Hasna el Maroudi liep de zwaarste marathon ter wereld. ‘Ik wilde ploeteren zoals mijn vader heeft gedaan’

1 dag geleden 1

Wie wil er 252 kilometer door de Sahara rennen? Zes dagen in een heteluchtoven zonder schaduw, eindeloze zandvlaktes waarin je soms tot je knieën wegzakt, hoge duinbergen.

Niemand doet zómaar mee aan de Marathon des Sables, zegt Hasna El Maroudi (41). Iedere deelnemer heeft een verhaal, een reden, een drijfveer. Bewijsdrang, natuurlijk, maar vaak ook een groot verdriet. Zijzelf had redenen genoeg, ze schreef er een boek over. Yalla heet het, een Arabische aanmoedigingskreet. Het is wat haar vader tegen haar zei ter hoogte van het 25-kilometerpunt van haar eerste marathon, die van Rotterdam, terwijl hij haar een duwtje in haar rug gaf.

Hasna el Maroudi is journalist, sinds januari is ze hoofdredacteur van Omroep Zwart. Op de eettafel in haar Rotterdamse huis heeft ze Marokkaanse hapjes uitgestald. Chebakia, zoete koekjes met sesamzaad, rghaif en baghrir, luchtige pannenkoekjes. De honing voor erbij zit in een kleine tajine.

In 2010 zag ze een televisieprogramma waarin de Vlaamse televisiepresentator Tom Waes meedeed aan de Marathon des Sables, ’s werelds zwaarste voettocht. „Hij ging helemaal kapot en ik vond dat mágisch. Dat je als gewoon mens zoiets gaat doen en het ook volbrengt, terwijl iedereen om je heen heeft gezegd dat je dat niet kunt en dat het niet verstandig is. En ik dacht ook: als hij het kan, kan ik het ook.”

In dezelfde periode ging ze op zoek naar haar familiegeschiedenis. Wie waren haar voorouders, wat deden ze en waar kwamen ze vandaan? Ze ontdekte dat die precies uit het gebied komen in de Marokkaanse Sahara waar jaarlijks de Marathon des Sables wordt gelopen. „En toen werd meedoen een obsessie.”

Terwijl je nog niet eens gewone marathons liep.

„Nee, de eerste liep ik in 2015. Dat was meteen al met het oog op mijn grote doel. Ik heb jaren gezocht naar een criterium dat bepaalde of ik klaar was om ervoor te gaan trainen. Was ik dagenlang kapot na het lopen van één marathon? Dan moest ik er van mezelf twéé per jaar gaan lopen. Maar ook toen ik dat kon, had ik het gevoel dat ik nog niet zover was. In september 2022 deed ik mee aan de marathon van Athene, het zou er warm worden en het was er heuvelachtig. Ik dacht: als ik deze binnen vier uur finish, dán ben ik er klaar voor.”

Binnen vier uur lukte niet, maar terwijl ze na een kilometer of dertig heuvelop liep en de ene na de andere deelnemer zag afvallen, voelde zij zich alsmaar fitter worden. En in de dagen daarna: nul spierpijn. De zomer erna schreef ze zich in voor de Marathon des Sables in 2024.

Haar man Mathijs vond dat er betere redenen waren om voor te sterven. Haar dochter Ines (nu 11) smeekte haar om het niet te doen. Collega’s verklaarden haar voor gek.

Het is een risicovolle race. Dacht je daarover na?

„Ja, er zijn in het verleden deelnemers overleden. Ik wil dat niet bagatelliseren. Voordat ik begon met de training, heb ik in het ziekenhuis mijn hart en longfunctie laten controleren.”

In haar boek schrijft ze over de Italiaan Mauro Prosperi, die meedeed in 1994. Hij werd overvallen door een zandstorm en at rauwe vleermuizen en dronk zijn eigen urine om te overleven. Na dagen dwalen sneed hij zijn polsen door. Maar hij was zo uitgedroogd dat het bloed bij zijn polsen direct stolde. Negen dagen later werd hij gered. Drie jaar later deed hij opnieuw mee.

