‘De mens ontwikkelde taal om de kinderen op te voeden’

4 dagen geleden 2

Vrijwel haar hele carrière was de Nederlands-Australische bioloog Madeleine Beekman (1964) onderzoeker van bijen. En nog steeds. Ook dit jaar publiceert ze commentaren in het vakblad Insectes Sociaux. Maar dit jaar verscheen ook haar boek Het ontstaan van taal. Over de evolutie van de mens, een vertaling van het Engelstalige origineel dat vorig jaar verscheen.

Beekman duikt met dat boek diep in de evolutionaire geschiedenis van de mens. Ze legt enthousiast en helder uit hoe de mens veel van zijn bijzondere eigenschappen te danken heeft aan minieme genetische verschuivingen. Tijdens een gesprek in een Haags hotel betoogt Beekman dat de taal bij uitstek het voorbeeld is van zo’n effect. „Onze taalvaardigheid vormt een groot verschil met de andere dieren, maar uiteindelijk komt het voort uit maar een klein genetisch verschil. Hetzelfde dna kan op verschillende manieren aan het werk gezet worden via epigenetische veranderingen die zorgen voor variatie in het aansturen van genen.”

Beekman is even terug in Nederland, ze woont al sinds 2001 in Australië, waar ze tot voor kort hoogleraar evolutiebiologie en gedragsecologie in Sydney was. In haar boek stelt ze dat vooral de gemeenschappelijke zorg voor jonge kinderen aan de basis ligt van het ontstaan van mensentaal.

Waarom bent u gestopt bij de universiteit?

„Omdat ik een boek wilde schrijven over evolutie, voor een algemeen publiek. Ik was het een beetje zat om wetenschappelijke artikelen te schrijven die eigenlijk niemand leest. Maar bovenal wilde ik voor mezelf goed begrijpen hoe evolutie werkt. Hoe je gaat van gen naar eiwit naar organisme via natuurlijke selectie. Maar voor zo’n boek heb je wel een centraal onderwerp nodig, en dan is de mens toch best een logische keuze?”

Maar waarom geen bijen? Dat is uw expertise.

„Ik wilde iets totaal nieuws uitzoeken. En dat ik bij taal uitkwam was helemaal nieuw voor mij. Ik begon gewoon met de genetica van de mens. Wij zijn voor 98 à 99 procent genetisch gelijk aan chimpansees en bonobo’s, maar kijk om je heen! Je twijfelt toch nooit of iemand een mens is of een chimpansee?

„Er zijn enorm veel verschillen die dus niet allemaal uit het bijna identieke dna kunnen voortkomen. Dat was voor mij wel een verrassing, want ik kom uit een heel traditionele onderzoekhoek van hoe je gedrag bestudeert. Je kijkt hoe dieren zich gedragen en dan stel je een hypothese op over het nut van dat gedrag. En omdat ik insecten bestudeer, kun je ook dan echte experimenten doen. Wat je nooit met mensen zou kunnen. Ik keek altijd naar individuen, nauwelijks naar genen.

„Dat raadsel van dat kleine verschil bestaat trouwens al 25 jaar, sinds het Human Genome Project. Toen praatten ook gedragsbiologen daar eindeloos over, helemaal toen bleek dat wij mensen eigenlijk veel minder genen hadden dan verwacht. Hoe kun je dan al die unieke eigenschappen verklaren?!”

Er was al wel een besef dat het aan- en uitzetten van genen belangrijk was. Anders kun je niet begrijpen dat er nooit ogen ontstaan op je arm

Hoe dan?

„Het hangt allemaal af van hoe de genen met elkaar samenwerken. Welke worden er aangezet, welke worden er uitgezet? Dat is epigenetica. Heel kleine verschillen kunnen dan heel grote veranderingen teweegbrengen. Er was in de ontwikkelingsbiologie al wel een besef dat het aan- en uitzetten van genen belangrijk was. Anders kan je niet begrijpen dat er nooit ogen ontstaan op je arm. Want in iedere armcel zitten álle genen, ook voor ogen.

„Vanuit die hoek ben ik aan het boek begonnen. En om dat genetische idee in één verhaal te vangen heb ik me geconcentreerd op ons praten. Mensentaal begon in de evolutie met ons enorm grote brein, dat weer een probleem was omdat baby’s met hun grote hoofd relatief vroeg geboren moesten worden. En dus heel veel zorg nodig hebben. En dat kon een moeder niet alleen, dat moest een gezamenlijk project worden. En dat kon dan weer omdat we met ons grote brein heel precies met elkaar konden communiceren, zodat je het samen kon doen. Zo is taal belangrijk geworden, om samen voor de kleine kinderen te zorgen.”

Je hebt toch geen taal nodig om gezamenlijk baby’s te verzorgen? Er zijn genoeg taalloze dieren die dat ook doen. U noemt zelf al de stokstaartjes.

„Ja, die stokstaartjes zijn ook heel sociaal, met ook gezamenlijke kinderopvang. En zonder taal dus. Maar dat is niet mijn centrale punt. Het zit er meer in dat die mensenbaby’s zo enorm prematuur geboren worden met een nog heel vormbaar brein. Baby’s zijn daardoor echt leermachines, en ze kunnen dus heel snel leren hoe je andere mensen om je heen kunt manipuleren. Mensenbaby’s moeten vrijwel altijd snel contact maken met anderen dan hun moeder.

„En onder die omstandigheden ontstaat er sterke natuurlijke selectie op betere manieren van communiceren. Als de communicatie maar een klein stukje beter wordt, maakt dat al verschil in de natuurlijke selectie, omdat de baby’s dan beter overleven.”

