Ik ben van mening veranderd. In deze gepolariseerde wereld is dat niet gebruikelijk, maar het is toch gebeurd. Het is begonnen bij Mathieu van der Poel in de Amstel Gold Race van 2019 – al wist ik toen nog zeker dat ik nevernooit zou gaan denken dat een witte broek tóch mooi is. Maar hoe vaker ik het fragment zie, hoe duidelijker het me is dat mijn mening precies daar begon te kantelen.
En ik moet zeggen: ik bekijk het fragment behoorlijk vaak. Die finish, die onmogelijke overwinning, het is een van de zeldzame momenten waarop de mysterieuze krachten in de sport samenballen en leiden tot tv die je doet twijfelen aan je ogen. Zelfs zoveel jaar na dato.
Als je het wel beschouwt, begon het al veel eerder dan die laatste anderhalve kilometer. Dit was in de tijd dat Mathieu nog druistig was. Hij hield van spelen op de fiets, van steentjes wegschieten met zijn voorwiel, van met krachten smijten – gewoon omdat hij er zin in had.
Op de Eyserbosweg, drieënveertig kilometer voor de finish, huppelde hij plots weg uit het peloton. Gorka Izagirre sloot een paar tellen later bij hem aan. „Het grote probleem bij Van der Poel in dit soort wedstrijden is dat hij verondersteld wordt om tweehonderd kilometer koest te blijven,” analyseerde Michel Wuyts direct. „Ja, de verveling slaat toe hè”, vulde José De Cauwer aan. Met de Spanjaard op zijn spreekwoordelijke pakjesdrager reed Mathieu vrolijk vooruit.
Zuid-Limburg was zonovergoten, vol bloesems, de bomen bedekt met een waas van uitbottend groen, zoals het tijdens de Amstel Gold Race hoort te zijn. Van der Poel reed blinkend rond, zoals hij altijd hoort te zijn. Toch twijfelde het Vlaamse commentaarduo. Had hij niet zijn kruit verschoten met zijn aanvalslust? Hij moest gaatjes laten, energie sparen om misschien nog top vijf te kunnen rijden, veel meer dan dat zat er niet meer in de tank – meende Michel Wuyts.
De finale zinderde, draaide, keerde. Renners ontsnapten, waaiden terug, werden opgeraapt, telkens opnieuw – in mijn herinnering althans. En daarachter stoomde Mathieu, langzaam maar zeker, op. Een sliert in zijn wiel, langer en langer, tot hij het hele peloton op sleeptouw nam. Hij gaat het niet redden, beweerden de commentatoren.
Van der Poel reed blinkend rond, zoals hij altijd hoort te zijn. Toch twijfelde het Vlaamse commentaarduo.
Hij gaat het niet redden, daar is de vod. Daar rijden Julian Alaphilippe en Jakob Fuglsang, Michal Kwiatkowski komt hen achterop. Wie van deze drie gaat de Amstel Gold Race winnen, of…? „Daar is-ie, daar is-ie!” De stem van Michel Wuyts boog ferm omhoog. „En daar komt de rest ook nog!” De rood-wit-blauwe locomotief met zijn sliert wagonnetjes bleef stomen, zoveel harder maar vooral beslister reed hij dan de rest.
Ze konden de meet ruiken, de drie, Kwiatkowski reed op kop, nog vierhonderd meter. Even leek het alsof de tijd een moment bevroor – en daarna versnelde. Of beter: één man versnelde, op een manier die de andere renners deed verbleken tot schimmen. Figuranten, tijdens de genadeklap van Van der Poel.
Ik vergeet nooit hoe hij blonk, die koers, in zijn driekleur, en zijn door velen inclusief mezelf verfoeide witte broek. Sinds Demi Vollering twee weken geleden de Ronde van Vlaanderen won in majestueus wit, durf ik volmondig en hardop toe te geven: een witte broek is, mits juist gedragen, niet afschuwelijk maar prachtig. Die omslag van mening begon daar, op dat moment, door een van de mooiste overwinningen ooit, van Mathieu van der Poel.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/14142108/180426WEE_2032822423_1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/17145501/170426VER_2032830425_ambu.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/16121230/170426WEE_2032765534_1.jpg)




/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/14135051/150426CUL_2032610645_3.jpg)

English (US) ·