Waarom de Duitse economie al jaren zo matig presteert, en toch goede vooruitzichten heeft

16 uren geleden 1

Leek de Duitse economie dit jaar na lang gekwakkel eindelijk weer eens met één procent of iets meer te groeien, moest die verwachting deze week alweer naar beneden worden bijgesteld. Door de oorlog in het Midden-Oosten, en de daardoor gestegen energieprijzen, zit er voor Duitsland dit jaar vermoedelijk niet meer in dan 0,6 procent groei. Dat is de gemeenschappelijke prognose van de toonaangevende Duitse economische onderzoeksinstituten, die daarmee hun aanvankelijke groeiverwachting van 1,3 procent meer dan halveerden.

Er zijn genoeg redenen om bezorgd te zijn over de al jaren matig presterende Duitse economie, zegt Gerard Pfann, bijzonder hoogleraar Duits-Nederlandse Economische Betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam, en hoogleraar econometrie van markten en organisaties aan de Universiteit Maastricht. Maar de grootste economie van Europa heeft ook unieke eigenschappen, die reden geven tot hoop op herstel – waarvan ook buurland Nederland kan profiteren, zegt Pfann.

„Die twee economieën zijn heel erg met elkaar verbonden. Duitsland is voor Nederland de allergrootste handelspartner. Verreweg. En wat niet iedereen beseft: Nederland is voor Duitsland de op drie na grootste handelspartner, na de VS, China en Frankrijk. De Nederlandse en Duitse economieën zijn zó sterk met elkaar verweven dat als het slecht gaat in het ene land, dit later ook effect heeft op het andere.

De Nederlandse en Duitse  economieën zijn zó sterk met elkaar verweven dat als het slecht gaat in het ene land, dit later ook effect heeft op het andere

„Nederland heeft de afgelopen jaren een economische groei gekend van ruim 1 procent, terwijl de Duitse in dezelfde periode licht gekrompen is. Op de iets langere termijn is het verschil nog heftiger: sinds 2017 is de Nederlandse economie met 12 procent gegroeid, de Duitse slechts met 1,2 procent.”

Waar komt dat grote verschil door?

„Het verschil is dat wij in Nederland een economie hebben die draait om dienstverlening, logistiek en handel. In Duitsland is de maakindustrie van nature dominant. Die draait op energie, en dat zorgt voor hoge kosten. Chemie, metaal, papierindustrie – ze gebruiken allemaal veel energie en zijn dus allemaal de dupe van hogere energieprijzen. Nederland is wel verweven met de Duitse economie, maar als diensteneconomie veel minder afhankelijk van die energieprijzen – en daardoor flexibeler.

„Nog een opmerkelijk verschil tussen de beide buurlanden: in 2012 was het percentage van de bevolking dat werkt in research and development, onderzoek en ontwikkeling, voor het eerst groter in Nederland dan in Duitsland. De incubatietijd van R&D – de tijd tot een investering daarin geld gaat opleveren – ligt tussen de drie en zeven jaar, zeg maar vijf jaar. En wat zie je? Sinds 2017 blijft de economische groei in Duitsland achter. Ik denk niet dat het achterblijven van investeringen in R&D in Duitsland daarvan de oorzaak is, maar het is er wel een symptoom van. Dat Duitsland minder mensen is gaan aannemen voor onderzoek en ontwikkeling, had te maken met de financiële crisis van 2008.

Nederland is als diensteneconomie veel minder afhankelijk van die energieprijzen – en daardoor flexibeler

„Naast de energiekosten worstelt de Duitse economie met de vergrijzing, een belangrijk probleem in de maakindustrie. En vooral: de maakindustrie bevindt zich in een overgangsfase, die nog best lang kan duren.

„De auto-industrie, met bedrijven als Volkswagen, Mercedes en BMW, heeft het moeilijk met de technologische transitie. En de digitalisering is een uitdaging voor de hele economie, en in het bijzonder voor een groot technologisch bedrijf als Siemens. Juist die technologische bedrijven worden door de veranderingen op hun eigen terrein hard getroffen. Ze moeten allemaal mee met de transitie, maar de innovaties komen voor een groot deel uit het buitenland en zijn in Duitsland niet altijd op tijd opgepakt. Denk aan digitaal werken, aan elektrisch rijden.”

De auto-industrie is een van de belangrijkste sectoren in Duitsland, qua werkgelegenheid en export. Maar de  impuls voor elektrische auto’s moest van Tesla komen en uit China, voordat Duitsland wakker werd.

„Ik geloof niet dat Duitsland vond dat dit auto’s waren, want er zaten geen motoren in, althans geen verbrandingsmotoren”, zegt Pfann met een glimlach.