Maar kleine kinderen praten toch nog helemaal niet?

„Nee, nog niet, maar het is al wel een heel erg directe emotionele communicatie. En heel snel wordt het steeds taliger. Door die interactie zijn mensen specialisten in communicatie geworden. En omdat ons brein zo enorm plastisch is zijn we er steeds beter in geworden. Chimpanseebaby’s worden ook nogal hulpeloos geboren, maar die groeien veel sneller en worden sowieso jarenlang alleen door hun eigen moeder verzorgd. Dan pas komt er een nieuw kind. Mensenbaby’s groeien veel langzamer, maar de geboortes volgen elkaar wel veel sneller op, ook bij nomadisch levende groepen, zoals we in de prehistorie leefden. Al na twee tot tweeënhalf jaar. En dat kan allemaal door de samenwerking om de baby’s gezamenlijk groot te brengen.”

Alleen Homo sapiens heeft een lange nek waarin plaats is voor een voor spraak geschikt strottenhoofd

Wanneer in de prehistorie speelt dit zich volgens u allemaal af?

„Zo tussen 1 miljoen en 500.000 jaar geleden begint het brein van onze voorouders behoorlijk te groeien. Daar liggen de wortels van het ‘taalproces’, dat zijn voltooiing krijgt bij ons, Homo sapiens, vanaf 300.000 jaar geleden. De kiemen van de sociale samenwerking zijn nog veel ouder, uit de tijd dat onze verre voorouders besloten om niet meer in de boom te blijven en op twee benen gingen lopen. Vier miljoen jaar geleden.

„Maar de precieze communicatie die we nu taal noemen is volgens mij iets van onze soort. Daar is indirect bewijs voor. Want alleen Homo sapiens heeft een lange nek waarin plaats is voor een voor spraak geschikt strottenhoofd. Neanderthalers hebben ook een groot brein, maar een heel ander hoofd. En vooral: een heel korte nek. Ik denk dus dat je – in theorie! – een jonge neanderthaler door een pratende mensengroep zou kunnen laten opvoeden en dan zal hij wel taal gaan begrijpen, maar hij zou niet kunnen meepraten, omdat hij niet de juiste anatomie bezit. Natuurlijk kan je ook gebaren maken, maar dat heeft beperkingen. Dat werkt niet over langere afstanden en ook niet in het donker.

„Ik hamer graag op die spraakanatomie. Want daarin is 300.000 tot 150.000 jaar geleden bij Homo sapiens heel veel veranderd. Dan verandert onze hoofdvorm, waardoor er meer ruimte kwam voor een strottenhoofd. Ook in gedrag verandert er dan veel, meer langeafstandshandel bijvoorbeeld, vanaf 200.000 jaar geleden. Hoe kan je ooit spullen ruilen zonder taal? Zo’n proces kan snel gaan, met kleine genmutaties waardoor allerlei processen in de aanleg van het zenuwstelsel en het brein kunnen worden versneld of vertraagd. Kleine veranderingen in de afstelling van dat systeem hebben grote effecten. Dat is het mooie van het nieuwe genetische denken. Er zijn geen enorme genetische verschillen meer nodig, zoals we vroeger dachten.”

Gebruikte u die genetische inzichten ook in uw bijenonderzoek?

„Nee. Daar hield ik me met gedrag bezig, ik heb heel lang gekeken naar de bijendans. Dat wordt ook wel een taal genoemd. Maar ik zie dat toch meer als communicatie. De symbolen in de dans zijn toch wel heel beperkt. Bijen hebben een symbool voor de richting waarin je moet vliegen. En voor hoelang je moet vliegen. En dan ook nog een symbool van hoe goed die plant is waar iedereen heen moet vliegen.”

Kunt u zo’n bijendans lezen? Of verstaan, hoe zeg je dat?

„Ja, dat kan. En dan kun je in kaart brengen waar ze zijn geweest. Of waar ze zéggen dat ze geweest zijn. Je kunt de bijendans meestal niet zien trouwens, omdat de dans vrijwel altijd in het donker plaatsvindt, in de korf. Bijen kijken er ook niet naar, ze registreren vooral de luchtbewegingen. Daarin zit de informatie, het signaal dat weergeeft waar de juiste bloemen zijn te vinden. Of waar een nieuwe nestplek te vinden is. Sommige wilde bijen verkassen heel vaak. De ene bijensoort kan bijna overal wel leven, gewoon omdat ze alleen maar een tak nodig hebben. En ik vind het fascinerend dat bij die bijen de dans naar een nieuwe nestplek dus ook heel slordig is, Zo van: we gaan zo’n beetje daarheen. Het maakt ook niet zoveel uit. Ze bieden maar weinig informatie, en veel variatie in de herhalingen. Bijendansen bestaan altijd uit veel herhalingen. Maar bijensoorten voor wie veel meer op het spel staat, die bijvoorbeeld precies de juiste holle boom willen, dansen juist veel nauwkeuriger.

„Het is best moeilijk onderzoek hoor. Want als je dan eindelijk het juiste wilde bijenvolk hebt gevonden, zijn ze vaak ook zo weer vertrokken. En in Thailand hadden we ooit een promovendus van wie de volkeren voortdurend werden gestolen. Omdat de bijenlarven daar als lekkernij gelden! Ze werd zo wanhopig dat ze briefjes in het Thais ging ophangen met: ‘Gevaar! Deze bijen zijn vergiftigd.’ Dat hielp gelukkig.”

Lees het hele artikel