Een nieuwe molen bouw je niet zomaar even. ‘Je werkt in weer en wind, de grond zakt in en als het regent, zijn de balken glad en levensgevaarlijk’

4 uren geleden 1

‘Een krom oud lijk”. Zo noemt molenaar Paul Groen het houten gevaarte dat meer dan vijftien meter boven een braakliggend terrein uittorent bij de Haarrijnse Plas, net buiten Utrecht. Op deze gure morgen ligt het „knollenveld”, zoals Groen het graag noemt, bezaaid met houten balken, tandwielen, molenstenen en andere onderdelen.

Groen is hier, samen met twee vrijwilligers, bezig om het ‘kromme oude lijk’ tot leven te kussen. Over een goede twee jaar staat op deze plek een nieuwe korenmolen: de Haarrijnse Molen. Groen, 55, is molenaar sinds zijn negentiende en runt daarnaast sinds zijn 21ste een adviesbureau voor de restauratie van molens. Een eigen molen had hij nog niet. „Een eigen machtige machine waarmee je uit de wind een prachtig product maakt, schitterend. Daar heb ik sinds mijn negende al van gedroomd, toen ik voor de molen in Veldhoven stond.”

Heel veel pakjes meel

Het enthousiasme van Groen is tekenend voor de Nederlandse molenwereld. Het ambacht van de molenaar maakt een opleving door. Vorig jaar kreeg een recordaantal nieuwe molenaars hun diploma uitgereikt. Het aantal molens bleef de afgelopen decennia stabiel, met zo’n twaalfhonderd ‘maalvaardige’ molens door het hele land. Daarnaast komen er mondjesmaat volledig nieuwe molens bij, sinds de eeuwwisseling een stuk of tien. Ook op dit moment zijn er nieuwe molens in aanbouw. Naast de Haarrijnse Molen wordt in Vianen gebouwd aan De Wipkorenmolen en in Uitgeest aan De Waterdief.

Nicole Bakker, directeur-bestuurder van De Hollandsche Molen, is dan ook positief. De belangenvereniging zet zich sinds 1923 in voor het voortbestaan van molens in Nederland. Bakker: „Dat er zelfs nieuwe worden gebouwd, geeft het draagvlak ervoor goed weer.” Toch is het volgens haar „niet alleen rozengeur en maneschijn”. Ze wijst bijvoorbeeld op het feit dat er nog steeds veel extra mensen nodig zijn om het ambacht in stand te houden.

Mark Bezemer werkt aan een onderdeel van de windroosconstructie.

Mark Bezemer werkt aan een onderdeel van de windroosconstructie.

Foto Dieuwertje Bravenboer
Onderdelen voor de molen.

Onderdelen voor de molen.

Foto Dieuwertje Bravenboer
Molenstenen.

Molenstenen.

Foto Dieuwertje Bravenboer
Paul Groen bouwt zijn eigen molen. Hier laat hij het spoorwiel zien.

Paul Groen bouwt zijn eigen molen. Hier laat hij het spoorwiel zien.

Foto Dieuwertje Bravenboer

Ook de onderhoudskosten zijn over het algemeen hoog. Een molen heeft veel bewegende onderdelen die op termijn onvermijdelijk slijten. Bakker wijst daarom op de financiële risico’s die bij de bouw van een nieuwe molen komen kijken. „Het bouwen lukt financieel nog wel, maar je moet ook nadenken over het onderhoud dat na twintig jaar moet worden gepleegd. Al helemaal voor nieuwgebouwde molens, want die zijn niet op de monumentenlijst opgenomen en krijgen geen subsidie voor restauraties. Het vervangen van de roeden [de balken die samen het kruis van de wieken vormen] kost je, weliswaar over een jaar of veertig, al snel een ton. Dan moet je heel veel pakjes meel verkopen.”

Lees ook

Teunis (24) werd molenaar: ‘De molen zal altijd mensen blijven aanspreken’

Teunis Bleijenberg volgt de tweejarige opleiding tot beroepsmolenaar en werkt onder begeleiding op korenmolen De Maagd in Hulshorst.

