Dafne Schippers: ‘Ik hoef niet meer de hele tijd stoer te zijn’

5 uren geleden 1

Er was een tijd dat Dafne Schippers zo groot was dat NRC met uitzonderlijke randvoorwaarden akkoord ging om haar te kunnen interviewen. In het voorjaar van 2016, om precies te zijn, zo’n beetje het toppunt van haar roem. De Olympische Spelen van Rio de Janeiro kwamen eraan. Een jaar eerder, bij de WK in Beijing, werd ze de eerste Nederlandse vrouwelijke wereldkampioen atletiek ooit, op de 200 meter sprint. Op de 100 meter behaalde ze zilver.

Ze was in één klap beroemd. En dus stemde NRC in met een voorstel van Schippers’ sponsor Nike tot een ‘exclusief’ gesprek. De krant besloot de voorwaarden op te nemen in het artikel: het moest een dubbelinterview zijn met haar toenmalige coach Bart Bennema, niet langer dan 45 minuten, op het Nike-kantoor in Hilversum. Ook aanwezig: Schippers’ broer Derek, tevens haar manager, en Nike’s sport marketing manager.

Hoe anders gaat dat tien jaar later, als Schippers (33) de deur opent van haar huis in Oosterbeek. Geen entourage, geen bijzondere voorwaarden, en hoewel ze ook weer niet de hele dag heeft, neemt ze de tijd voor het gesprek en de daaropvolgende foto’s. Ze serveert thee met speculaasbrokken. Haar Australische herder Mexx ligt languit op de bank.

Natuurlijk, ze is niet langer topsporter, de storm is jaren terug al gaan liggen. Schippers stopte in 2023 na langdurig kwakkelen, vooral door rugblessures. Maar ze is ook veranderd, opener geworden. Op 5 maart verschijnt een boek over haar carrière, dat ze samen schreef met journalist, NRC-columnist en oud-wielrenner Marijn de Vries: Dafne. Mijn verhaal.

In eerste instantie had ze twijfels over een deel van het boek, zegt ze, aangeschoven aan haar lange keukentafel. „Ik dacht: wordt het niet supernegatief?” Maar je kan niet alleen „euforisch vertellen wat je gepresteerd hebt”, zegt ze nu. „Het moet ook over de worstelingen gaan.” En die waren er, ondanks – en zelfs dankzij – haar successen. Hoe slecht Schippers zich op haar dieptepunt heeft gevoeld, wist zelfs haar familie niet totdat ze het boek lazen.

Je moeder en je broer zeiden beiden dat het boek een soort verwerking was voor jou.

„Voor een deel wel. Maar ik wilde ook graag het verhaal achter mijn carrière vertellen. Ik vind het zonde dat er niks gedaan wordt met de dingen die ik heb meegemaakt.”

Je zei zelf op Instagram dat het soms wel zwaar was.

„Ja, je herbeleeft alles weer een keer. Ook het positieve, hoor. Maar je moet ook weer even door die pijn soms. Ergens is dat ook goed.”

Wat heeft het met je gedaan?

„Ik denk dat ik het veel meer heb kunnen loslaten.”

Daarbij, zegt Schippers er achteraan, voelt ze zich sowieso beter, meer zichzelf, nu ze een tijdje gestopt is. „Ik hoef niet meer de hele tijd, voor mijn gevoel, stoer te zijn, mijn muurtje op te bouwen. Ik kom nu mensen tegen die gewoon normaal met me omgaan. Ik hoef niet meer over-alert te zijn, van: wat zijn de bedoelingen, wat wil die van me? Dat heb je op een gegeven moment wel. En dat is geen fijn gevoel, dan krijg je niet snel verbinding met mensen.”

Het is een rode draad in haar verhaal. In het boek komt ze naar voren als iemand die zich vaak eenzaam voelt in de sport en geïsoleerd raakt. Iemand die zichzelf een stoer imago aanmeet, en tegelijk verdrietig kan zijn wanneer ze als onbenaderbaar wordt gezien. Ze schrijft dat ze tegenwoordig „best vaak” hoort dat ze aardiger is dan verwacht. „Zagen mensen me dan als een soort monster”, vraagt ze zich vervolgens af. „Zo erg was ik toch niet?”

