Zestig Turkse sollicitanten doen in 1969 een test. Met behulp van een orderbriefje en een mandje doorlopen ze een proefronde als orderpicker in een distributiecentrum. Een wervingsteam van Albert Heijn is naar Turkije gekomen met een maquette van het allereerste AH-distributiecentrum. Ze hebben het verzamelsysteem van het distributiecentrum op kleine schaal nagebouwd.
„In plaats van de kaas en de cornflakes lagen er kleine voorwerpen als paperclips en potloden die in het mandje moesten”, vertelt historicus Rosa Kösters. „Dat moesten de grote, verpakte goederen voorstellen. Op het orderbriefje stond hoeveel paperclips en potloden er in het mandje moesten.” Het wervingsteam beoordeelt wie het mandje het secuurst en snelst heeft gevuld. Dertig sollicitanten krijgen een contract aangeboden. Een jaar later wonen en werken ze in Zaandam.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/25080554/250326ECO_2032364375_1.jpg)
Medewerkers van Albert Heijn in de ontmoetingsruimte van de Dienstenbonden FNV in maart 1980.
Foto Coen Borgsteede, Collectie IISGAlbert Heijn leunt al sinds de opening van zijn allereerste distributiecentrum, eind jaren zestig, op arbeidsmigranten. Hun inzet is geen tijdelijke oplossing voor krapte op de arbeidsmarkt, zoals vaak gezegd wordt, maar een structureel onderdeel van het bedrijfsmodel van moederconcern Ahold.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/25080701/250326ECO_2032364375_rosa.jpg)
Rosa Kösters: „Ook als je winst maakt, kun je nadenken over hoe je met mensen omgaat.”
Foto Monique KooijmansDat schrijft Kösters in haar proefschrift over zelforganisatie van arbeidsmigranten bij Ahold en andere bedrijven, waarop ze afgelopen donderdag promoveerde. Ze deed daarvoor onderzoek in de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en dook in jaargangen van kranten, vakbondsarchieven, jaarverslagen en personeelsbladen van Ahold. Ze sprak niet met mensen van Albert Heijn zelf en maakte geen gebruik van het bedrijfsarchief. Het ging Kösters om het perspectief van werknemers, waar volgens haar genoeg bronnen voor waren buiten het archief van Albert Heijn.
Wat zegt het over Albert Heijn dat arbeidsmigranten structureel deel uitmaken van het bedrijfsmodel?
„Het eerste moderne distributiecentrum dat Albert Heijn heeft opgetuigd, in Zaandam, was er al op ingericht om laagbetaalde arbeidskrachten zwaar werk te laten doen. Vrijwel meteen kwamen er arbeidsmigranten te werken die zichzelf bij de poort van het distributiecentrum meldden voor werk. Enkele jaren na de opening is dat wervingsteam naar Turkije vertrokken om personeel te zoeken.
Veel arbeidsmigranten woonden in een oude school die Albert Heijn had omgebouwd tot grootschalige woonlocatie, genaamd AHAtürk
„In het eerste distributiecentrum bestond 30 tot 40 procent van het personeel uit arbeidsmigranten, vooral uit Turkije en Marokko. Dat de meeste Nederlanders dat type werk niet wilden doen, wist Albert Heijn toen al. Dus koos het bedrijf er destijds duidelijk voor het werk in het distributiecentrum zo in te richten dat het vooral aantrekkelijk was voor arbeidskrachten uit het buitenland. Die wilden hogere lonen verdienen dan in hun thuisland mogelijk was en vonden het daarom minder erg om zwaar werk te doen. Het werk in het distributiecentrum moest van Ahold ’s nachts gedaan kunnen worden en moest zo goedkoop en flexibel mogelijk zijn. Puur vanuit de intentie om zo veel mogelijk winst te maken.”
Is het een schande om als bedrijf winst te willen maken?
„Nee, maar ook als je winst maakt, kun je nadenken over hoe je met mensen omgaat.”
Gebeurde dat niet voldoende?
