Hoe is het om nu Joods te zijn in Nederland? ‘Ik kijk altijd om me heen’

2 uren geleden 1

In de lente van 2026 werden meerdere aanslagen gepleegd op Joodse instellingen in Nederland. Het ging om een explosie bij een Joodse school in Amsterdam en brandstichting bij een synagoge in Rotterdam, waarbij volgens justitie een tweede aanslag door politie-ingrijpen werd voorkomen. In mei bleef de Amsterdamse school een dag gesloten vanwege een dreigende situatie. Er zijn inmiddels meerdere verdachten aangehouden, de zaken moeten nog inhoudelijk voor de rechter komen.

Sinds 7 oktober 2023 is het aantal meldingen van antisemitisme structureel hoger. De Nationaal Coordinator Antisemitismebestrijding noemt het aantal incidenten nog altijd ,,zorgwekkend hoog”. In 2025 registreerde de politie 867 gevallen van antisemitisme. Het gaat om ruim een kwart van de door het OM geregistreerde discriminatiefeiten, terwijl minder dan 0,3 procent van de Nederlandse bevolking Joods is.

Joodse instellingen worden in Nederland al jarenlang streng beveiligd. Naar aanleiding van de incidenten deze lente maakte David van Weel, minister van Justitie (VVD), geld vrij voor extra beveiliging van Joodse scholen, religieuze gebouwen, culturele instellingen en evenementen. De Amsterdamse driehoek zei de incidenten te zien als een gerichte aanslag tegen de Joodse gemeenschap in Nederland en nam „maximale maatregelen”.

NRC sprak de afgelopen weken uitgebreid met acht Joodse Nederlanders over hoe het is om nu Joods te zijn in Nederland. We vroegen naar hun persoonlijke ervaringen met antisemitisme, over hoe mensen reageren op Joodse uitingen en welke invloed dat heeft op hun dagelijkse leven.

Nati Banet (27), student kinderpsychologie‘Ik geloof dat we ook deze tijd zullen doorstaan’

Foto Bram Petraeus

„Ik ben orthodox joods opgevoed en Joods zijn is alomvattend in mijn leven. Ik draag mijn kippah (keppeltje) bijna altijd. Ik wil laten zien dat Joden bestaan, dat we er nog steeds zijn. En het is spiritueel: ik geloof dat God altijd als een soort vader boven mij staat.

„Ik word regelmatig uitgescholden of belaagd. Dat gebeurt al sinds ik een kind was. We mochten van mijn ouders nooit alleen buitenspelen – alleen onder toezicht. De laatste jaren gebeurt het soms meerdere keren in één week.

„Ik herinner me dat ongeveer twee jaar geleden een man achter me aan fietste en ‘Free Palestina’ schreeuwde. Ik had oortjes in, dus ik hoorde hem in eerste instantie niet goed. Toen ik niet reageerde, schreeuwde hij: ‘Hamas Hamas, alle Joden aan het gas. Dood aan de Joden.’ Ik wilde wegfietsen, maar hij achtervolgde me. Toen ben ik afgestapt en hing ik met 112 aan de telefoon. Hij kwam dreigend op me af, zette zijn rugtas op de grond en ritste die open. ‘Ik kan ook schieten hè!’ riep hij. Gelukkig kwamen er mensen kijken en is hij weggerend. De politie heeft hem niet gepakt.

„Het is een route die ik vaak fiets. Daarna heb ik een paar keer een andere route genomen.

Maandenlang bleef ik nog om me heen kijken. Bij iedereen die een beetje op hem leek, dacht ik: is dat ’m?

Ik schaam me er een beetje voor om dat te zeggen, want ik wil niet dat ze winnen. Ik wil niet dat hij wint.

„Ik kijk altijd om me heen. Ben ik hier veilig? Mijn moeder zei opeens tegen me dat ik misschien beter mijn keppeltje kan bedekken als ik op straat loop. Dat was een enorme schok. Ze weet hoe belangrijk de keppel voor mij is. Het zegt hoeveel zorgen zij zich maakt over mijn veiligheid. Dat maakt me verdrietig.