Sparen en sprokkelen

Voordat je met bouwen kunt beginnen, moet eerst de financiering, het wijzigen van de omgevingsbestemming en het verkrijgen van een bouwvergunning worden geregeld. Dat is volgens Cees van Luit „een proces van de lange adem”. Hij is secretaris van de stichting achter De Waterdief, de molen die momenteel in Uitgeest wordt gebouwd. Van Luit: „We hebben na de bouwaanvraag, ondanks enthousiasme vanuit de gemeente, jaren moeten wachten voordat de bouwvergunning er lag.”

Ook de financiën vergen tijd. Van Luit: „Onze molen kost zo’n zes à zeven ton, dus we hebben ook jaren gedaan om fondsen te werven. Om weer een nieuw stapje te doen in de bouw, moeten we sparen en sprokkelen.”

 de Haarrijnse Molen van Paul Groen.

Over een goede twee jaar staat op deze plek een nieuwe korenmolen: de Haarrijnse Molen van Paul Groen.

Foto Dieuwertje Bravenboer

Dat beeld herkent Groen ook: de Haarrijnse Molen kost tonnen, het hele proces jaren, met hier en daar periodes in de „spaar- en sprokkelstand”. Groen is sowieso een sprokkelaar. Veel onderdelen van de Haarrijnse Molen zijn tweedehands, afkomstig van bijvoorbeeld twee Duitse molens die aldaar het veld moesten ruimen. Andere onderdelen probeert Groen elders op de kop te tikken, zoals de twee molenstenen die hij „uit een tuin heeft gevist”. Daarnaast wordt nog gezocht naar financiering voor het bovenstuk van de molen, dat twee ton kost, en zijn nog vier balken nodig voor het geraamte.

Niet bouwen, maar monteren

Maar als alles rond is, heb je ook wat: er kan een nieuwe molen worden gebouwd. Veelal door vrijwilligers, maar een belangrijke taak blijft weggelegd voor de vakmannen die molens bouwen, herstellen en restaureren: de molenmakers. Daar zijn er in Nederland niet veel van. Volgens de Nationale Vereniging van Molenmakers (NVVM), honderd à honderdvijftig. Volgens een van hen, Walter Vaags, is het bouwen van een nieuwe molen geen makkie, maar „een stuk eenvoudiger” dan de restauratiewerkzaamheden die een molenmaker normaal gesproken uitvoert. Vaags is al 35 jaar molenmaker in het oosten van het land en ‘monteerde’ met zijn bedrijf recent nog twee nieuwe molens in Overijssel.

Een molen is geen bouwwerk, maar een werktuig

Want, even voor de duidelijkheid, volgens Vaags ‘bouw’ je geen molen, maar ‘monteer’ je er een. „Een molen is namelijk geen bouwwerk, maar een werktuig. De onderdelen zijn allemaal in de molenmakerij gemaakt, en deze worden op de plek van de molen pas aan elkaar gemonteerd. Dat maakt nieuwbouw een stuk overzichtelijker en voorspelbaarder dan een restauratie, waar je pas gaandeweg ziet hoe een molen werkt.”

Bij de bouw van de Haarrijnse Molen is echter geen molenmaker betrokken, omdat veel onderdelen tweedehands en op wat aanpassingen na nagenoeg klaar zijn. Volgens Groen kom je als molenmonteerder evengoed voor de nodige uitdagingen te staan. ”Je werkt in weer en wind, de grond zakt in, we hebben machines en het houten geraamte al meerdere keren uit moeten graven. Als het regent, zijn de balken glad en daardoor levensgevaarlijk als je de molen beklimt. En het hele geraamte van twintig ton moet nog iets dieper het veld in worden verplaatst, dat gaan we met de grootste kraan uit de omgeving doen.” Het vooruitzicht van draaiende wieken, zodat de molen graan kan malen voor lokale bakkers, maakt voor Groen echter alles goed. „Dan kan ik, na een dag graan malen, lekker in de zon op de kap een biertje drinken.”

Lees ook

‘Jij moet de molen beheersen, niet andersom’, weet de molenaar

Jesse in ’t Veld in een wiek van De Lelie, in Puttershoek.
De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel