal gaan overtreffen” (hij voorspelde ook dat Poetin de „interventie” in Oekraïne snel zou winnen en hekelde de „hersenloze en haatdragende reacties tegen Rusland”). Geregeld kapittelt Van Wolferen ook andere „wakkere” media die niet genoeg oog hebben voor „het verschrikkelijke” dat zich wereldwijd voltrekt. Zijn blad, zonder advertenties, heeft betalende abonnees en particuliere financiers. Een vraag via de site van het blad naar de huidige oplage bleef onbeantwoord.
Hoe breed is het bereik van dit ecosysteem? Het Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS) signaleerde eind 2025 „brede steun” voor complotachtig denken („alternatieve verklaringen”) in Nederland. Een „opvallend groot deel van de bevolking” is er gevoelig voor, vooral uit nieuwsgierigheid aldus het HCSS. Dat het klimaatprobleem wordt overdreven ten bate van een politieke agenda vindt 36 procent van ondervraagden (21 procent helemaal eens, 15 procent eens). Ook meer „esoterische” overtuigingen, zoals dat Covid-19 bewust is verspreid (8 procent helemaal eens, 5 procent eens) kunnen rekenen op steun van „substantiële minderheden”, aldus het HCSS.
Sociologen waarschuwen, al dan niet in relativistische termen, deze groep niet collectief weg te zetten als ‘wappies’. Zij wijzen op legitieme zorgen of angsten achter de argwaan. Anderen onderstrepen dat het zaaien van twijfel (‘gewoon vragen stellen’) de kern is van modern complotdenken en propaganda, en eerder een verbastering van rationele scepsis dan een uiting ervan.
Ideologisch draaien veel alternatieve media de rechts-revolutionaire kant op. Blckbx-tv geldt als spreekbuis voor het anti-systeem-gedachtengoed van Forum voor Democratie, Thierry Baudet werd door Van Wolferen ontvangen in het YouTube-kanaal van Gezond Verstand. Een beschaafd-reactionaire wind waait bij het beschouwelijke De Nieuwe Wereld, met briesjes van complotdenken. Met „verdiepende” gesprekken verkent oprichter Verbrugge, een Hegel-kenner die is opgeschoven naar een Spengleriaanse fascinatie met de opkomst, neergang en „ziel” van culturen, de geopolitieke verschuivingen. In zijn voordrachten is hij steevast diep verontrust, al hoopt hij op nieuwe „bezieling”, en hekelt hij de ‘westerse’ berichtgeving over Poetin en Rusland. (SdJ)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/16101346/180626WET_2034362708_ic2.jpg)
De intensive care voor covidpatiënten in het ZGT ziekenhuis in Almelo, eind oktober 2021.
Foto Kees van de VeenSARS-CoV-2
Sterk bewijs ontbreekt voor de oorsprong van het virus
De bron van het coronavirus (SARS-CoV-2) is ruim vijf jaar na het begin van de pandemie in Wuhan nog altijd niet gevonden. In hoofdzaak strijden twee mogelijke scenario’s om definitieve erkenning als feitelijke oorzaak van de uitbraak van het virus. Beide scenario’s draaien om de hamvraag hoe het nieuwe coronavirus in de miljoenenstad Wuhan belandde, want het natuurlijke reservoir van de meest verwante coronavirussen zit in wilde hoefijzerneuzen, vleermuizen die veel zuidelijker voorkomen – in China, maar ook in Laos en Vietnam.
Duidelijk is dat eerste grote uitbraak van corona zich in december 2019 voordeed onder bezoekers en handelaren van de Huanan Seafood Market, een overdekte marktplaats in het centrum van Wuhan waar ook levende dieren werden verhandeld. Die omstandigheid vormt de basis voor het scenario dat het vleermuisvirus via een dier als tussengastheer uiteindelijk de mens besmette. Er is bewijs dat diverse diersoorten die vatbaar zijn voor corona, waaronder wasbeerhonden en dassen, illegaal verhandeld werden op de Huanan-markt. De slechte hygiënische omstandigheden en de gebrekkige ventilatie zouden ideale omstandigheden hebben gecreëerd voor het overspringen van het virus naar de mens.
Dat scenario echoot de gang van zaken bij de uitbraak van SARS in 2002 in de Chinese provincie Guangdong. Daar konden wetenschappers achteraf de witsnorpalmroller aanwijzen als de missing link tussen het natuurlijke virusreservoir in de hoefijzerneusvleermuis en de mens. Besmette witsnorpalmrollers stonden op het menu van een restaurant, waardoor het virus kon uitbreken. Ook bij MERS, een ander gevaarlijk coronavirus, is een tussengastheer de verbinding tussen het natuurlijk reservoir in een vleermuis en de mens. In dit geval zijn het kamelen.