„Toch wil ik hem blijven dragen. Ik kan niet verkroppen dat ik mijn keppeltje af moet zetten omdat anderen het niet leuk vinden. Ik zou me ook minder mijzelf voelen, het zou als een soort verraad naar mijzelf toe voelen. Alsof ik met een witte vlag zwaai en zeg: oké, ik geef het op.

„Ik geloof dat we ook deze tijd zullen doorstaan en het weer beter en rustiger wordt. Ik heb heel veel hoop.”

Mareline Frank (46), docent en kindercoach‘Ik ben bang dat ik mijn kinderen al heb beschadigd met mijn angst’

Foto Bram Petraeus

„Mijn vader zei altijd: het begon niet bij de deportaties, het begon met het ingooien van winkelruiten, Joden die achterna werden gezeten, het bekladden van synagoges. Waarom zijn Joden toen niet vertrokken? Nu denk ik: ben ik net zo naïef als die mensen toen? Is het nog veilig voor mijn gezin om hier te blijven?

„Ik kom uit een warm gezin, er werd veel gelachen en gepraat, maar niet over de oorlog. Ik werd opgevoed met het idee dat je op je hoede moet zijn. Ik dacht altijd dat ik het anders zou doen. Als ik kinderen had, dan zou Joods zijn een positieve toegevoegde waarde zijn. Niet iets wat je moet verbergen, wat angstig maakt.

„Toen ik een kast van mijn bonus-oma uitruimde, vond ik voorgedrukt briefpapier uit de jaren dertig. Haar achternaam stond verkeerd gespeld. Ik zei: ‘zo heten jullie toch helemaal niet?’ Ze vertelde dat haar vader dat bewust zo had laten drukken, dan klonk het wat minder Joods. Ik dacht toen: wat een ellende hebben jullie meegemaakt, gelukkig is het nu anders. En wat doe ik nu zelf? Mijn zoontjes hebben een Joodse voor- en achternaam, hun tweede naam is Hollands. Toen we laatst in een Uber stapten met een Palestijnse vlag op de ruit, hoorde ik mezelf tegen hen zeggen: ‘Als de chauffeur vraagt hoe jullie heten, dan noem je je tweede naam. En geen woord Hebreeuws.’ Ik wil mijn kinderen beschermen tegen een mogelijke confrontatie.

„Toen mijn kinderen twee jaar geleden net naar school gingen, mochten ze een spreekbeurt houden in de klas. Ieder kindje nam lievelingsspullen van thuis mee om over te vertellen. Mijn oudste mocht als eerste. Hij nam zijn ijsbeerknuffel mee, zijn kleurpotloden en hij pakte zijn keppeltje. Toen moest ik echt even slikken. Ik dacht: moeten we dit deel van onszelf in week drie al blootgeven? Terwijl hij gewoon iets leuks over zichzelf wilde vertellen.

„Mijn kinderen hebben wekelijks Joodse les, daar dragen ze een keppeltje.

Laatst wilde een van mijn zoons zijn keppeltje al op de fiets daarheen op. ‘Nee lieverd’, zei ik. ‘Dat doen we als we binnen zijn. Niet op straat.’

Mijn andere zoon is heel muzikaal en zingt veel. Toen ik laatst met hem naast een stoplicht stond en hij in het Hebreeuws begon te zingen, hoorde ik mezelf weer zeggen: ‘Dat doen we niet hier, dat doen we thuis.’ Ik ben bang dat we een opmerking naar ons hoofd krijgen. Is d at een reële angst? Is het irreël? Klopt het wat ik voel? Daar worstel ik mee.

„De angst is zo groot omdat plotseling niet meer duidelijk is bij wie je veilig bent. Wie is vriend, wie is ‘vijand’? Vroeger waren dat de nazi’s. Maar die zouden nooit meer terugkomen. Nu is het zo onduidelijk en ongrijpbaar. De agressie tegen Joden neemt toe. Niet alleen op straat, maar ook in het publieke debat. Het gekke is dat de recente aanslagen in Nederland op de Joodse school en synagoge die angst voor mij niet erger hebben gemaakt. Die angst zat er al.

