Bewoners van Heijplaat zijn klaar met overlast van afvalverwerker: ‘Ze moeten ons net zo irritant vinden als wij die vliegen’

2 uren geleden 1

Het ‘Vliegenteam’ van Heijplaat overlegt eens per maand met de milieudienst, de gemeente Rotterdam en het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen, om te praten over hoe het gaat en verder moet. Al elf jaar voert het Vliegenteam strijd tegen de vliegenplaag die het voormalige tuindorp teistert en de veroorzaker daarvan: afvalverwerkingsbedrijf N+P, aan het begin van de Rotterdamse wijk. „Ons woongenot is naar de knoppen, maar ik wil en ga niet vluchten voor de vliegen.”

In het huis van Rinus Groen (68), de voorman van het vliegenverzet, hangen diverse plakstrips met daarop de insecten die „dom genoeg” waren om juist daar te landen. Elke drie tot vier dagen hangt hij „verse” op. De rest gaat hij te lijf met zijn nieuwe vliegenmepper of de stofzuiger. „Het is een strijd die je nooit wint, je krijgt ze nooit allemaal te pakken.” Hij zucht en wijst naar de witte vliegenpoepjes op het raam. „Zou jij nog mensen thuis uitnodigen?”

Warme weersverwachtingen worden op Heijplaat met weerzin ontvangen: meer warmte, meer vliegen. De laatste weken, vol hitterecords, werd de overlast weer zo erg dat de inwoners opnieuw van zich lieten horen. „Heijplaat is ziek van N+P, de vliegenfabriek”, stond in grote zwarte letters op een kartonnen bord bij de protestactie eerder deze week, voor het hek van de afvalverwerker. Aan het hek hingen ze zakken vol dode vliegen.

Heijplaat ligt als een groene oase in het havengebied van Rotterdam. De wijk, ontstaan in 1904 om huisvesting te bieden aan de arbeiders van scheepswerf de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM), is ingekapseld door de Eemhaven aan de westkant en de Waalhaven aan de oostkant. Wie er wil komen heeft twee opties: over het water of vanaf de S101 de Waalhavenweg nemen, waar aan weerszijden bergen kleurrijke containers meer dan huizenhoog staan opgestapeld.

En dan, nog geen 500 meter voor de eerste huizen, staat een grote grijze loods. De geur die eromheen hangt voelt dik en zwaar, het is moeilijk niet fysiek te reageren op de zure walm. Het is een komen en gaan van vrachtwagens waarop staat: „N+P, waste to fuel”.

„Zo zijn ze aan de vergunning gekomen”, zegt Groen. „De gemeente heeft zich niet gerealiseerd dat PMD [plastic en metalen verpakkingen en drinkpakken, red.] recyclen wel mooi klinkt, maar dat het feitelijk om ongescheiden vuilnis gaat.” Dat vuilnis komt niet uit Rotterdam zelf. Vuilniszakken uit dorpen – in Nederland en daarbuiten – worden hier gebracht. Dat afval is dan in sommige gevallen al een paar weken oud, de larven precies klaar om uit te komen bij aankomst.

En zo zitten de krap 1.900 inwoners in hun dorp van 0,39 vierkante kilometer opgescheept met geïmporteerde vliegen.

Rinus Groen (68), bewapend met een vliegenmepper en plakstrips, leidt het verzet tegen de vliegenoverlast.

Foto’s Walter Herfst

Zorgplicht?

Op tafel bij Rinus Groen ligt een dikke multomap met tabbladen in verschillende kleuren. Bovenop ligt een notitieboekje: „Vliegenteam vergaderingen”. Buiten zitten is geen optie, zegt hij verontschuldigend. „Op Heijplaat zit niemand meer buiten. We leven binnen en zelfs daar ervaren we stress door de vliegen.”

Is er naar ons toe geen zorgplicht, vraagt hij zich af. Hij woont hier sinds zijn achttiende, heeft hier zijn zussen en neefjes en nichtjes, alles eigenlijk. Op Heijplaat was hij gelukkig, heel erg zelfs. Juist in dit koophuis aan de rand van het dorp, waar hij en zijn vrouw hun dochter hebben opgevoed. Tot elf jaar geleden, toen de afvalverwerker kwam en de stank en de vliegen volgden. „Een bedrijf als dit kán niet zo dicht bij een woonwijk staan.” Stoppen is de enige optie, zegt hij. Daar zet hij zich al die jaren al voor in. Maar, had hij ze vlak voor zijn pensionering gewaarschuwd: „Als ik met pensioen ben, dan ga ik écht in jullie darmen zitten.”

Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet voorkomen worden

In aanloop naar het gesprek heeft hij een hele rits documenten op de mail gezet. De vergunningsaanvraag van SITA, de voorloper van N+P. In die vergunning staat: „Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet voorkomen worden.” Groen stuurt zijn persoonlijke communicatie met Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond en het 79 pagina’s tellende procesdossier over een „aanvulling op het beheersplan”. Hij stuurt een rechterlijke uitspraak, waarin gesteld wordt dat een „inspanningsverplichting” om ongedierte tegen te gaan „geen resultaatsverplichting” is. Wél erkent de rechtbank dat er inderdaad een vliegenprobleem is.

