Een briefje van de dokter. Daar hadden Duitse politici en media het vooral over toen afgelopen donderdag de regering van bondskanselier Friedrich Merz een pakket hervormingen presenteerde, dat eindelijk de economie uit het slop moet gaan trekken. De reden van de ophef: Duitse werknemers mogen zich volgens de regeringsplannen niet meer telefonisch ziekmelden, maar moeten vanaf dag één van hun ziekteperiode een schriftelijk bewijs aanleveren van een arts. Dit om het ziekteverzuim aan te pakken.
Los van de „catastrofale” gevolgen die huisartsen vrezen („complete overbelasting”), zien Duitse burgers het ook niet zitten om met een koortskop meteen naar de huisarts te moeten. Politici van de regerende CDU en SPD haastten zich om uit te leggen dat wie écht ziek is, natuurlijk gewoon thuis kan blijven.
Dit is maar één van de 34 voorstellen in het „programma voor economische opleving (Aufschwung) en werkgelegenheid” van de regering, die verder gaan over, onder meer, lastenverlichting voor lage en middeninkomens en over verruiming van zondagse openingstijden voor bakkerijen (verse Brötchen!).
Massaal banenverlies
Voorstellen die minder tot de dagelijkse verbeelding spreken, maar wel een stuk belangrijker zijn, draaien om het keren van het tij voor de Duitse exportindustrie. Die is al decennia dé bron van de Duitse welvaart, maar zit nu zwaar in de problemen. De industrieproductie daalt al jaren en ligt nu zo’n 13 procent onder het niveau van voor de pandemie. Berichten over massaal banenverlies zijn aan de orde van de dag. Volkswagen wil wereldwijd 100.000 gaan schrappen, zo werd twee weken geleden bekend; in Duitsland moeten vier fabrieken dicht. Deze donderdag spreekt de raad van toezicht van VW daarover, die voor de helft bestaat uit werknemersvertegenwoordigers.
Deze week moet ook meer duidelijkheid brengen over hoe de economie van industrie-exportland Duitsland het nu doet. Het Internationaal Monetair Fonds publiceert woensdag een tussentijdse bbp-raming voor belangrijke economieën. In Duitsland zelf wordt gerekend op een magere 0,5 procent bbp-groei dit jaar (dit na krimp in 2023 en 2024, gevolgd door minieme groei van 0,2 procent in 2025).
De Duitse economische malaise is een thema waar we bij NRC scherp op letten. Niet alleen omdat Duitsland de grootste economie van Europa is, en de grootste handelspartner van Nederland, maar omdat er politiek gezien in het land iets fundamenteels aan het gebeuren is. De radicaal-rechtse AfD is inmiddels de grootste partij in de peilingen en de economische zorgen van de Duitsers lijken daaraan bij te dragen.
Waar zit nu precies de reden van die stagnatie? Daarover wordt nu door economen hevig gedebatteerd. En: hoe passen de plannen van de Merz-regering daarin?
China als boeman
Eerst even het economendebat in vogelvlucht. Voor het onderpresteren van de Duitse economie worden de volgende oorzaken het vaakst genoemd, in willekeurige volgorde: de hoge energieprijzen waarmee Duitse bedrijven kampen, een gebrek aan innovatie, een gebrek aan investeringen, moordende en oneerlijke Chinese concurrentie en knellende bureaucratie. Waar de nadruk moet liggen, daar denken economen verschillend over.
Een recent artikel dat nogal wat stof heeft doen opwaaien is van de Nederlandse econoom Sander Tordoir, woonachtig in Berlijn (waar ik hem begin 2025 sprak). Met de Amerikaanse econoom Brad Setser schreef hij in mei dat Duitsland vooral lijdt onder de „China-schok 2.0”. De neergang van de Duitse industrie, betogen ze, is het ergst in sectoren die blootgesteld zijn aan Chinese concurrentie (auto’s, machines, chemie). Duitse bedrijven worden „weggedrukt” door China, dat zijn groeimodel eenzijdig op export heeft gebaseerd, zijn industrie spekt met staatsubsidies en de wisselkoers van zijn munt kunstmatig laag houdt.