Maar nu krijgen de deelnemers een gps-tracker met een noodknop mee. En het meedragen van een uitzuigpompje voor schorpioenen- en slangengif is verplicht. „Het enige waar ik écht bang voor was, en dan ga ik het op z’n Rotterdams zeggen, was dat ik van zo’n fucking hoge berg af zou tiefen.” En dan gespietst zou worden aan een rotspunt. „Ik zag dat hélemaal voor me.”

Kwam het onbegrip uit je omgeving niet ook doordat je niet open was over je motieven? Je noemde het een sportieve uitdaging, maar het was ook een hommage aan je vader en een zoektocht naar je identiteit.

„Als ik dat had verteld, hadden ze waarschijnlijk hetzelfde gedacht. Mensen projecteren wat ze zelf kunnen, willen of verlangen in het leven op een ander. Degenen die mij niet begrepen, konden zich gewoon niet voorstellen dat ik zoiets wilde doen. Zelf heb ik dat met marathons in ijsgebieden, echt, alsjeblieft, doe even normáál.”

Waarom vertelde je niet wat je werkelijke redenen waren?

„Omdat het iets van mij was. Het voelde pijnlijk en rauw. Ik wilde mijn gevoelens over het verlies van mijn vader niet met anderen delen.”

Haar vader overleed in 2017 na een hartinfarct. Terwijl hij in het Erasmus MC aan de beademing lag, rende zij eindeloos rondjes om het ziekenhuis om de stress uit haar lichaam en geest te bannen. „En elke keer dat ik de hoofdingang passeerde, vol schuldgevoel omdat ik niet naast zijn bed zat, dacht ik: zou hij nog leven?” Daar, in die weken, veranderde het hardlopen voor haarzelf in hardlopen voor hém. De Marathon des Sables zou een eerbetoon aan haar vader worden.

En dat eerbetoon moest lijfelijk, zwaar en transformerend zijn, schrijf je in je boek. Waarom?

„Ik had ook een kaarsje kunnen branden, ja, maar dat past niet bij wat mijn vader gedaan heeft met zijn leven. Hij heeft offers gebracht voor een beter leven voor zijn kinderen.” Hadj Moussa El Maroudi verliet Marokko eind jaren zestig om in Nederland bij een boer en later aan de lopende band in fabrieken te werken. „Ik wilde ploeteren, net zoals hij dat gedaan heeft. Je kunt met een psycholoog gaan praten, maar ik denk dat we met ons lichaam ook een hoop kunnen oplossen. Ik wilde het verdriet om mijn vaders dood niet alleen in mijn hoofd een plek geven, maar ook in mijn lichaam verwerken. En ik denk dat dat gelukt is, want ik voel me sinds de Marathon des Sables een stuk lichter. Ook als ik aan hem denk en aan het leven dat hij heeft gehad. Natuurlijk vond ik het ook wel een beetje masochistisch van mezelf dat ik dacht: het moet zwaar zijn, geef me pijn.”

Er schuilt een masochist in jou?

„Jaaa, zeker. Maar dat is niet alleen wie ik ben, het is ook wie ik heel lang heb moeten zijn van de samenleving. Zoals onze voormalige premier, Mark Rutte, zei: migranten moeten zichzelf invechten. Ik heb het altijd gehaat dat hij dat zei. Want niemand wil vechten. Vechten is gewelddadig, het doet pijn. En toch had hij gelijk. Als je jezelf als Nederlander met een bi-culturele achtergrond niet invecht, op school, in je werk, dan doe je voor de witte maatschappij niet mee. Als gevolg daarvan heeft zich iets in mij genesteld waardoor ik altijd aansta, extra hard ren en de lat heel erg hoog leg. Soms zo hoog dat iedereen denkt: daar kun jij niet bij. Nou, ík wel.”