In die eenzaamheid raakte Schippers eigenlijk al verzeild toen ze als vijftienjarige op Papendal ging trainen, bij het op dat moment net opgerichte atletiekprogramma. Haar talent, destijds al heel zichtbaar, wekte afgunst op, is haar inschatting. Ze hoorde er niet bij. Er was kliekjesvorming, „geniepig” gedrag. Zo vertelt Schippers in haar boek hoe ze dacht dat ze het nummer van een leuke jongen had gekregen, maar dat ze er na wekenlang berichtjes sturen achter kwam dat ‘hij’ een van de andere meiden was.

Schippers leerde zich „wapenen”, zegt ze nu. „Tegen de jaloezie, de meningen over je.” Ze was van nature al „wat ingetogen en verlegen”, maar nu trok ze zich nog meer terug. „Alleen, ik vond dat wel jammer, want ik ben een heel sociaal persoon.”

Je had het net over ‘een muurtje opbouwen’. Is dat toen begonnen?

„Ik denk het wel. Ik wilde het ook zo graag, dus ik nam de rest voor lief. Topsport is hard, dacht ik, dit hoort er dan ook bij. Maar dat hoeft niet natuurlijk.”

En tegelijkertijd, zegt ze, had ze het in die jaren óók heel erg naar haar zin. „Want ik deed wat ik het liefste deed.” Schippers begon haar atletiekcarrière als meerkampster. Bij de junioren werd ze in 2010 wereldkampioen. Twee jaar later plaatste ze zich voor de Spelen van Londen. „Alles kwam op me af, het gebeurde gewoon.” In 2013 won ze bij de WK atletiek in Moskou haar eerste medaille, brons. Ze etaleerde daar ook haar bijna grenzeloze werklust: bij de 800 meter verbeterde ze haar persoonlijk record met 8 seconden. Na de finish viel ze flauw.

In 2014 maakte Schippers een overstap naar de sprint. Dat ze daarvoor veel talent had, was duidelijk. Al een jaar later had ze dat dat historische succes, in Beijing, en dat nog wel op de zeer competitieve 100 en 200 meter. Voor de buitenwereld was het volkomen onverwacht. Het werd ook als zeer bijzonder gezien dat een witte, Europese vrouw zich kon meten met een veld van zwarte, voornamelijk Amerikaanse en Jamaicaanse sprinters.

Volgens je moeder was je tijdens je carrière het gelukkigst net vóór al het succes kwam.

„Ja, ik denk wel dat ze gelijk heeft. Maar 2015 zelf hoort er nog bij hoor.”

Dat is de grens?

„Ja, bijna wel. Het is het mooiste moment van mijn carrière, maar de consequenties, de gevolgen, dat was wel pittig.”

Het is nogal wat om in één keer zo bekend te zijn.

„Niemand kon me vertellen hoe dit werkte. Tuurlijk zijn er eerder medailles gehaald, maar zo’n ontploffing als dit, ik kan me dat niet echt bedenken.” In 2016 stelde Schippers haar broer Derek aan als manager, die met reden de bijnaam ‘Chef Nee’ kreeg.

„Er kwamen ook veel positieve dingen op mijn pad, hoor. Maar het is heel veel geweest. Ik ben niet een persoon die daar heel goed op gaat. Achteraf snap ik dat beter.”

In het boek schrijf je dat je onlangs een ADHD-diagnose hebt gekregen. Dafne heeft een grote prikkelgevoeligheid, zei je broer. En je voelt je snel gejaagd. Is dat een verklaring, denk je?

„Ja, dat. En dat ik mezelf beter heb leren kennen. Het is fijn dat ik door die ADHD-diagnose dingen begrijp. Waarom ik altijd moe was en waarom ik het moeilijker vond om er allerlei dingen naast te doen. Dat werd niet altijd begrepen. En ik snapte dat ook niet.”

Het las alsof je op een gegeven moment alleen op de baan nog echt jezelf voelde.

„Zeker, dat was mijn uitlaatklep. Ik kon gewoon heel goed mijn hoofd uitzetten en gaan. Dat is voor mij echt wel een redding geweest. Ik kon daar alles in kwijt. Maar later werd het ook een valkuil.”