„Ik betrap mezelf erop dat ik inmiddels dezelfde gedachten heb naar mijn kinderen toe als mijn ouders en grootouders naar ons hadden. Loop er niet mee te koop. Zoek het niet op. Je weet het nooit. Dat vind ik verschrikkelijk verdrietig en pijnlijk. Ik keer steeds verder naar binnen toe, terwijl ik altijd zo open-minded was. Ik ben bang dat ik mijn kinderen al heb beschadigd met mijn angst.”

Esti Cohen (62), teamleider hulp en dienstverlening
bij Stichting Joods Maatschappelijk Werk
‘Mijn davidster niet dragen voelt voor mij als onderdrukking’

Foto Olivier Middendorp

„Ik spreek voor mijn werk veel met Joden. Het gaat veel over angst, over niet vertellen dat je Joods bent. Kun je je magen david [davidster] dragen, loop je dan geen gevaar? Mensen vertellen dat ze dat vroeger hoorden van hun ouders. Het komt de laatste jaren allemaal weer terug. Veel mensen die wij spreken hebben een soort ‘angst-antenne’ die roodgloeiend staat.

Eerder konden we daarover in gesprek gaan, maar wat moet ik ze nu vertellen? ‘Tuurlijk, draag je davidster gewoon’?

Je wil dat de transgenerationele overdracht van angst minder wordt, maar tegelijkertijd moet je alert zijn.

„Ik draag mijn davidster altijd en vertel ook direct dat ik Joods ben. Zodat je met elkaar in gesprek kunt gaan, maar ook als waarschuwing: let maar een beetje op je woorden. Hem niet meer dragen voelt voor mij als onderduikgedrag. Ik kijk tegenwoordig soms wat meer om me heen, maar mijn strijdbaarheid wint het altijd.

„In april was ik bij de herdenking van de Holocaust, in de Hollandse Schouwburg. En ook daar vroegen er vier mensen mij: draag jij je magen david? Ja, die draag ik. Want als het dán niet is, wanneer dan wel?”

Sadie Rekers (15), scholier‘Het voelt een beetje alsof je niet gewild bent’

Foto Bram Petraeus

„Vroeger dacht ik soms: o ja, ik ben Joods. Maar sinds de oorlog in Gaza krijg ik veel vragen van mensen die niet Joods zijn. Ik krijg vragen over Israël. Ik merk dat Joodse mensen bang zijn. Daarom ben ik er denk ik veel meer mee bezig.

„Ik heb altijd op Joodse scholen gezeten. Op een Joodse crèche, een Joodse basisschool en nu op de middelbare. Ik wéét niet beter dan dat er beveiliging voor de deur staat. Een auto met mannen van de marechaussee erin. Een hek dat alleen opengaat als ze weten wie je bent. Als ik in de pauze naar de Jumbo ga, dan houdt de beveiliging dat in de gaten.

„Vroeger ging ik na school gewoon naar huis. Nadat de oorlog in Gaza begonnen was, ging ik om me heen kijken als ik naar huis liep. Soms wel drie keer. Of er niemand stond, of ik niks geks zag. En dan pas ging ik mijn huis binnen. Ik was eigenlijk heel bang. Vooral omdat ik online veel Jodenhaat las, bijvoorbeeld op TikTok, dan zag ik iemand posten dat de Tweede Wereldoorlog nog een keer mag gebeuren.

Foto Bram Petraeus

„Het is gewoon: ik ben Joods en dat vinden mensen blijkbaar niet leuk. Dus let ik op. Ik heb geen zin in gedoe. Een tijdje terug was er een aanslag op de Joodse school vlak bij die van mij. Het voelt een beetje alsof je niet gewild bent. En dat is een raar gevoel om in je eigen land te hebben, omdat je een geloof hebt. Want: ik kan er ook niet zoveel aan doen dat ik Joods ben. Ik zeg ook eigenlijk bijna nooit meer dat ik op een Joodse school zit. Dus zeg ik vaak: ja, gewoon een school in Buitenveldert.

„Ik heb ook een gouden kettinkje met mijn naam in het Hebreeuws. Dat draag ik al sinds ik heel klein was, mijn zus en nichtjes hebben ’m ook, van mijn opa en oma gekregen. Als ik op drukke plekken ben, doe ik de ketting soms onder mijn trui. Dan voel ik me toch een stuk veiliger. Terwijl: op die ketting staat mijn naam, maar dan in een andere taal. En dan stop ik mezelf dus eigenlijk weg. Maar toch heb ik heb het gevoel dat ik dat dus soms moet doen.”

