Dankzij nieuw dieet kan jonge blauwvintonijn ook in warmere zee floreren

2 uren geleden 1

Verandering van spijs doet niet alleen eten maar ook leven. Dat geldt althans voor de larven van de zuidelijke blauwvintonijn. Dankzij een recente aanpassing in hun dieet lijken de vissen beter bestand tegen klimaatverandering, schrijven Amerikaanse biologen in PNAS. De tonijnenlarfjes groeien nu al beter dan 35 jaar geleden, en hun huidige prooi zal in de opwarmende wereldzeeën goed blijven gedijen. Dat biedt hoop voor de toekomst.

De zuidelijke blauwvintonijn Thunnus maccoyii leeft in de oceanen rond Australië, Zuid-Afrika en zuidelijk Zuid-Amerika. De volwassen vissen kunnen ruim vier meter lang worden en jagen op andere vissen; de witte, bijna doorschijnende larven eten zoöplankton. Op de internationale Rode Lijst staat de soort aangemerkt als ‘bedreigd’, vanwege overbevissing. Maar de aantallen nemen toe, en het huidige PNAS-onderzoek biedt daar een verklaring voor.

De biologen vergeleken de resultaten van twee onderzoeken, uit 1987 en 2022, in hetzelfde gebied: de tonijnpaaigronden voor de noordwestkust van Australië. In de tussenliggende tijd is de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van het zeewater in februari (zomer op het zuidelijk halfrond) daar zo’n twee graden gestegen, van 27,5 graden Celsius naar 29,5 graden Celsius. Als die trend doorzet kan dat nadelig zijn voor het voortbestaan van de soort, becijferen computermodellen: door de opwarming zullen vaak gegeten zoöplanktonprooien – zoals roeipootkreeftjes – steeds schaarser worden.

Flexibiliteit

Maar dat is buiten de flexibiliteit van de tonijnenlarven gerekend. In 2022 bleken ze opeens veel meer prooien te eten dan hun voorgangers 35 jaar eerder. Waar er bij het eerste onderzoek gemiddeld 0,9 prooi per larvenmaag werd aangetroffen, ging het bij het tweede onderzoek om 3,9 prooi per larvenmaag. En waar ze eerst vooral op roeipootkreeftjes aasden (93 procent van hun prooien in 1987), bestaat hun huidige dieet vooral uit eiwitrijke mantelvisjes (59 procent van hun prooien, ten opzichte van 0,7 procent in 1987). De roeipootkreeftjes vormen nu nog slechts een kwart van de prooien.

Dat lijkt lonend. Een tonijnenlarve doet er tegenwoordig vier dagen korter over om van 3 millimeter naar 10 millimeter door te groeien dan 35 jaar geleden. Voor tonijnen geldt net als voor veel andere dieren: hoe kleiner, hoe kwetsbaarder. Zo’n groeispurt verhoogt dus de overlevingskans. Bovendien is de verwachting dat mantelvisjes het in de opwarmende wereldzeeën beter zullen doen dan de roeipootkreeftjes en veel ander zoöplankton. Ze kunnen relatief goed tegen verzuring en hoge temperaturen, en planten zich ook razendsnel voort. Er blijft dan dus voldoende tonijnvoedsel beschikbaar.

Hoe komt het dat de tonijnen van prooi zijn veranderd? Het ligt voor de hand om te zeggen: die mantelvisjes zullen nu al in aantal zijn toegenomen ten opzichte van de roeipootkreeftjes, en de dieetverschuiving is daar een gevolg van. Maar zo simpel is het niet. Vooralsnog zwemmen er bij de paaigronden nog altijd meer roeipootkreeftjes rond dan mantelvisjes: 87 procent versus 13 procent. Mogelijk zijn er nieuwe soorten mantelvisjes bijgekomen, speculeren de biologen – eiwitrijker dan hun voorgangers – of de mantelvisjes leven nu op voor de larven gunstigere waterdieptes dan vroeger.

Lees het hele artikel