Olympisch zilver

Was Schippers’ WK-succes in 2015 nog een verrassing, bij de Spelen van Rio het jaar erop waren de verwachtingen torenhoog. „De 24-jarige moet gaan doen wat sinds 1952 geen Nederlander meer lukte”, schreef NRC vlak voor aanvang, „een medaille halen op de 100 en 200 meter sprint.”

„Haha, ja dat deed je even, toch?” reageert Schippers daar nu op. Dan serieus: „In onze sport is dat niet helemaal eerlijk, vind ik. Ik bedoel: in 2015 liep ik 21,63 op de 200 meter, en Elaine Thompson 21,66. Als het andersom was geweest, had ik het dan slecht gedaan? Dat probeerde ik altijd uit te leggen, het is millimeterwerk.”

Twee dagen voor haar eerste race op de Spelen in 2016 ging het ook nog eens mis: Schippers liep een liesblessure op. Ze wilde die pijnlijke lies niet te groot maken, dus ze vertelde zelfs haar coach Bart Bennema niet hoe slecht het echt ging, beschrijft ze in het boek. En ook de pers wilde ze op afstand houden. Het leidde tot stekelige situaties in de mixed zone, was in NRC te lezen. Toen een journalist pesterig aandrong: kun je uitleggen wat er aan de hand is, anders gaan we er naar gissen, bitste Schippers terug: „Ga maar gissen”.

Uiteindelijk won ze één medaille: zilver op de 200 meter. Thompson liep haar op de laatste meters voorbij, Schippers’ befaamde eindsprint kwam niet op gang door die blessure. Na de finish gooide ze uit frustratie haar spikes weg. Tegen de pers zei ze dat ze „absoluut niet blij” was.

Eigenlijk is dat jammer, zegt ze nu. Omdat ze zo streng was voor zichzelf, zei dat ze alleen voor goud kwam, geen volledige openheid gaf over hoeveel last ze had van die lies, was de teneur al snel dat het was mislukt. „Terwijl ik zilver had, eigenlijk belachelijk gezien de omstandigheden.”

Tegelijkertijd werd je ook op het schild gehesen. Een sportvrouw pur sang, die met schoenen gooit omdat ze geen eerste wordt.

„Haha, ja.”

Maar jij relativeert dat in het boek.

„Ja, het ging me er niet per se om dat ik geen goud had gewonnen. Het was meer dat alle spanning eruit kwam. Het was zo’n strijd. Jezelf voor de gek houden, anderen voor de gek houden, om toch te kunnen presteren.”

Een bikkelhard regime

Achteraf gezien, zo leest het, was ‘Rio’ ergens het begin van het einde. Niet lang daarna wisselde Schippers van coach, ze ging trainen onder het bikkelharde regime van de Amerikaan Rana Reider. Alleen, zegt ze zelf, had Schippers helemaal geen bikkelharde coach nodig. Dat was ze al voor zichzelf. Zo ging haar trainingsdrang tegen haar werken.

Daarbij, schrijft Schippers, zonderde Reider haar af van de trainingsgroep, op één trainingsmaatje na, zodat er „niet te veel prikkels” waren en ze „veel aandacht” kreeg. Ook van haar familie, met wie ze heel hecht is, dreef ze een beetje weg. Zij wilde hen niet lastig vallen met haar ellende.

Op de WK van 2017 werd Schippers, met ook al brons op zak van de 100 meter, na een tactisch sterke race wel opnieuw wereldkampioen op de 200 meter sprint. Maar de lol was eraf.

Er werd gezegd: Schippers heeft met Reider de goede keuze gemaakt, want ze is weer wereldkampioen. Maar jij voelde je heel slecht.

„Ik had goud, dus het moest wel goed zijn. Presteren zegt niet altijd alles. Daar ben ik een goed voorbeeld van. Wij lijken wel robots soms, maar je moet je blijven bedenken: er zit een mens achter.”