En pijn deed het. De genadeloze hitte vond ze niet eens het ergst. „Het pijnlijkst was mijn schouder. Omdat mijn rugzak erin sneed” – eten en slaapspullen moeten meegedragen worden tijdens de Marathon des Sables – „en omdat ik waarschijnlijk als gevolg daarvan met opgetrokken schouders liep om dat gewicht te compenseren.”

Ander dieptepunt: de uren waarin ze, tijdens de zwaarste etappe van ruim 85 kilometer waarover de deelnemers 36 uur mochten doen, niet meer kon drinken omdat haar waterflessen naar „rottend lijk” roken. De geur was te penetrant.

En toen bleek dat het niet je flessen waren, maar jijzelf.

„Ik was een zombie, ver voorbij vermoeidheid, strompelend door de woestijnnacht. Mijn lichaam was zichzelf aan het verbranden.”

Drie broers en een zus werden geboren in Rabat, een tweede zus, zijzelf en haar tweelingbroer Hassan in Rotterdam. Haar oudste broer Simohamed stierf op tienjarige leeftijd. Als kind wist ze niets over hem, alleen zijn naam en dat er een verkeersongeluk was gebeurd. „Verder had ik geen idee. Ik wist niet eens waar het ongeluk had plaatsgevonden. Ik heb er een heel verhaal bij verzonnen.”

Waarom vroeg je er niet naar?

„Dat durfde ik niet, omdat het meteen emoties opriep bij iedereen. Pas twee jaar geleden heb ik het er met mijn oudste broer over kunnen hebben. Nooit met mijn moeder. Dat gaat echt niet.”

Foto Hedayatullah Amid

Hoe heeft dat verzwegen verdriet jou gevormd?

„Het heeft me erg sensitief gemaakt voor andere mensen. Wanneer ik merk dat iemand iets niet wil vertellen, vind ik het lastig om door te prikken. Ik wil de ander geen ongemakkelijk gevoel geven. Dat is onhandig wanneer je journalist bent.”

Later ging je je, juist door die geheimzinnigheid rondom je broer, realiseren dat je ook heel weinig wist over je familiegeschiedenis.

„Dat gebeurde toen ik op de middelbare school zat. In de schoolboeken werd de Franse bezetting van Marokko [1912-1956] een protectoraat genoemd. Aanvankelijk dacht ik trots: hé, we hoorden bij Frankrijk! Totdat ik er zelf wat boeken over ging lezen. Wácht even, Frankrijk koloniséérde Marokko. Ik ging mezelf afvragen wat ik nou eigenlijk van Marokko wist, en van mijn eigen voorouders. Ik wist niet eens wie mijn grootouders waren.”

Daarover zwegen je ouders ook.

„Ja, er werd thuis niet gesproken. Mijn ouders waren altijd druk. Veel kinderen, en mijn vader werkte altijd. Als ik vragen stelde, zei mijn moeder: ‘Li fat, mat’, wat geweest is, is dood. Ze hamerden erop dat wij naar het gymnasium moesten, studeren, dokter worden.”

En toen dacht jij: als er niets verteld wordt, is er iets wat niet verteld kan worden.

„Zo heb ik het als kind ingevuld. En we hadden het toch ook beter, hier in Nederland? Waarom zou je dan oude wonden openhalen?”

Maar jij wilde het wél weten. Je ging die boeken lezen.

„Ik wilde meer weten over mijn identiteit. Niet alleen over hoe ik eruit zie, maar ook over wat ik van binnen ervaar. Om een compleet mens te kunnen zijn, voelde ik heel sterk, moest ik mijn complete verhaal kennen. Dan zou ik mezelf niet meer de hele tijd hoeven afvragen of ik nou Nederlander of Marokkaan ben, maar dan zou ik gewoon kunnen zijn wie ík ben, waar ik ook ben.”