Tordoir en Setser bepleiten het assertiever inzetten van invoerheffingen tegen China en ook een sterkere Europese industriepolitiek. Naar verluidt belandde het rapport van Tordoir en Setser ook op het bureau van bondskanselier Merz, die de laatste tijd opvallend kritisch is over China, een land dat tot voor kort in Duitsland vooral gold als aantrekkelijke afzetmarkt. Je ziet die kritische toon ook in het hervormingspakket van vorige week. „Robuuste bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken” is nodig, staat er. De goede verstaander weet dat het hierbij vooral gaat om China.
Huisgemaakte problemen
Tegenover het ‘China-schok’-kamp staan economen die de nadruk leggen op het „huisgemaakte” karakter van de Duitse problemen. Het Kiel Institut, een gerenommeerd onderzoeksinstituut, deed twee weken geleden een duit in het zakje. Economen van het instituut ontkennen de snelle opmars van China als industriële grootmacht niet, maar merken wel op dat landen als Zwitserland, Zuid-Korea en de VS er beter in slagen de Chinese het hoofd te bieden dan Duitsland. Twee derde van het verlies aan Duits marktaandeel op de wereldmarkt, zeggen ze, moet worden verklaard door factoren anders dan ‘China’.
Het Kiel Institut noemt onder meer op de gebrekkig functionerende Europese interne markt en de hoge energieprijzen in Duitsland als andere mogelijke verklaringen. Innovatie en investeringen in nieuwe technologie zouden daardoor uitblijven. Invoerheffingen, schrijven ze, kunnen dit probleem niet verhelpen. „Verdieping van de interne markt en grootschalige investeringen” zijn nodig, een frase waarin we de echo van Mario Draghi weer eens horen.
Ook de economisch historicus Adam Tooze houdt de Duitsers zelf een spiegel voor. Bij de verdringing van Duitse automerken door Chinese (elektrische) auto’s wordt gewezen op de grote staatssubsidies die Chinese automakers ontvangen, schrijft Tooze. En inderdaad, die zijn fors. Maar Duitsland had evenveel geld in zijn auto-industrie kunnen investeren als China, betoogt hij in zijn lezenswaardige nieuwsbrief. Die hadden kunnen worden betaald uit de enorme winsten die de Duitse auto-industrie tot voor kort nog haalde. In plaats daarvan werden die winsten „uitbetaald aan aandeelhouders in de vorm van dividenden”. In alleen het jaar 2023 ging het om 31 miljard euro aan dividend. Tooze oppert dat autobedrijven kunnen worden verplicht een minimumgedeelte van hun winsten te investeren, in plaats van door te sluizen naar aandeelhouders.
Made in Germany
In de plannen van de Duitse coalitie is het punt van investeren in innovatie niet afwezig. Het eerder afgesproken „Deutschlandfonds”, een groot investeringsfonds van de coalitie, moet worden versterkt. „Technologieën van de toekomst” moeten worden „ondersteund”, onder meer in de autoindustrie en de chip- en batterijproductie. „Made in Germany”, is het devies.
Het punt dat Tooze aansnijdt wordt door de Duitse coalitiepartijen vooralsnog wijselijk vermeden. (Auto-)bedrijven dwingen tot investeren − dat zou behoorlijke overheidsinmenging betekenen in de bedrijfsvoering. En dus héle stekelige gesprekken kunnen opleveren met het bedrijfsleven.
Oproep aan lezers: wat vinden jullie, moeten bedrijven in Europa worden gedwongen tot investeringen als ze dat te weinig doen? Mail me op mark.beunderman@nrc.nl.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/05201508/050726VER_2034985249_.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/05105924/060726BIN_2034979043_delden.jpg)
/https://content.production.cdn.art19.com/images/9c/3c/07/86/9c3c0786-ed9e-4b43-bd3a-49052b0ebef6/3353317a8a3d223f89708e400ec602f514907b3039e523624af5fa14967f4f8a60de5795a2dcc136b78a478d11e9fa0d1fd8e364f97518db13837e56100cb778.jpeg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/02153157/030726ECO_2034305085_WEB_ILLU_Geboren-consument1_Tomas-Schats.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/03172458/web-030726BIN_2034951268_quint.jpg)
English (US) ·