Waar ik fout zat: mijn stondpunt

2 uren geleden 1

Elk jaar voor de zomer stel ik mezelf de vraag: waar zat ik fout? Heb ik een standpunt ingenomen dat ik bij nader inzien wil verlaten? Taalkundige Wim Daniëls bedacht er een prachtig woord voor: stondpunt.

Met dat ritueel probeer ik tegen de confirmation bias in mijn eigen brein te strijden: de menselijke neiging om informatie te negeren die in tegenspraak is met onze overtuigingen. Om te ontdekken dat er kleppen op je ogen zitten moet je actief op zoek naar andere gezichtspunten. En je met open geest afvragen: zit hier wat in? Want oogkleppen en goede journalistiek gaan niet samen.

Dus waar zat ik fout? Ik las mijn columns van het afgelopen jaar terug en vond geen stondpunt. Wel een afdronk die me niet zint. Ik geef een dubbelhartige boodschap af over de overheid.

Uit veel van mijn columns zou je kunnen concluderen dat ik voor een grote interventionistische overheid ben. Regelmatig som ik een waslijst op met opdrachten voor het kabinet.

„Man, het is zoveel”, schreef ik in juni. „Als Nederland een huis was, dan is er een probleem met de fundering, de pijpleidingen en bedrading, het dak en de kozijnen terwijl een langdurige storm opsteekt.” Er moeten woningen gebouwd, het stroomnet verzwaard, een sterkere krijgsmacht uit de grond gestampt. De landbouw en de industrie moeten met slimme overheidshulp milieu- en klimaatvriendelijker worden. Europa moet minder kwetsbaar worden voor economische chantage vanuit de VS en China. En dat moet allemaal vanuit de overheid worden aangejaagd.

Ook praat ik vaak politieke partijen moed in en zeg ik dat ze niet zo bang hoeven te zijn om het bedrijfsleven grenzen op te leggen. De economie kan best wat stevig beleid gebruiken, bijvoorbeeld om de uitstoot van stikstof en broeikasgas of de slechte behandeling van arbeidsmigranten te beteugelen. De overheid stuurt eerder te weinig dan te veel, suste ik in september de zorgen over het volgens bedrijvenclubs slechte Nederlandse ondernemersklimaat.

Maar ik verkondig óók vaak een heel ander geluid: dat de economie zichzelf wel redt. Dat de veerkracht van de samenleving groot is, en de overheid tijdens grote crises zoals de coronacrisis eerder te veel dan te weinig stut. Dat politieke partijen en kabinetten minder zouden moeten beloven, bescheidener moeten zijn. En dat de rijksoverheid wel erg hard is gegroeid: in Nederland zijn arbeidskrachten schaars en moet de overheid toe kunnen met minder rijksambtenaren.

Wat wil ik nou?

Dus ja, wat wil ik nou? Een kleinere overheid, die meer begrenst, minder belooft én meer doet. Uuhhh. Logisch klinkt het niet. En omdat ik vaker betoog dat kabinetten moeten ingrijpen dan bescheiden zijn, kan ik me voorstellen dat uw afdronk is dat ik voor een veel grotere overheid ben.

Eerlijk gezegd ben ik dat niet. Er zit veel vindingrijkheid in de samenleving zelf, markten zijn wonderlijk veerkrachtige plekken vol oplossingen, en sommige problemen zijn gebaat bij minder overheidsbemoeienis.

De wooncrisis bijvoorbeeld. Er is een enorm arsenaal aan overheidssteun en toch wordt het probleem eerder groter dan kleiner. De sociale huursector is in Nederland uitzonderlijk groot, net als de belastingvoordelen voor huizenbezitters. De laatste jaren is de overheid zich óók nog eens meer gaan bemoeien met de relatief kleine vrije huursector.

Het resultaat: wie geen huis heeft, komt er steeds moeilijker tussen. De bestaande woonruimte wordt scheef verdeeld en nieuwe woningen realiseren is onaantrekkelijk. Minder belastingvoordeel voor huizenbezitters en meer vrijheid op de huurmarkt zouden helpen.

Kabinetten zouden zich net zo gepassioneerd moeten herbezinnen op wat de overheid minder kan doen als op wat er extra moet gebeuren.

Ik hoorde een mooi pleidooi van bestuurskundige Paul Frissen, decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, in De Ongelooflijke Podcast. Ambtenaren en politici zouden zich vaker moeten afvragen: kan de samenleving het zelf? En als dat niet zo is, komt dat dan misschien door decennialang overheidsbeleid? Ga dan eerst maar eens werken aan zorgvuldig afbouwen van dat beleid, oppert Frissen.

Maar regels opschonen of bemoeienis terugdraaien is moeilijk. Kabinetten houden van nieuwe daden. Kijk maar naar het toeslagenstelsel. In 2019 stemden alle 150 Kamerleden voor afschaffing. Het stelsel is er nog steeds.

De Nederlandse economie barst uit zijn voegen. De politiek moet een compromis uitonderhandelen

Waarom schrijf ik dan toch zo vaak op dat kabinetten méér moeten doen? Omdat de opdracht voor de overheid wel degelijk groot is en uiteen valt in vier delen.

Eén: het opschonen van overheidshulp die niet helpt (dat is óók wat doen). Twee: achterstallig onderhoud aanpakken (onderwijs, infrastructuur). Drie: nieuwe taken vervullen, zoals nadenken over de buffer die Europa nodig heeft in uiterste nood. Vier: de strijd om de ruimte beslechten.

Die vierde opdracht maakt mijn boodschap over de overheid uiteindelijk minder dubbelhartig dan die lijkt. De Nederlandse economie barst uit zijn voegen: er is een tekort aan personeel, stroom en ruimte. De politiek moet een compromis uitonderhandelen om die strijd te beslechten: wie mag zich groot maken en wie in moet schikken?

Mij lijkt een goeie leidraad bij dat compromis: laat bedrijven inschikken die veel fysieke, ecologische en maatschappelijke ruimte innemen zonder daarvoor de kosten te dragen. Bijvoorbeeld bedrijven die arbeidsmigranten inhuren zonder dat er behoorlijke woonruimte is. Dat vraagt niet per se om een grotere overheid, wel om een kabinet dat die strijd beslecht en krachtig intervenieert door de maatschappelijke kosten die bedrijven veroorzaken bij ze in rekening te brengen.

Lees het hele artikel