Ik zei iets verkeerds over koning Hassan II, waarschijnlijk gewoon iets kinderlijks als ‘wat een lelijke muts’. En toen gaf m’n moeder me páts – een tik

Wanneer begreep je waarom je ouders zwegen?

„Pas echt toen ik aan mijn boek begon en me verder in de Marokkaanse geschiedenis verdiepte, na de Marathon des Sables. Maar ik was veertien toen ik voor het eerst besefte dat mijn ouders in een omgeving zijn opgegroeid waar veel censuur heerste. Tijdens een zomervakantie in Rabat stonden we in een expositieruimte waar foto’s hingen van de koning, toen Hassan II. Ik zei iets verkeerds over hem, waarschijnlijk gewoon iets kinderlijks als ‘wat een lelijke muts’. En toen gaf m’n moeder me páts”, ze maakt een meppende beweging, „een tik. En mijn vader zei: ‘De muren hebben oren.’”

Haar ouders, schrijft ze in haar boek, hadden onder het bewind van Hassan II [1961-1999] de neiging om niet op te willen vallen, geen vragen te stellen, geen conclusies te trekken die tegen iemand gebruikt zouden kunnen worden. „Het zat in het ontwijken van een onderwerp, het fluisteren van namen, het niet willen benoemen van problemen – en was zo diep ingebed dat het zelfs in Nederland, ver buiten het bereik van de Marokkaanse autoriteiten, hardnekkig bleef voortbestaan.” De angst zat heel diep. „En ik denk dat het begonnen is tijdens de Franse kolonisatie. Mijn moeder is heel bang geweest voor de Fransen, haar ouders waren dat ook. Haar broer liep voor de zekerheid met zijn handen in de lucht naar de bakkerij waar hij werkte. Voor het geval er een Franse soldaat zou langslopen die dacht dat hij kwaad in de zin had.”

Toch kreeg ze haar ouders uiteindelijk zover om haar in Rabat in contact te brengen met familieleden en bekenden die meer wisten over hun familiegeschiedenis. Dat was in 2013. Zo ontmoette ze Lahbib, een afstammeling van een geestelijk leider uit het zuiden van Marokko die haar familie had gekend. Hij vertelde dat haar voorouders als handelaren in henna door de Sahara trokken.

En het was daarom dat ze, toen ze kort voor de Marathon des Sables haar vaders graf in Rabat bezocht, besloot om er een klein vetplantje uit te graven en mee te nemen. „Ik voelde me blij dat hij daar begraven is, want dat is zijn thuis. Maar ik bedacht ook: er is nog zoveel méér thuis. Die lijn gaat nog zoveel verder.” Het plantje zou haar vergezellen op haar tocht door de Sahara. En daar waar hun voorouders leefden zou ze het in de grond planten.

Terwijl je dat plantje uitgroef, twijfelde je aan je eigen symbolische handeling.

„Nogal, ja. Was het niet gek? Shit, heeft iemand me gezien?”

Je werd heen en weer geslingerd tussen je nuchtere Rotterdamse inborst en je spirituele, Marokkaanse opvoeding?

„Enorm! Dat gebeurde in de Sahara ook steeds. Ik vond het zó vervelend dat ik mezelf niet volledig kon overgeven aan dat spirituele gevoel.”

Je hoopte dat het plantje je naar de finish zou jagen. Gebeurde dat ook?

„Jazéker wel. Ik heb onderweg veel mooie plekken gezien waar het zou passen. Ik passeerde bijvoorbeeld een oude begraafplaats, midden in de Sahara. Ik dacht: misschien liggen hier onze voorouders wel. Maar ja, misschien ook niet. En dus nam ik het plantje toch steeds maar weer mee. Het voelde alsof het me gezelschap hield. En het was ook een stok achter de deur: ik moest dóór. Het plantje en ik zouden samen finishen.”

En toen zat je na de finish met dat plantje.