„Ik weet dat er mensen zijn die denken: de Joden zijn hier niet welkom. Terwijl: ik ben hier gewoon geboren en mijn vriendinnen allemaal ook. En toch moeten wij nadenken of we hier nog wel gewild zijn, of we wel kunnen zeggen dat we Joods zijn.

En ik weet ook: dit is precies wat ze willen. Ons een beetje bang maken. En dat vind ik echt irritant, want dat wil ik echt niet. Maar het lukt ze dus wel.”

Anne-Maria van Hilst (38), rondleider in musea en organisator interreligieuze gesprekken‘Zie je? Ik ben nu ook aan het trillen’

Foto Bram Petraeus

„Ik pas er tegenwoordig mee op, maar het liefst stel ik me voor door te zeggen: ‘Ik ben Anne-Maria, ik ben Amsterdammer en ik ben Joods.’ Ik draag graag mijn davidster, maar dat doe ik ook niet altijd meer. Ik kies er nu voor om bewust niet herkenbaar als Jood over straat te lopen. Toen ik mijn davidster nog vaak droeg ben ik bespuugd, uitgescholden. Ik herinner me een groepje jongens in een poolcafé, die zeiden: ‘We willen geen kankerjoden hier.’

„Sinds de aanslagen begin dit jaar is mijn stressniveau nog hoger dan het al was. Zie je? Ik ben nu ook aan het trillen.

Ik let altijd op als ik ergens zit. Waar is de uitgang?

Als ik uit de synagoge kom, kijk ik om me heen. Dan ben ik bang voor iemand met een mes.

„Ik ben regelmatig in de media om te praten over het jodendom. Daardoor ben ik vrij zichtbaar. Een aantal jaar geleden kreeg ik, uit het niets, een WhatsAppbericht met een foto. Dat kwam van een voor mij onbekend telefoonnummer uit Afghanistan. Het was een foto van een kind, met een vuurwapen in zijn hand en een bandana om zijn hoofd. Het wapen was gericht naar de camera, richting mij dus. Ik heb er natuurlijk geen bewijs voor, maar ik weet bijna zeker dat het een reactie is op hoe ik me uitspreek in de publiciteit. Dat was heel eng en ik heb aangifte gedaan. Er is nooit iemand voor opgepakt.

Foto Bram Petraeus

„Ik ben daarna meer teruggetrokken gaan leven. Me meer gaan afvragen: wanneer laat ik zien dat ik Joods ben? Ik heb nu een ketting, dat is een davidster, maar die kun je ook uit elkaar vouwen. En dan lijkt het op een soort vlindertje. Soms voel ik me veilig en dan draag ik hem als davidster. Maar meestal, als ik op straat loop, vouw ik het uit.

„De ochtend na de aanslag op de Joodse school in Amsterdam, werd ik wakker met allemaal berichtjes. En dan meteen: o, kut. Ik zat in mijn bed met een knoop in mijn maag. Want je hoort altijd: het is zo goed beveiligd. Maar dan besef je weer: we zijn hier toch echt niet veilig.

„Soms zit ik op de bank te hyperventileren of te huilen, om wat er nu allemaal gebeurt. Ik ben vierde generatie Amsterdammer, ik hou van mijn stad. Maar ik voel me niet veilig. Dat is heel erg naar.

„In mijn werk probeer ik de dialoog tussen mensen met andere geloven aan te gaan. Het ingewikkelde is dat veel van die gesprekken nu niet kunnen doorgaan. Ik wilde bijvoorbeeld op een asielzoekerscentrum een lezing geven en dan zegt de politie dat ze mijn veiligheid alleen kunnen garanderen als er drie politieagenten mee gaan. Ja, dan heb je geen normaal gesprek meer. Laat maar dan. Terwijl ik daar veel meer in geloof dan het bouwen van nog hogere hekken. We moeten elkaar in de ogen blijven kijken. We moeten elkaar als mensen blijven zien.”