Schippers beschrijft hoe ze langzaam overtraind raakte, hoe Reider bleef ontkennen dat er iets niet goed ging, hoe er steeds maar weer bloed geprikt werd om te onderzoeken waarom ze geen ‘progressie’ maakte. Fysiek is ze er na deze periode, naar eigen zeggen, nooit meer helemaal bovenop gekomen.

foto’s Kees van de Veen

Het viel me op dat er ook passiviteit in je was geslopen. Je grijpt niet in.

„Dat lukte me niet. Het was makkelijker te doen wat iemand zei. We gaan nu trainen, oké. Dit is het dieet, oké. Zoveel uur slapen, nou ik ben nooit een goede slaper geweest, dus dat was altijd een punt. Ik kwam thuis, ik was kapot. Het was een loop. Een overlevingsloop.”

Over die overtraindheid heeft ze later wel gesproken, toen ze weer terug was bij Bennema. Maar in het boek beschrijft ze dat ze ook mentaal aan de grond zat. Toen ze in 2017 op een trainingskamp in Barcelona in haar huurauto zat, dacht ze: ik hoop dat ik niets „impulsiefs” ga doen. Ze ging dwangmatig wandelen, „zodat ik mezelf niks kon aandoen”.

Had je de gedachte van: als het op zou houden, zou dat wel fijn zijn?

„Ja, ergens wel.”

Je stuurt dan een noodkreet aan Rana Reider, schrijf je. Dat je „eindeloos” door de stad loopt, en dat je gedachten met je „aan de haal” gaan. Hij reageert daar niet op, zeg je in het boek.

„Dan denk je: ik trek me verder terug. Niemand wil me helpen.”

Hoe was het om dit op te schrijven?

„Het is even geleden. Ik weet nu dat je echt wel kunt praten met mensen. Alleen, dat heb ik moeten leren, want voor mijn gevoel is het vroeger tegen me gebruikt. Maar voor anderen was dit pittig om te lezen. Mijn familie wist dit niet.”

Aan de andere kant hebben veel mensen dit soort gevoelens weleens. Er wordt alleen weinig over gepraat.

„Door mijn verhaal te vertellen hoop ik ook dat mensen het herkennen en eerder aan de bel trekken. Zoek professionele hulp, al moet ik ook zeggen dat ik daar zelf op dat moment niet voor open stond.”

Je hebt enorm diep gezeten. Hoe ben je daar uitgekomen?

„Ja, door mijn hond. Zo ben ik eruit gekomen.” Haar moeder stelde ergens in 2017 voor om een hond te nemen. Dat werd Sammie, net als Mexx een Australische herder.

„Toen kwam ik uit die loop van alleen maar sporten, sporten, sporten, niet meer voelen, niet meer denken. Ik moest opeens zorgen voor een klein beestje. En ik vind het fijn om te zorgen. Dus dat heeft de juiste dingen aangejaagd. Dat beest was zo gestoord, daar moest ik om lachen. En ik had heel lang geen emoties gehad. Je moet ook de deur uit, dan heb je kleine praatjes met mensen. Het heeft me geholpen om weer tot leven te komen.”

Precies dan belt, heel toevallig, de uitlaatservice. „Ik gooi Mexx even naar buiten”, zegt ze. Die gaat met twaalf andere honden het bos in.

Als ze terugkomt, zegt Schippers hoe lief ze dat voorstel van haar moeder vond en dat het daarna al vrij snel een stuk beter ging. „Maar toen gebeurde het ongeluk natuurlijk.”

Sammie kwam onder de trein, vlak bij Schippers’ huis, bij een stuk spoor dat even later omheind werd omdat er in korte tijd meerdere honden waren doodgereden. Maar ze kon dat verlies dragen, zegt ze, juist omdat Sammie er was geweest. „Ze had me al zover geholpen.”

Toen Schippers er weer bovenop krabbelde, schrijft ze, ging ze meer om zich heen kijken. Ze merkte dat ze vond dat het klimaat op Papendal verder verhard was onder hoofdcoach Charles van Commenée. Het plezier was „eruit gefilterd”, schrijft ze. „En ik gunde niemand het dal waar ik zelf net was uitgekomen.”

Je hebt hem daarop aangesproken, schrijf je. Hoe ging dat?