„Meteen na de finish heerste een enorme drukte. Euforische deelnemers die elkaar feliciteerden, fotografen, taxichauffeurs die je voor driehonderd euro wilden meenemen naar je hotel. En ik stond daar met dat plantje en voelde niets. Ik was ook niet zo uitgeput als na een gewone marathon, want die laatste etappe was maar 21 kilometer. Dan is de euforie er ook niet als je klaar bent. En ik wás ook nog niet klaar. Dat plantje heb ik toen ergens bij een boom in de grond gezet. Later kwam de euforie alsnog. Toen ik met een paar andere deelnemers in het hotel in Ouarzazate bij het zwembad zat, mijn dierbaren in Nederland had gesproken en besefte dat ik het geflikt had.”

Ik kreeg de indruk dat de zwaarte van de race jouw behoefte aan spiritualiteit versterkte.

„Ja, ik was de hele tijd naarstig op zoek naar wie me kon helpen. Wát me kon helpen. De nacht voor de start heb ik dua’s opgezegd [smeekbedes], de islamitische geloofsbelijdenis uitgesproken en tegen mijn voorouders gepraat. Ik vond het absurd dat ik dat aan het doen was. Maar wat als er wél iets is? En als er niets is, betekent dat niet dat er altijd niets is geweest. Ooit waren zij hier. Ik wilde loslaten wat ik kende en wat ik wist, en me gewoon overgeven. Baat het niet dan schaadt het niet, zei de Hollander in mij.”

Ik heb mijn voorouders gesmeekt om een beetje wind. En toen voelde ik een warme luchtstroom

En toen, tijdens de zwaarste etappe, was er die windhoos.

„Het was heel heet en ik had het heel benauwd en snakte naar een beetje wind. Ik heb mijn voorouders erom gesmeekt. En toen voelde ik een warme luchtstroom, alsof er op de heetste dag van het jaar een ventilator op een hetere oven werd gezet. Ik werd pissig en riep: niet deze, jongens, hier heb ik niks aan. En ineens koelde die wind af. Ik zette het op een rennen terwijl de tranen over mijn wangen liepen. Magisch was het.”

Je was ervan overtuigd dat je voorouders je hielpen?

„Heel even. Maar daarna dacht ik ook al heel snel: ik moet door. Dat maakte deze race juist zo fijn. In het dagelijks leven is er veel mentale ruimte om alles te analyseren, maar daar in de woestijn niet.”

Het meedoen aan de Marathon des Sables heeft haar het gevoel gegeven van een plek waar ze thuis kan zijn, zegt ze. „Namelijk: in mezelf. Die leegte van de Sahara gaf me zoveel vrijheid. Ik liep met mezelf. Ook in de training die eraan voorafging, meer dan honderd kilometer per week. Steeds moest ik luisteren naar mijn lichaam: moet ik pauzeren of kan ik nog door? Moet ik opgeven of niet? Moet ik drinken, eten? Wat zegt mijn hoofd, wat zegt mijn lijf? Daar zit heel veel vrijheid in. Want die keuzes kon ík maken. Ongeacht wat de mensen om me heen vonden, zeiden of deden.”

Je vader is in Rabat begraven, je moeder wil worden begraven in Nederland. In je boek schrijf je dat ook jij straks moet kiezen welk land nou écht van jou is. Weet je dat nu?

„Ja, maar daar ga ik absoluut nooit antwoord op geven. Want die vraag veronderstelt dat ik een voorkeur heb voor het een of het ander. En die voorkeur kan iets zeggen over mijn identiteit en of anderen mij mogen zien als de Marokkaan of de Nederlander. Het is de dramatische versie van: ga je voetballen voor het Marokkaanse of het Nederlandse team? Vóórdat ik de Marathon des Sables liep, gaf ik altijd gewoon antwoord op deze vraag. Maar nu weet ik: het gaat anderen niet aan.”

Foto Hedayatullah Amid
Lees het hele artikel