Daniël Kolbach (49), software-ontwikkelaar‘Hij spuugde naar me, twee keer’

Foto Bram Petraeus

„Ik voel me steeds vaker een Nederlandse Jood, in plaats van een Joodse Nederlander. Op verjaardagen is vaak het eerste onderwerp wat ik van Israël vind. En dat blijft gek, om aangesproken te worden op een land waar ik niet woon. Dat vragen ze alleen maar omdat ik Joods ben.”

„Ik draag geen keppeltje, dat doe ik alleen binnen de sjoel [synagoge]. Maar als ik buiten kom, moet ik niet vergeten hem af te zetten, om mezelf te beschermen. Sinds een jaar ben ik daar nog voorzichtiger mee geworden. Dat voelt als een vorm van onderduiken: jezelf verstoppen. Ik probeer mijn leven er niet door te laten beheersen, maar ik houd er wel rekening mee.”

„Een keer was ik vergeten dat ik mijn kippah nog op had. Er kwam een groepje om me heen staan, in een kring, intimiderend. Ze zeiden: Jood, hé Jood, Israël. Ik heb me door die groep heen moeten drukken, om weg te komen.”

„Een andere keer liep ik op de stoep, kwam er een auto naast me rijden, heel langzaam. Het raampje ging open en de bestuurder begon te schreeuwen. Ik hoorde niet precies wat. Hij spuugde naar me, twee keer. Daarna wilde hij stoppen, maar hij was alleen met mij bezig en niet meer met het verkeer. Daardoor tikte hij een fietser en reed ‘ie hard weg. Dan denk je wel: wat had er kunnen gebeuren?”

„En weet je, voor mij heeft naar de sjoel gaan echt een meditatief effect. Elke vrijdagavond wil ik de drukke stad en het drukke leven even achter me laten. Soms wil ik thuis al in de sfeer komen, dan zet ik mijn keppeltje op. En dan wel een hoed eroverheen, als ik naar buiten ga. Dat doe ik bewust, al staat het me tegen. Ik wil geen gedoe.”

Foto Bram Petraeus

„Dan kom je bij de sjoel, de lichten branden al, en dan zie je meteen drie of vier marechaussee staan, met machinegeweren, kogelvrije vesten aan. Grote auto’s. Dan denk ik: o ja, ik ga nu van de gewone wereld naar de beschermde wereld. Een sluis door, het hek door. En dan ben ik binnen. Hoed af. En dan pas rust.”

„Een tijdje geleden ging ik bij een vriend de mezoeza [tekstkokertje op de deurpost] aanslaan. Hij was net verhuisd, een Joodse traditie. We hadden een keppeltje op, zo hoort dat. Daarna gingen we in de vensterbank zitten met een glaasje wijn, het was mooi weer, het raam was open. Na een paar minuten hoorden we iemand schreeuwen beneden. Hij riep Jood met een scheldwoord ervoor, en allemaal dingen over Israël. Al snel werd het een hele schreeuwende groep.”

„Die vriend van mij vroeg: wat is er aan de hand? Ik kijk hem aan en snap het meteen. ‘Och, je hebt je keppeltje nog op’, zei ik. Ik stelde voor om maar weg te gaan, het raam dicht te doen. Hij wilde dat eigenlijk niet. En ik ook niet. Maar we hebben dat toch gedaan.

Ja, dat is toch wel het ultieme tegenovergestelde van je welkom voelen in je stad.”

Nathanja van Moppes (66),
huisarts en docent-onderzoeker diversiteit en inclusie
‘Als Jood moet ik me openlijk van Israël afkeren’

Foto Bram Petraeus

„Als ik iets over mezelf vertel, zeg ik nooit als eerste dat ik Joods ben. Al op jonge leeftijd leerde ik hoe het voelt om in de ogen van anderen ‘anders’ te zijn. Daardoor heb je voortdurend het gevoel dat je op moet passen.

Online gebruik ik mijn voornaam daarom niet. Ik wil niet dat mensen meteen denken: oh, die is Joods.

„De recente aanslagen op Joodse instellingen in Nederland vond ik bedreigend, maar de reacties daarna waren minstens zo pijnlijk. Omdat er gelukkig geen slachtoffers vielen, werd snel voorbijgegaan aan het feit dát dit gebeurt. Mensen zeiden zelfs dat Joden ‘niet zo moeilijk’ moesten doen over ‘een beetje roet op de muur’. Het zijn ogenschijnlijk kleine incidenten, maar het zijn net ‘papercuts’. Eén voel je amper; honderden die zich blijven herhalen des te meer.

„Juist binnen mijn werkveld van diversiteits- en inclusieonderzoek voel ik me de laatste jaren minder geaccepteerd. Dat wringt, omdat het haaks staat op de waarden die dit vakgebied uitdraagt. Toch merk ik dat het inclusie-ideaal dat we voor andere minderheidsgroepen vanzelfsprekend vinden, steeds minder geldt voor Joden. Joden zijn niet meer een minderheidsgroep waarvoor je je automatisch ook hard zou maken.

„Als Jood moet ik me nu openlijk van Israël afkeren, anders ben ik in de ogen van veel mensen ‘fout’. Toen tijdens mijn werk ter sprake kwam dat ik Joods ben, kreeg ik direct de vraag: ‘Maar jij bent toch ook wel tegen het bombarderen van ziekenhuizen?’ Het deed me denken aan de periode vlak na 9/11, toen mensen ook van moslims verwachtten dat zij zich zouden verantwoorden voor daden waar zij niets mee te maken hadden.

„Ik heb toenemend het gevoel dat ik op mijn hoede moet zijn. Soms vraag ik me af hoelang Nederland nog de plek zal zijn waar ik me echt veilig voel.”


Daniella Coronel (53), communicatieadviseur‘Mijn dochters waren écht bang’

Foto Bram Petraeus

„Dat ik Joods ben was altijd vanzelfsprekend. Na 7 oktober kreeg ik de vraag: wat vind jij daar van als Joodse vrouw? Ik denk dan: wat maakt het uit wat ik ervan vind? Maar ik moet me blijkbaar verantwoorden voor wat zich daar afspeelt. En ik merkte aan kleine dingen dat het me heeft veranderd. Op mijn werk zei ik tijdens vergaderingen niet meer dat ik Joods ben. Ik zei tegen mijn kinderen: zeg maar niet meer dat je naar een Joodse school gaat.

„Ik ben niet heel religieus. Maar een van de weinige Joodse rituelen waar ik altijd aan heb meegedaan is de mezoeza. Een kokertje dat aan je deurpost hangt, waar een rolletje van de Tora in zit. Het doet me denken aan mijn ouders. Vanaf dat ik op mijn achttiende op kamers ging, hing er altijd eentje aan mijn voordeur.

„Een tijdje terug kwamen mijn dochters thuis. Ze zeiden: ‘Mama, er rijden mannen langs de deuren om te kijken of er Joden wonen.’ Ze hadden dat op school gehoord. Of het klopte? Dat weet ik niet. Maar het leefde enorm, mijn dochters waren écht bang. Ze wilden dat ik de mezoeza van onze deur haalde. Ik reageerde meteen, met: ‘Nee, dat ga ik nooit doen.’ Toen zeiden mijn dochters dat ze hier niet wilden zijn als ik het er niet af zou halen. Ja, wat doe je dan? Dan haal je het er af. Ik heb een schroevendraaier gepakt.

Ik huil niet snel, maar toen wel.

Ik weet nog dat ik dacht: dit is iets wat bij mijn Joodse identiteit hoort en dat ga ik nu weghalen.

Foto Bram Petraeus

„Ik denk soms: waar eindigt dit? Zijn we hier nog veilig? Is dit nog ons land? Maar ik zal er alles aan doen om gewoon hier als trotse Joodse vrouw mijn leven te kunnen leiden. En dat betekent ook: ik wil me niet meer verstoppen. Ik ga die mezoeza ook weer gewoon op de voordeur hangen. Ik heb nu zoiets van: ik ga opstaan. Ik heb een paar weken geleden een oorbel gevonden, een davidsterretje. Die heb ik met trots ingedaan. Ik dacht: ik ga dit gewoon weer dragen, dit is wie ik ben.”

Lees het hele artikel