Maar zulk sterk epidemiologisch bewijs van de oorsprong ontbreekt voor SARS-CoV-2. Veel belangrijk bewijs van hoe het virus zich in de eerste dagen verspreidde is verloren gegaan, waardoor het lastig is achteraf nog een diepgravende reconstructie te maken. Dat begon al met de abrupte sluiting van de Huanan Seafood Market in het centrum van Wuhan, op Nieuwjaarsdag 2020, nadat gebleken was dat op die plek veel mensen besmet raakten met de toen nog mysterieuze ziekte die ernstige longontsteking veroorzaakte. Het was een poging om de virusuitbraak in de kiem te smoren. Er zijn op die markt beperkt biologische monsters verzameld voordat het gebouw enkele maanden later geheel ontruimd en ontsmet werd. Het leverde genetisch bewijs op dat het coronavirus er wijd verspreid was en dat er potentieel gevoelige diersoorten zoals de wasbeerhond op de markt aanwezig waren. Maar geen enkele van de 457 monsters die van dieren kwamen testte positief. Dat betekent dat helaas niet te zeggen is of deze dieren wel besmet waren en of de infectie vanuit deze bron naar de mens kwam, of wellicht andersom. Het forensisch onderzoek naar de bron loopt hier verder dood, omdat in de paniek van de uitbraak ook alle ketens van toeleveranciers van wilde dieren zijn opgedoekt.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/16120951/180626WET_2034362708_wuhan.jpg)
Een combinatiefoto van de markt in Wuhan waar het coronavirus werd verspreid. Op de bovenste foto staat een politieagent voor het marktgebouw op 24 januari 2020, een dag nadat Wuhan op slot ging. Op de onderste foto hetzelfde gebouw op 21 december 2024.
Foto’s Hector Retamal/AFPHet uitblijven van hard bewijs in het biologisch plausibele scenario dat wilde dieren het virus overbrachten, heeft extra voeding gegeven aan de concurrerende theorie dat SARS-CoV-2 uit een laboratorium zou zijn ontsnapt. Daar zijn geen directe aanwijzingen voor maar wel ‘verdachte omstandigheden’. In Wuhan zetelt namelijk ook het virologisch laboratorium van onderzoeker Shi Zhengli, die gespecialiseerd is in de studie van SARS-achtige coronavirussen in wilde vleermuispopulaties. Zij en haar team verzamelden jarenlang regelmatig virusmonsters in het zuiden van China, om die in het lab in Wuhan verder te onderzoeken. In een interview met Scientific American vertelde Shi dat ze in eerste instantie ook de koude rillingen kreeg van de mogelijkheid dat het virus uit haar lab was ontsnapt, maar dat genetisch onderzoek dat tot haar grote opluchting kon ontzenuwen.
Maar de verdenking hield niet op. In 2004 bleek het gevaarlijke SARS-virus tot twee keer toe gelekt uit een laboratorium in Beijing waarna het vervolgens in de doofpot werd gestopt, dus wie zou kunnen garanderen dat het niet opnieuw was gebeurd. Uit eerdere wetenschappelijke publicaties van Shi bleek ook dat haar onderzoek niet onder het strengste veiligheidsregime werd uitgevoerd.
Er kwamen zelfs hardnekkige geruchten op gang dat China in het laboratorium coronavirussen had bewerkt om ze extra besmettelijk te maken voor mensen. Dat zou in het geavanceerde BSL4-laboratorium zijn gebeurd, dat eveneens in Wuhan staat. Een van de aanwijzingen daarvoor kwam van een gelekt onderzoeksvoorstel van Chinese en Amerikaanse onderzoekers uit 2018 waarin ze onder meer beschrijven hoe ze genetisch veranderde coronavirussen willen maken. Maar dat onderzoek is nooit uitgevoerd. Bovendien wijst genetische analyse van SARS-CoV-2 erop dat er niets „buitennatuurlijks” aan dit virus is.
Alles bij elkaar is het onderzoek naar de bron van het virus niet veel verder gekomen dan de conclusies van een internationaal onderzoekscomité van de Wereldgezondheidsorganisatie in april 2021. Dat beoordeelde introductie via een wild dier als „waarschijnlijk tot zeer waarschijnlijk” en een laboratoriumongeluk als „onwaarschijnlijk”. Hoewel de scenario’s niet gelijkwaardig zijn in gewicht, is het bij gebrek aan verdere kennis toch niet mogelijk een van de twee af te strepen. (SV)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/15134316/180626WET_2034362708_mondkapjes.jpg)
Gebruikte mondmaskers in een ‘vieze ruimte’ van het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch, april 2020.
Foto Ilvy Njiokiktjien










English (US) ·