„Een van de Turkse werknemers uit die tijd, Cezmi Celik, moest na twee jaar werken in het distributiecentrum geopereerd worden aan zijn rug. Hij was geen uitzondering. Het werk was fysiek zwaar. Medewerkers moesten veel tillen en kregen na verloop van tijd rugklachten.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/25131308/260326ECO_2032364375_4.jpg)
Een distributiecentrum van Ahold in Zaandam.
Foto ANP„De werktijden waren onregelmatig. Vaak moesten werknemers afwisselend in dag- en nachtdiensten werken. Dat maakte het ook moeilijker om onderdeel te worden van de Nederlandse samenleving. Aanvankelijk was het idee natuurlijk dat deze arbeidskrachten terug zouden keren naar hun land van herkomst, maar lang niet iedereen wilde dat. Sommigen wilden heel graag de Nederlandse taal leren. Albert Heijn bood wel taallessen aan, maar door de onregelmatige roosters was het bijna onmogelijk daar structureel aan mee te doen.
„Daarnaast woonden veel arbeidsmigranten in een oude school die Albert Heijn had omgebouwd tot grootschalige woonlocatie, genaamd AHAtürk. Een afkorting van de naam Albert Heijn en de Turkse leider Atatürk. Dat was ergens afgelegen, aan de rand van de stad. Bezoek van buitenaf mocht niet mee-eten of daar blijven logeren. Zo bleven de arbeidsmigranten vooral in hun eigen bubbel.”
Dit doet denken aan de huidige situatie van veel arbeidsmigranten in Nederland.
„Ja, de geschiedenis toont veel parallellen met het heden. Ook nu zijn veel arbeidsmigranten voor hun woonruimte afhankelijk van hun werkgever. Het werk in het distributiecentrum lijkt ook nog erg op hoe het vroeger was. Daarvoor heb ik me verdiept in recente studies en werk van journalisten die in distributiecentra hebben meegelopen. Nog steeds doen arbeidsmigranten daar fysiek zwaar werk in onregelmatige diensten.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/25080618/250326ECO_2032364375_2.jpg)
Arbeidsmigranten staan buiten de poort van het Albert Heijn-distributiecentrum in Zaandam tijdens een staking in maart 1980.
Foto Coen Borgsteede, Collectie IISG„De baanonzekerheid is bovendien alleen maar groter geworden. In de beginjaren van het distributiecentrum in Zaandam kregen arbeidsmigranten na één jaarcontract een vast contract. Nederlanders kregen dat destijds al na twee of drie maanden. Maar je ziet nu dat een groot deel van de medewerkers in de distributiecentra van Ahold uitzendkracht is. Voor hen duurt het veel langer om een vast contract te krijgen. Wat dat betreft is de situatie alleen maar achteruitgegaan.”
Uit uw proefschrift blijkt dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt veel eerder begon dan vaak wordt gedacht. In de supermarkten van Albert Heijn vond de omslag van vaste naar tijdelijke deeltijdcontracten al begin jaren zestig plaats. Wat zegt dat over de Nederlandse economie?
„Er wordt vaak gedacht dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de jaren negentig begon en dat die werd ingeluid door keuzes van de overheid. Maar mijn onderzoek laat zien dat bedrijven hierin al een veel grotere rol speelden. Albert Heijn was een voorloper als het gaat om de inzet van flexibele arbeid. Dat maakte het voor het bedrijf makkelijker om mee te bewegen met de pieken en dalen in het ritme van de supermarkt.
„Tegenwoordig zijn er politici die zeggen dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt is doorgeslagen. Dat dit fenomeen veel verder teruggaat dan vaak gedacht, laat zien hoe diep de flexibilisering verankerd is in de Nederlandse economie. Als je daar iets aan wilt doen, zijn er serieuze maatregelen nodig. Voor distributiecentra kun je denken aan een maximumaantal flexibele contracten. En de overheid zou via wet- en regelgeving betere arbeidsomstandigheden voor uitzendkrachten moeten afdwingen.”


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/29125553/290326VER_2032630528_NVM3.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/29112937/290326VER_2032583807_Boomkorvissers.jpg)
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data146139530-ac3b9f.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/24203830/260326SPO_2032176429_1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/26191933/260326VER_2032615490_GRok.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/26203836/260326VER_2032616455_Gorinchem.jpg)
English (US) ·