De Zaak
Bij ExxonMobil zijn de arbeidsvoorwaarden niet vastgelegd in een met de vakbonden onderhandelde cao, maar zijn hierover afspraken gemaakt met de ondernemingsraad. Ook de indexatie van de pensioenen valt onder die afspraken. Daarover is – in 2005 – vastgelegd dat het streven is de pensioenen jaarlijks met 90 procent van de inflatie te laten stijgen, zolang dat niet meer is dan wat de werknemers die nog actief zijn erbij krijgen. Ook is afgesproken dat de onderneming in bijzondere gevallen extra geld voor de indexatie beschikbaar kan stellen.
In 2021 kregen gepensioneerden er niks bij, omdat actieve medewerkers er ook niks bij kregen en de verhoging van de pensioenen was gemaximeerd tot de loonsverhoging van de medewerkers. In 2022 en 2023 groeiden de pensioenen een beetje, omdat de lonen ook maar een beetje stegen. In 2024 kwam de inflatie, of specifieker: de afgeleide consumentenprijsindex (CPI), uit in de min, en daarom volgde ook toen geen indexatie, maar de lonen stegen dat jaar wel uitzonderlijk fors, met 7 procent. Daarover zegt de ondernemingsraad: dit is zo’n bijzonder geval waarvoor ExxonMobil de portemonnee moet trekken, zodat ook de gepensioneerden erop vooruit kunnen gaan. Omdat ExxonMobil niet thuis geeft, stapt de OR naar de kantonrechter in Rotterdam. ExxonMobil moet wat de OR betreft de gepensioneerden compenseren voor de misgelopen verhogingen van de pensioenen van 2021 tot en met (vooral) 2024. Het concern zelf geeft aan die plicht niet te lezen in de gemaakte afspraken en stelt bovendien dat het niet aan de OR is om hierover naar de rechter te stappen.
De uitspraak: wel compenseren, bedrag nog open
Allereerst stelt de rechter vast dat de ondernemingsraad wél mag procederen over arbeidsvoorwaarden zoals pensioen, nu de afspraken hierover ook met de ondernemingsraad zijn gemaakt.
Kijkt de rechter naar de afspraken over de pensioenen, dan ziet ze twee delen: een ‘formuledeel’, waarbij ExxonMobil zich heeft verbonden aan het streven om die met 90 procent van de inflatie te laten stijgen, zolang dat niet meer is dan de loonsverhogingen van dat jaar. Ook dat formuledeel is niet helemaal correct gebeurd, stelt de OR, maar de meeste discussie bestaat over het andere deel, het ‘aanvullende deel’: extra de portemonnee trekken als bijzondere omstandigheden daarom vragen. Was daar sprake van, met name in 2024? Ja, zegt de OR, en, stelt de rechter vast, ja zei ook ExxonMobil in een eerdere vergelijkbare situatie. En dus zou het passen, ook vanuit goed werkgeverschap, dat het concern ook nu ingrijpt om de pensioenen niet te ver uit de pas te laten lopen met de lonen.
Maar, zegt de rechter, de afspraken zijn niet zo hard dat de rechter de vordering van de ondernemingsraad – een indexatie van 7 procent voor 2024 – precies zo kan toewijzen. De afspraken en de eis van goed werkgeverschap maken dat ExxonMobil wel moet bijstorten, maar hoeveel, daarvoor stuurt de rechter partijen terug naar de tekentafel. Dat heeft te maken met de zogeheten discretionaire bevoegdheid die ExxonMobil hierin heeft. Die geeft het concern een zekere vrijheid om zelf te bepalen of en hoezeer het bijstort. Maar de afspraken zijn ook weer niet zo vrijblijvend dat ExxonMobil ook kan kiezen om nu niks te doen, oordeelt de rechter. En dus krijgt de ondernemingsraad de tijd om de vordering aan te passen en te concretiseren en mag ExxonMobil daar vervolgens weer op reageren. De rechter spreekt daarbij de hoop uit dat de procedure bij de rechtbank (en eventueel gerechtshof en Hoge Raad) niet meer vervolgd hoeft te worden.
Het commentaar
„Het komt niet vaak voor dat een ondernemingsraad in een zaak als deze naar de rechter stapt”, zegt Stefan Sagel, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit Leiden en partner bij De Brauw Blackstone Westbroek. Omdat, legt hij uit, het ook vrij uitzonderlijk is dat dit soort afspraken over de arbeidsvoorwaarden met de OR worden gemaakt. „Meestal is dat met vakbonden.” Daarom is het nu volgens Sagel ook logisch dat de OR zijn verantwoordelijkheid neemt en naar de rechter stapt.
En waarom krijgt de ondernemingsraad ook grotendeels gelijk? Daarover zegt Sagel dat de rechter de standaard ‘uitlegnorm’ voor contracten hanteert. Dan kijk je minder letterlijk naar de tekst maar naar wat er is bedoeld en wat partijen van elkaar mogen verwachten. Dit in tegenstelling tot de ‘cao-norm’, waar juist wel gekeken wordt naar wat er precies schriftelijk is vastgelegd over de afspraken. „En in alles wat beide partijen over de indexatie van de pensioenen en de uitzonderingssituaties waarin moet worden bijgestort, hebben gewisseld, leest deze rechter dat de ondernemingsraad mocht verwachten dat ExxonMobil zou bijstorten.”
Dat er nu geen definitieve uitspraak ligt, heeft inderdaad alles met die discretionaire bevoegdheid te maken, zegt Sagel. „Dat klinkt als alle vrijheid voor de werkgever, maar zo’n vrijheid wordt ook ingekleurd door de eis van goed werkgeverschap. De rechter zegt nu niet: ‘ExxonMobil, dit moet je betalen’, maar ‘los het met elkaar op’. Ik begrijp die uitkomst wel. Een discretionaire bevoegdheid is geen vrijbrief voor willekeur, maar het is ook geen verplichting het maximale te doen.”
Uitspraak: Rechtbank Rotterdam, 4 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:5176


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/21161347/210526BIN_2033911836_carnisse1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/21185514/210526DAT_2033893810_loon.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/21170817/210526BIN_2033908334_velkers.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/19162650/190526DEN_2033841427_migratiepact2.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/19223008/190526VER_2033853891_.jpg)


English (US) ·