Waar put u hoop uit voor de Duitse economie?

„De Duitse maakindustrie is nog steeds een van de grootste en sterkste ter wereld – en heel erg op de export georiënteerd. Een belangrijke rol daarin spelen de ‘verscholen winnaars’, een begrip dat in de jaren negentig is gemunt door de managementgoeroe Hermann Simon. Deze hidden champions, of heimliche Gewinner, zijn een reden om ondanks alle problemen toch vertrouwen in de Duitse economie te hebben. Het zijn relatief onbekende ondernemingen, maar wereldleiders in hun eigen nichemarkt. Hun omzet halen ze voor meer dan de helft uit de export, dus ze zijn niet zo afhankelijk van de Duitse economie. Hun verdienmodel ligt voor een groot deel in het buitenland.

„Ze horen tot wat in Duitsland de Mittelstand heet, niet te verwarren met wat we in Nederland middenstanders of midden- en kleinbedrijf noemen. Ook grote ondernemingen worden tot de Mittelstand gerekend. Ze zijn niet beursgenoteerd en vaak in handen van families. Denk aan Sennheiser, producent van koptelefoons en high end audiotechnologie; Kärcher, van de gele hogedrukspuiten; Würth, groot in schroeven, spijkers en ander montagemateriaal; en Herrenknecht, producent van tunnelboormachines. En zo zijn er zijn nog veel meer.”

Kan de Duitse economie zich aan dit soort bedrijven optrekken?

„Jazeker, het zijn lichtpuntjes. En tegelijkertijd zijn ze óók een van de oorzaken waarom de aanpassing van de economie aan nieuwe omstandigheden in Duitsland wat langer duurt dan in de rest van de wereld.

„Die familiebedrijven hebben een heel andere financieringsstructuur dan beursgenoteerde ondernemingen. Ze kunnen meer tijd nemen om strategisch na te denken over de lange termijn, ze zijn minder snel geneigd om te luisteren naar aandeelhouders die aandringen op winst voor de korte termijn. Maar in een periode van grote technologische veranderingen, waar we nu in zitten, brengt dat spanning met zich mee. Want als je niet snel genoeg meebeweegt, kan je achterop raken.”

Waarmee onderscheidt de Duitse economie zich nog meer positief?

„Duitsland heeft een unieke cultuur van beroepsopleidingen, de zogenoemde duale Ausbildung. In dat systeem gaan leerlingen een paar dagen per week naar school en werken de andere dagen bij een bedrijf om praktijkervaring op te doen. Het aantal mensen dat daarvoor kiest, groeit enorm, tot tevredenheid van ondernemingen. Het is niet te vergelijken met de Nederlandse beroepsbegeleidende leerweg (BBL) voor mbo-leerlingen, want in Duitsland bestaat deze beroepspraktijkopleiding op alle opleidingsniveaus, tot en met wat in Duitsland het gymnasium heet, vergelijkbaar met ons vwo.

„Een andere pijler van de Duitse economie is de zogenoemde triple helix: de samenwerking tussen universiteiten, grote industriële ondernemingen en onderzoeksinstituten als de Frauenhofer-Gesellschaft voor toegepast onderzoek, de Max Planck Instituten voor fundamenteel onderzoek en de Helmholtz-Gemeinschaft voor grote, veelomvattende maatschappelijke projecten.

„De samenwerking tussen die drie sectoren vormt het dna van de Duitse maakeconomie. Het is de basis voor technologische innovaties op de lange termijn.”

De regering van kanselier Merz heeft de ‘schuldenrem’ versoepeld en probeert de economie aan te jagen met  forse financiële impulsen. Is al te zien of dat helpt?

„Duitsland vorig jaar heeft een fonds van 500 miljard euro ingesteld, een zogenoemd Sondervermögen, om in tien jaar te investeren in verbetering van de infrastructuur en het klimaat. Maar daarvan heeft de Rekenkamer net gezegd dat het vooral gebruikt wordt om begrotingstekorten te dichten. Dus wordt het niet gebruikt voor waarvoor het bedoeld was.

„Dan gaat er ook veel geld naar de defensie-industrie. En Berlijn heeft 30 miljard beschikbaar gesteld voor een investeringsfonds gericht op start-ups. Private investeerders zouden daarmee aangemoedigd moeten worden op hun beurt 100 miljard in dit ‘Duitslandfonds’ te steken. Maar je zou eigenlijk juist een beweging verwachten naar meer investeringen waarin de overheid niet zo’n grote rol meer speelt.”

Een zit-schrobzuigmachine van Kärcher in de maak in Baden-Württemberg.

Foto Getty Images
Lees het hele artikel