De Nederlandse punkband L.A. Sagne gaat de wanhoop te lijf met woede én humor

1 dag geleden 1

Punk kan veel zijn: politiek geladen, nihilistisch, boos, grappig. Het kan gaan over machtige mannen met bloed aan hun handen, over vrouw zijn in een mannenwereld, over de wooncrisis. Of over een zieke vis genaamd Jean Paul, die je wanhopig in leven probeert te houden.

Op het debuutalbum van de Amsterdamse punkband L.A. Sagne komen deze en andere onderwerpen aan bod. „Er zit woede en frustratie in de plaat, maar ook veel humor”, vertelt zangeres Tara Wilts (28) in de Amsterdamse studio waar de band zijn debuutalbum Good Company opnam. Die geestigheid zit ook al in de naam verwerkt: die spreek je niet uit als het gerecht (of de Zwitserse gemeente), maar als ‘El E Sènzj’.

Een steile trap leidt naar een daglichtvrije ruimte die ooit dienst deed als kolenkelder. Een plek waar hard gespeeld kan worden. En hard geschreeuwd, zoals Wilts regelmatig doet. Op ‘I’m a Girl’ bijvoorbeeld, waarin ze speelt met gendernormen en de zin „I’VE GOT GIRL STUFF TO DO” vaak herhaalt. De vurige praatzang mengt goed met de stemmen van de drie mannen in de band, die een koortje vormen op het nummer.

Dat Wilts in een punkband terecht zou komen, lag niet meteen voor de hand. Als tiener was ze een echte hippie, andere muzikale stappen zaten in de folkrock-hoek, zoals toen ze zong in de band Cloud Cafe. De punker in haar toonde zich toen ze een paar jaar geleden in een repetitieruimte stond met de muzikanten waarmee L.A. Sagne gevormd zou worden. „Ze schreeuwde daar de longen uit haar lijf”, aldus gitarist Lazlo Rogier (28), die ook is aangeschoven aan een tafeltje in de studio. „Wij dachten toen meteen: dit gaat werken.”

L.A. Sagne bestaat verder uit Martin Brummelkamp (drums) en Joost van Eck (bas), die met het idee kwam om een punkband te beginnen. De eerste nummers die de twintigers maakten, waren rauwe garagepunk, kort en hard. Plezier vinden in de muziek was het eerste doel; iets wat op het conservatorium, waar de bandleden studeerden, ook weleens uit zicht kan raken. Wilts: „De vrijheid om op die manier te spelen is denk ik voor iedereen heel fijn geweest. Bij een muziekstudie ben je ook erg bezig met details en dat het altijd goed moet zijn.”

Maar de afgelopen twee jaar begon L.A. Sagne te groeien en werd de focus scherper. Ze kregen een sterke livereputatie en speelden op festivals als Best Kept Secret, Paaspop en Eurosonic Noorderslag. En waar de eerste ep’s razendsnel opgenomen werden, besloten ze om voor het album genoeg tijd te nemen en ook gelaagder, melodieuzer en wat logger te klinken, soms meer richting postpunk, met pulserende bas en schurende gitaren. Goed verstaanbaar ook, iets wat live soms lastig is door het volume van de muziek. Wilts: „Teksten zijn heel belangrijk voor me, dus dan wil je ook dat mensen dat meekrijgen.”

Zestig demo’s in korte tijd

Niet dat ze punkprediker wil zijn, ze ziet zichzelf als een observator: „Ik ben niet iemand die puur uit boosheid dingen wil doen. Toen we net begonnen dacht ik: oké punk, dat moet boos.” Je kunt ook gevoelens van verwarring en onmacht in de muziek verwerken. Neem die eerder genoemde vis, onderwerp van ‘Jean Paul’.. „Tijdens mijn eindexamens heb ik heel spontaan vissen geadopteerd van een Frans meisje. Een van die vissen heette Jean Paul, een halfblinde betta, of kempvis. Hij had een kromme ruggengraat en kale plekken op zijn rug. Ik heb een jaar lang alles geprobeerd om hem te redden. Toen hij doodging, heb ik nog een begrafenis voor hem gehouden.”

Het liedje dat ze later over hem schreef was niet per se grappig bedoeld, al voelt dat nu misschien wel zo. „Ik vraag: wat is er mis met je, wat kan ik doen om je te helpen? Het gaat erover dat je heel graag iets beter wilt maken en dat het soms gewoon niet lukt.”

https://youtu.be/BHkv6vj4XeI?si=66NQ64mdX0q0KqVX

Ruimte voor vreugde is er ook: ‘Rampage’ gaat over verliefd zijn en samen domme dingen willen doen. Gitarist Lazlo Rogier: „Er heeft altijd dualiteit in punk gezeten. Het kan ook gewoon gaan over samen bier drinken.” En: „Ik denk ook wel dat mensen toe zijn aan iets dat minder gelikt is, iets alternatiever.”

Rogier, die ook speelt in de band van protestzangeres Sophie Straat, maakte in de aanloop naar het album in een korte tijd zestig demo’s. „Mijn makersdrang ontstond uit een ander soort onmacht”, legt hij uit. Hij raakte plotsklaps zijn baan als bezorger kwijt. In de tijd die hij van het UWV kreeg om nieuw werk te vinden, besloot hij om zoveel mogelijk nummers te maken. „Ik zat met een gekke soort energie. Toen ben ik gewoon echt elke dag alleen maar gaan schrijven. Het maakte ook niet uit wat de situatie was, het kon ook midden in de nacht zijn nadat ik half beschonken uit de kroeg kwam.”

Bij de buren suiker halen

In dezelfde periode moest Wilts haar woonruimte verlaten. Ze woonde in een oud asielzoekerscentrum in Amsterdam waar voornamelijk studenten woonden, maar ook mensen die nergens anders terecht konden. „Dat zorgde voor een heel interessante gemeenschap. Er werden workshops gegeven en festivalletjes georganiseerd.” Maar die hele buurt moest gesloopt worden. „Ik werd me nog meer bewust van het belang van gemeenschap en de mensen die je om je heen verzamelt.”

Lazlo Rogier en Tara Wilts.

Foto Andreas Terlaak

De track ‘My Name’ ontstond uit dat idee, over je buren niet kennen in de stad en connectie missen. „Daarin wil ik eigenlijk heel graag dat ik bij mijn buren kan aankloppen als ik suiker nodig heb. Dat kan in het grootste deel van de stad niet en dat kon daar wel.”

De rumoerige tijd hakte er wel in, fysiek en financieel. Rogier: „We hebben echt alles in het album gestopt. Alle centjes die we hadden. Mentaal en fysiek zijn we er in die periode allemaal op achteruit gegaan.”

‘Magie in het jonge vrouwenpubliek’

Nu het album af is, gaat de band optreden in popzalen. Wilts: „Ik denk dat mensen met dit soort muziek ook steun en gemeenschap zoeken.” Het is dan ook fijn om veel jonge vrouwen in het publiek te zien, zegt ze. De band speelde shows als onderdeel van Girls to the Front, een feministisch initiatief dat onder andere optredens organiseert.

‘I’m A Girl’ zet stereotypen over vrouwen (gek op roze en glitter) en mannen (bezig met auto’s repareren en stoer zijn) tegenover elkaar. Wilts: „In dat nummer is het erg leuk om wat verwarring te creëren. Daarmee hoop ik dat je je realiseert hoe absurd die clichés eigenlijk zijn.”

„Er zit een soort magie in het jonge vrouwenpubliek”, zegt de zangeres. „Ik zie een zeventienjarige versie van mezelf vaak terug. De mensen die naar onze shows komen, zijn zich al superbewust van de wereld. Onze muziek is voor iedereen, maar het is wel hoopvol om dat publiek te zien en de steun die ze daarin vinden.”

Zelf heeft ze haar plek gevonden. „Als ik ‘I’m A Girl’ zing, voel ik me vet stoer. Ook omdat ik weet dat er een band achter me staat die gewoon weet wat ze doen. Omdat ik de tekst heel goed uit mijn hoofd weet. En ik precies weet wat er gaat gebeuren. Soms doe ik het verkeerd. Maar meestal doe ik het goed.”

Lees het hele artikel