Ze nemen die conclusie over van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD). Na járen onderzoek (eerst vooral naar de kleine kamervlieg, dan de aas- en vleesvliegen om uiteindelijk uit te komen bij de gewone huisvlieg) zien zij inderdaad dat er „structureel sprake is” van veel meer vliegen dan elders in Rotterdam. Twee keer zoveel aas- en vleesvliegen. Twintig keer zoveel gewone huisvliegen. Rinus Groen haalt zijn schouders op. „Wat maakt het mij nou weer uit wat de soort is? Ik hoef geen namen en rugnummers, ik wil dat ze met minder zijn. Iedereen weet dat het zo is, maar er gebeurt niks.”

‘Zo lek als een vergiet’

Hij voert gesprekken met de gemeente, gedeputeerden, de burgemeester, wie hem maar te woord wil staan. Oók met de afvalverwerker zelf, die blijft benadrukken dat ze de toegangsdeuren minder en korter openen. Dit jaar is Groen al twee keer langs geweest. Tijdens zijn bezoeken ziet hij tal van overtredingen. Zo mailt hij DCMR met de vraag wat het voor zin heeft de deuren langer dicht te houden, als de loods „zo lek als een vergiet” is? Hij beschrijft gaten en kieren zo groot „dat vogels vrijelijk het gebouw in en uit kunnen vliegen”.

Het is niet alleen Groen, die aan het begin van de wijk woont, die last en stress ervaart door de vliegen. Vera van Helden (24) werkt helemaal aan de andere kant, bij de RDM, waar het dorp ooit om begonnen is. „Het is echt erg. Zelfs hier.” Hele zwermen stijgen op uit bosjes tijdens haar lunchwandelingen, vertelt ze. „Toen deed ik zo met mijn handventilator door de zwerm.” Ze maakt een zigzaggende beweging door de lucht. „Pop-pop-pop-pop-pop”, doet ze het geluid na van vliegen die botsen met de wieken. In het geval vlieg versus ventilator wint de laatste.

In ontmoetingsplaats De Huiskamer, waar ook altijd de Vliegenbewonersbijeenkomsten plaatsvinden waar alle inwoners kunnen aanschuiven, heeft de wekelijkse Schilderclub de Schets zich verzameld. De deelnemers buitelen over elkaar heen om iets over de overlast te zeggen. Vooral Bas Baarsma (80) zit fel in de wedstrijd. „Zakken met vliegen? Doet ze niks. We moeten gewoon een keer de A15 blokkeren. Ze moeten ons net zo irritant vinden als wij die vliegen.”

Een vrachtwagen van afvalbewerkingsbedrijf N+P rijdt naar de fabriek. De loods is „zo lek als een zeef”, volgens omwonende Rinus Groen.

Foto Walter Herfst

‘Complexe materie’

De afvalverwerker zelf wil in eerste instantie niet reageren op vragen van NRC. Ze zijn „met de lokale milieudienst zeg maar in gesprek”, laat een medewerker van het hoofdkantoor weten. „Daar laten we het bij.” Maar locatiemanager Bob Schoenmaker, die net tweeënhalve maand geleden is begonnen, wil er wel iets aan toevoegen. „Het is complexe materie”, zegt hij aan de telefoon. „Maar ik kan oprecht zeggen dat we ons continu inzetten om de processen te verbeteren.” Hij betreurt de beeldvorming. „Dat doet geen recht aan onze inspanningen.” Op de suggestie van Groen dat het bedrijf hier moet stoppen en verhuizen wil hij niet reageren. „Dat is niet aan mij.”

Als ik een vlieg was, zou ik ook denken: in die vuilniszakken moet ik zijn

Hoe zit het eigenlijk met de vliegen zelf? „Vliegen willen zich gewoon voortplanten”, zegt entomoloog Aglaia Bouma. In de natuur zoeken ze rottend materiaal, mest en kadavers om van te eten en eitjes op af te zetten. Dat de vlieg hier en elders – er speelt op dit moment eenzelfde situatie in Alphen aan den Rijn – zoveel overlast veroorzaakt, is aan de mens zelf te wijten, zegt zij. „Als dit soort afval niet goed gespoeld wordt of de zakken slecht afgesloten, ruikt dat voor vliegen zó intens en zó aangenaam.” Dat kunnen ze niet weerstaan. „Als ik een vlieg was, zou ik ook denken: in die vuilniszakken moet ik zijn.”

Natuurlijk is het vervelend dat ze met zoveel door Heijplaat zwermen en dat ze met hun vieze voetjes – „ze proeven met hun poten” – op de boterham van bewoners gaan zitten, waardoor ze ook ziektes kunnen verspreiden. „Maar feit blijft dat dit cultuurvolgers zijn, en opportunisten. Waar de mens troep maakt, daar zijn zij. Als wij beter opruimen, kunnen ze zich gewoon bezighouden met hun eigen rol.” Want we moeten niet vergeten dat we de vlieg ook nodig hebben, zegt Bouma. „Zonder vliegen zaten we tot onze nek toe in de stront en moesten we constant langs kadavers laveren.”

Het gaat Groen ook niet om ‘de vlieg’ zelf, maar om de hoeveelheid. Hij laat een bijdrage lezen van zijn voormalige buurvrouw in het tijdschrift Wijplaat. „Dit was het dan…”, schrijft ze. Het is haar psychisch te veel geworden. „Ook binnen in huis ben ik continu op mijn hoede: er kan zomaar een vlieg in je glas met limonade zitten.” Ze verhuist. Aan het eind van de tekst snift Rinus. „Het raakt me nog steeds zo diep.” Dus vecht hij door. „Heijplaat moet weer veilig voelen, niemand moet hoeven vluchten voor vliegen.”

Heijplaat, omringd door de industrie en havens van Rotterdam.

Foto Walter Herfst
Lees het hele artikel