„Ik gaf aan dat ik me zorgen maakte over hoe het ging. Het voelde alsof de druk op atleten was verhoogd. Maar het was geen spannend gesprek. Want Charles zei dat hij zich er niet in herkende. Ja, dan ben ik niet iemand die… dan is het niet aan mij.”

In 2022 publiceerden NRC en Trouw een onderzoeksverhaal waarin verschillende atleten zich kritisch uitlieten over de sfeer onder Van Commenée, maar Schippers zegt dat ze dat niet gelezen heeft. In zijn algemeenheid zegt ze: „Charles heeft zijn eigen visie. En dat mag ook.” Maar ze vindt het „jammer” dat hij, voor zover ze weet, niks met dat gesprek heeft gedaan.

foto Kees van de Veen

‘Je wordt afgeserveerd’

De laatste Spelen die ze meemaakte waren die van Tokio (2021). Het werd geen succes. Schippers had toen al een flinke tijd last van een rugblessure. Ze had altijd pijn, kwam strompelend haar bed uit. Op de 200 meter strandde ze in de halve finale. En het estafetteteam haalde in de finale de finish niet, vanwege een mislukte wissel tussen Schippers en Nadine Visser.

De volgende dag, zegt Schippers, deelde Van Commenée haar mee dat ze hierna beter buiten Papendal kon gaan trainen. Hij wilde haar nog wel mee helpen zoeken naar een trainer, schrijft ze, om daarna cynisch op te merken dat hij daarmee ook een vinkje bij ‘nazorg’ kon zetten.

„Je wordt afgeserveerd”, zegt Schippers. „Zo voelt dat. Het kan zijn dat het gewoon een beetje onhandig was, ik probeer alle kanten te zien, maar de timing was belabberd.” En ze snapt ook wel dat er altijd nieuwe talenten opstaan, dat er gepresteerd moet worden. „Maar dan nog steeds: hoe ga je met mensen om?”

Met Schippers’ rug is het nooit meer goed gekomen. Bovenop alle ellende brak ze in 2022 ook nog een ruggenwervel, tijdens een start. Ze moest lang revalideren. „Hoever kan je nog gaan”, zegt Schippers nu. Langzaam daalde het besef in dat het tijd was om te stoppen.

Voor de buitenstaander voelt het misschien of jouw carrière als een nachtkaars is uitgegaan. Hoe heb je dat zelf ervaren?

„Wat ik vaak hoor is: je hebt wel een korte carrière gehad. Nou, ik vind vijftien jaar niet kort, maar dat komt omdat het stuk vóór de sprint niet gezien wordt. Dan krijg je die rug, de corona-Spelen van 2021, waar het fout ging, een ruggenwervel breken. Voor jezelf gaan die jaren heel snel. Maar ik snap dat mensen dat misschien als een nachtkaars zien.

„En ik had heel graag nog een keer in een vol stadion gestaan. Die kans heb ik niet gehad. Maar bijna alle topsporters eindigen op een niet-positieve manier. Het is echt de normale weg.”

Je moeder zei: ik hoop dat ze met iets meer trots kan terugkijken. Lukt dat?

„Ik ben wel trots op wat ik gepresteerd heb. Maar op een gegeven moment was de strekking van elk artikel: de rug is niet goed, weer niet gepresteerd. Dat is logisch, maar daar eindigt het dan mee. Dat is misschien wel dat nachtkaarsje, er zit ook wel iets in van: zien mensen me nog als die topsporter? Zien mensen nog wat ik ooit gepresteerd heb? Of zien ze vooral wat er mis is gegaan?”

Dat had de laatste zin van het interview kunnen zijn. We lopen uit, fotograaf Kees van de Veen zit al te wachten tot hij aan de slag kan. Maar die wil eerst nog even reageren. Hij begint over zijn dochters van 12 en 14, zo jong dat ze Schippers’ successen destijds niet bewust hebben meegemaakt. „Ik vertelde ze dat ik jou ging fotograferen. En toen zeiden ze: écht? Die kon toch vet hard rennen, pap?”

„O, ja echt?” reageert Schippers. Ze klinkt oprecht blij verrast. „O, wat leuk.”

Lees het hele artikel