Zes op de tien Nederlandse scholieren hebben liever geen genderneutrale wc

11 uren geleden 1

op veel Nederlandse middelbare scholen zijn de toiletten nog altijd verdeeld in twee hokjes: voor jongens en voor meisjes. Daar zijn zes op de tien scholieren tevreden mee. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzamelden onderzoekers tussen 2021 en 2024 opvattingen over lhbti+-thema’s van meer dan 31.000 Nederlandse middelbare scholieren.

Een meerderheid van deze jongeren vindt dat iedereen gelijkwaardig is, ongeacht op wie iemand valt. Een flinke minderheid – 41 procent – van de ondervraagden is het daar niet mee eens. Het rapport laat zien dat zowel conservatieve als progressieve opvattingen op alle bevraagde thema’s te vinden zijn. De opvattingen hangen het sterkst samen met algemene sociaal-maatschappelijke oriëntatie en met gender. Zo denken jongeren met algemeen conservatievere opvattingen ook conservatiever over lhbti+-thema’s, en zijn jongens gemiddeld behoudender dan meisjes.

Dit verschil tussen jongens en meisjes is overigens niet overal even groot. Op het vmbo is het relatief klein, op de havo groter en op het vwo het grootst. In de periode tussen 2021 en 2024 is hier een lichte verschuiving zichtbaar: meisjes zijn iets conservatiever geworden.

Religieuze jongeren hebben gemiddeld conservatievere opvattingen dan niet-religieuze jongeren, en vmbo-leerlingen scoren gemiddeld behoudender dan havo- en vwo-leerlingen. Opvallend is ook: bepaalde factoren spelen géén rol op zich. Zo hangen migratieachtergrond en leeftijd niet direct samen met lhbti+-opvattingen.

Lees ook

Jongeren accepteren veelal de haat tegen lhbti+ die ze online tegenkomen, zegt de expert

Wat vonden jullie opmerkelijk aan jullie bevindingen?

„Wij vonden vooral de variatie in de opvattingen opvallend. Nederland staat internationaal bekend als vooruitstrevend op het gebied van lhbtiq+-acceptatie, toch zie je dat zowel de conservatieve als de progressieve groep onder jongeren substantieel vertegenwoordigd is. Dat contrast is wat ons het meest trof. Het is niet zo dat de meerderheid duidelijk één kant op wijst, beide groepen zijn echt aanwezig”.

Jullie maken onderscheid tussen ‘concrete gender-uitingen’ en ‘abstracte normen’. Waarom is dat onderscheid belangrijk?

„Concrete uitingen van lhbti+-thema’s, zoals Paarse Vrijdag op school, genderneutrale toiletten, of de vraag of geslacht vaststaat vanaf de geboorte, zijn direct zichtbaar in het dagelijks leven. Over zulke zaken kun je in een pluriforme samenleving van mening verschillen, daarin wil je variatie zien. Jongeren kunnen vinden dat een school zelf mag bepalen of Paarse Vrijdag wordt gevierd, daar is ruimte voor debat.

Opvallend, en wat we in de literatuurstudie zagen, is dat het gemiddeld best goed gaat met acceptatie van lesbische en homoseksuele mensen. Maar als je het hebt over Paarse Vrijdag, dan hoor je: ‘dat moet ik niet door mijn strot geduwd krijgen’. Het laat zien dat de mate waarin persónen geaccepteerd worden, anders is dan de mate waarin uitingen geaccepteerd worden.

Abstracte normen, zoals gelijkwaardigheid en het recht om zelf te bepalen op wie je verliefd wordt, dat zijn democratische basiswaarden waar ons land voor staat. Dat is een heel andere discussie. Als 41 procent van de jongeren vindt dat homoseksuele en lesbische mensen niet gelijkwaardig zijn aan heteroseksuele mensen, dan raakt dat aan de burgerschapsopdracht die scholen hebben.”

Nikki Dekker, promovendus aan de UvA en hoofdonderzoeker in het onderzoek naar de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.

Eerder onderzoek vond een verband tussen migratieachtergrond en lhbti+-opvattingen, jullie niet. Hoe verklaren jullie dat?

„Ten eerste hebben wij iets anders gemeten dan veel eerder onderzoek. Wij keken naar opvattingen over thema’s, zoals dus de genderneutrale toiletten, en niet naar opvattingen over personen, zoals ‘hoe voel jij je tegenover een homoseksuele man’. Hoe je je voelt over een persoon is iets anders dan hoe je denkt over een zichtbare maatschappelijke uiting.

Ten tweede laat onze studie zien dat migratieachtergrond wel degelijk een rol speelt, maar altijd in samenspel met andere factoren. We vinden geen zelfstandig hoofdverband, wel een interactie met religie. We zien dat de verschillen naar religie groter zijn onder jongeren zonder migratieachtergrond, dan onder jongeren met migratieachtergrond. Dat nuanceert het narratief dat je in de media vaak hoort, waarbij de schuld voor intolerantie al snel bij jongeren met een migratieachtergrond wordt gelegd. Onze data laten zien dat het veel complexer is dan dat. Mensen hebben veel verschillende kenmerken en ook omgevingsfactoren bepalen hoe je ergens over denkt. Uiteindelijk zorgen al die factoren samen voor wat je ergens van vindt.”

Zijn de uitkomsten reden tot zorg of tot optimisme?

„Dat hangt af van hoe je het leest. Jongeren scoren gemiddeld genomen nog steeds progressief op abstractere normen rond gelijkwaardigheid en autonomie. Daarbij zijn de opvattingen in de afgelopen jaren grotendeels stabiel gebleven. Maar dat 41 procent van de jongeren de gelijkwaardigheid van lhbtiq+-personen niet onderschrijft…dat is een substantiële groep. Wij hebben het nu in kaart gebracht. Wat dit betekent, is nu aan de politiek.”

Lees ook

Scholen doen hun best, maar steeds minder jongeren vinden homoseksualiteit ‘normaal’

Les over LHBTI in de vierde klas praktijkonderwijs van het Mundus College in Amsterdam.
Lees het hele artikel