Ook voor de verkleumde Mohammed is plaats in de sporthal

16 uren geleden 2

Het vriest twee graden, de noordoostenwind zorgt voor een gevoelstemperatuur van min tien en sinds de middag sneeuwt het ook weer onafgebroken in Amsterdam. Gelukkig heeft Mohammed Akdimi (55) nu een slaapplaats, binnen. Met een opgewekt „Heee, Mo!” wordt hij verwelkomd door Bianca Koster, die bij de ingang van de Van Hogendorphal in Amsterdam-West de administratie doet. Ze kennen elkaar: Koster is locatiemanager bij een inloophuis waar daklozen overdag terechtkunnen, en goed in gezichten. „Kan ik ergens mijn schoenen drogen?”, vraagt hij. Natuurlijk kan dat. „En wil je een paar droge sokken?”

Deze noodopvang voor daklozen zal vrijdagavond wel weer goed vol raken, verwacht De Regenboog Groep, die de boel hier organiseert. Het is een van de drie opvanginstanties in de stad. Een dag eerder is de sporthal ingericht als nachtopvang. De 51 bedden die toen beslapen waren zijn al aangevuld met zestig bedden in een tweede ruimte.

De noodopvang is deze week op stel en sprong opgetuigd, nu alle andere locaties vol zijn en de kou nog dagen aanhoudt. Elke winter biedt de gemeente Amsterdam al 250 bedden aan mensen die anders buiten zouden slapen; als de temperatuur sterk daalt, komen daar nog 250 bedden bij. Dan treedt de Winterkouderegeling in werking, die gemeentes landelijk zijn overeengekomen. De normale voorwaarden voor een slaapplek, zoals langdurige binding met de stad, worden dan opgeschort, zodat alle ‘buitenslapers’ zich kunnen melden. Deze extra capaciteit in de sporthal komt dáár nog bovenop. In dit winterweer hoeft niemand op straat te slapen, is het expliciete uitgangspunt van de gemeente Amsterdam.

Daklozenopvang in de Van Hogendorphal in Amsterdam-West.

Daklozenopvang in de Van Hogendorphal in Amsterdam-West.

Foto Saskia van den Boom

Babygiraffe

Vrijdagavond staan locatiemanager Janneke van Loo en haar collega’s nog meer veldbedjes op te zetten. „Het is een soort babygiraffe”, zegt ze. „Eerst is het net een stapeltje poten, maar als-ie staat, lijkt het ineens ergens op.” Er zijn al tientallen mannen binnen – voor vrouwen, een minderheid, is een aparte locatie. Er staan maaltijden klaar in magnetronbakjes, dozen verse oliebollen en er is koffie en thee.

„We zijn als stad nog nooit zo ver over de maximumcapaciteit heen gegaan”, zegt Van Loo. „Doorgaans kunnen we het aan met hier vijf bedjes extra en daar nog drie. Maar als het langere tijd koud is, loopt het aantal mensen dat aan komt waaien per nacht op. We zitten nu op ruim 600 bedden en het einde is nog niet in zicht.”

Is dit dan wel genoeg? „We kunnen uitbreiden. Als je echt wil, passen er ook 140 bedden waar er nu 60 staan, dan is het ramvol. Maar dan is er nog een kerk in Noord die zich openstelt, of we leggen een paar mensen in de vergaderkamer op ons kantoor.”

Volgens de laatste tellingen, van vorig jaar, zijn er in de regio Amsterdam-Amstelland ruim 13.000 mensen dak- of thuisloos. Daaronder vallen ook mensen die bij familie of kennissen logeren; het precieze aantal buitenslapers is niet bekend. Maar het groeit. „Buitenslapers zijn echt weer terug in het straatbeeld”, zegt Van Loo. „Eerst moest je weten waar je moest kijken, nu moet je je best doen om ze niet te zien.”

Seizoenswerk

Veelal gaat het om arbeidsmigranten, vaak uit andere EU-landen, die aan lagerwal zijn geraakt of seizoenswerk deden dat afliep, waaraan hun huisvesting gekoppeld was.

„Werk vinden is het probleem niet”, zegt Salomon, een 42-jarige Ghanees die nu drie maanden in Amsterdam is. „Maar het proces waar je in terechtkomt als je onderdak wil vinden, is zo ingewikkeld.” Zijn vriend Kennedy (53), die oorspronkelijk uit Kenia komt: „Ik heb een BSN en een Italiaans rijbewijs, dus ik zou zo weer als chauffeur aan het werk kunnen. Maar voor een huis heb je weer andere documenten nodig.”

Foto Saskia van den Boom

De twee leerden elkaar kennen in Italië, waar ze seizoenswerk deden – Salomon in de zomer aan de kust, waar hij zelfgemaakte plastic mandjes verkocht en dreadlocks invlocht; Kennedy als sjouwer en losser. Ze slapen nu voor de tweede nacht op rij in de Van Hogendorphal, daarvoor sliepen ze op „verschillende plekken”. Kennedy: „Normaal gesproken, als je dat normaal kunt noemen, in een tentje. Ik prijs Nederland dat we nu binnen kunnen slapen, in deze kou.” Salomon: „Vanmiddag was het zo koud dat ik nauwelijks mijn telefoon kon bedienen voor de navigatie. Toen het ging sneeuwen zijn we verdwaald, 45 minuten lang. Maar we hadden elkaar tenminste nog.”

Achter haar laptop blijft Bianca Koster maar nieuwe namen invoeren: „We gaan de honderd vanavond wel aantikken.” Voor de deur stopt het busje van Veldwerk Amsterdam, dat door de stad rijdt en mensen oppikt, bijvoorbeeld na een melding van de politie. Eerder brachten zij de verkleumde Mohammed binnen, nu opnieuw drie mannen, ook veel mensen die nog niet in het systeem van de opvangorganisaties voorkomen. „Wij proberen mensen over te halen om binnen te gaan slapen”, vertelt veldwerker Marieke Dwars. „Het is niet dat ze niet willen, het is eerder een kwestie van niet kunnen. Ze zien op tegen zoveel mensen om zich heen, of weten dat ze daar niet goed op gaan, bijvoorbeeld omdat ze gebruikers zijn.”

„Als je nu een halve fles wodka wegtikt en buiten gaat liggen, komt het niet goed”, vult Janneke van Loo aan. Zij stapte net opgetogen het ontvangsthalletje binnen. „Zo, weer tien giraffes ter wereld gebracht!” Hoewel het de komende nacht nog kouder voorspelt te worden, is de sfeer goed. „We kunnen nu tenminste iets doen. Zodra de temperaturen oplopen, is de nood weg en moeten we iedereen weer op straat zetten. Het probleem is dan niet weg, maar de oplossing wel.”

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel