Het kabinet-Jetten kan ‘antifa’ niet aanmerken als terroristische organisatie. Volgens minister David van Weel (Justitie en Veiligheid, VVD) is er „op dit moment” geen feitelijke informatie voorhanden die „voldoende” onderbouwt dat ‘antifa’ een gecentraliseerde (terroristische) organisatie is, schrijft hij vrijdag in een brief aan de Tweede Kamer.
Een krappe Kamermeerderheid (76 Kamerleden) nam vorig jaar september een motie van Lidewij de Vos (FVD), Geert Wilders (PVV) en Caroline van der Plas (BBB) aan die het kabinet opriep antifa als terroristische organisatie aan te merken. Ook partijen VVD, JA21 en SGP stemden voor het plan.
Van Weel brengt in herinnering dat een rechter moet bepalen of in strafrechtelijke zin sprake is van een terroristische organisatie, oftewel „een samenwerkingsverband, met een zekere […] structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon, waarbij het oogmerk van dat samenwerkingsverband is gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven [met een] terroristisch oogmerk”. De minister kan personen of organisaties wel op de ‘nationale sanctielijst terrorisme’ plaatsen, maar daar ziet Van Weel in het geval van ‘antifa’ dus geen reden toe.
De indieners van de motie noemden de Verenigde Staten als inspiratiebron. President Donald Trump bestempelde ‘antifa’ een dag voor de Nederlandse motie per decreet als „binnenlandse terreurorganisatie”.
Trumps decreet én de motie van FVD riepen vragen op over de uitvoerbaarheid. Antifa is vooral een idee of ideologie, een parapluterm voor verschillende vormen van links activisme: demonstraties, doxing (het verzamelen of openbaar maken van persoonsgegevens) en intimidatie. Een ieder kan namens ‘antifa’ spreken, omdat er geen centrale organisatie is die een leider kiest of een ledenstructuur kent.
Charlie Kirk
Dat ‘antifa’ een vage parapluterm is, bleek eind vorig jaar. Michael Glasheen, een operationeel directeur binnen de FBI, kon tijdens een hoorzitting in het Congres geen vragen beantwoorden over groepsgrootte of uitvalsbases van ‘antifa’. Desondanks stelde hij volgens CNN dat ‘antifa’ een „grote zorg” is van de binnenlandse veiligheidsdienst van de Verenigde Staten.
De regering-Trump presenteerde begin deze maand een contra-terrorismeaanpak. „Naast drugskartels en islamitische terreurgroepen”, schreven de opstellers van het plan, „zullen onze nationale (terrorismebestrijdings)activiteiten ook prioriteit geven aan de snelle identificatie en uitschakeling van gewelddadige seculiere politieke groeperingen met een anti-Amerikaanse, radicale pro-transgender en anarchistische ideologie.”
Trump gebruikt de breed toepasbare term ‘antifa’ om activisme van politieke tegenstanders te criminaliseren en strafonderzoeken te starten. Als reden voor zijn aanpak wijst hij onder meer naar de moord op de conservatieve opiniemaker Charlie Kirk, vorig jaar september. In die strafzaak is Tyler Robinson verdachte. Zover bekend was hij niet aangesloten bij een antifascistische groepering.
Lees ook
Antifa is vooral een parapluterm met symbolische waarde


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/21172028/230526DEN_2033825265_corona5.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/21121925/220526WEE_2033807617_asiel2.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/22164352/220526VER_2033943552_Hanta.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/19223008/190526VER_2033853891_.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/19162650/190526DEN_2033841427_migratiepact2.jpg)
English (US) ·