Fieke Opdam is gewaarschuwd voor Joram van Klaveren, zegt ze terwijl ze hem recht aankijkt. Hij zit tegenover haar en glimlacht. Ze zitten aan een tafeltje in de verder uitgestorven pianobar van een hotel in Vianen.
„Mijn broertje”, zegt zij, „werkt voor de VVD in de Tweede Kamer. Toen ik jouw naam noemde, zei hij: oeh, dat ga je nooit redden, want die is héél intelligent.” Van Klaveren begint hard te lachen. „Dat is een compliment.”
Zij: „Dus ik ben interviews van jou gaan luisteren en ik dacht: nou, wat wordt dit? Maar ik heb het als heel gezellig ervaren, tot dusver. ”
Van Klaveren: „Tot dusver.”
Het interview is dan één minuut en veertien seconden bezig.
Fieke Opdam groeide op in een gezin waarin God ouderwets werd gevonden. „Die hoorde bij de kringloop.” Ze had een zware jeugd, werd als kind seksueel misbruikt en ging op haar vijftiende uit huis, onder begeleiding van jeugdzorg. Ze bekeerde zich tot het katholicisme en haalde op haar achttiende de krantenkoppen als jongste non van Nederland. Na tien jaar keerde ze zich af van de katholieke kerk, ze is nu cabaretier. In oktober verschijnen haar memoires.
Joram van Klaveren groeide op in een protestants gezin. Hij was PVV’er van het eerste uur. Hij werkte als beleidsmedewerker voor Martin Bosma, bedenker van onder meer de ‘kopvoddentax’, belasting voor het dragen van de hijab. Later werd hij zelf Kamerlid, hij voerde het woord over integratie en islam. Dat laatste noemde hij „de grootste ziekte die Nederland de afgelopen eeuw heeft gekend”. In 2018 bekeerde hij zich tot de islam.
Fieke Opdam kwam in aanraking met het klooster op de middelbare school. Ze besloot daar stage te lopen na het zien van de film Sister Act. „Ik vroeg me af hoe je nou je hele leven kunt geven aan een God die je nooit hebt ontmoet. Geen bier, geen seks…” Ze leefde een week met de zusters. „Ik dacht: ze zullen me wel willen bekeren, maar daar ga ik écht niet mee akkoord.”
„Ze hadden over alles nagedacht: het leven, de dood, purpose of life. Ik was op dat moment net uit huis geplaatst en volgde kamertraining om op mezelf te wonen. En ineens had ik daar dertig moeders die betrokken waren bij mijn leven. Ik voelde me er heel snel thuis. Ik was al wel katholiek gedoopt, dat doen Brabanders zonder dat ze weten waarom.”
Jaren na de stage blijft Opdam het klooster bezoeken, in weekenden, voor en na school, tijdens tussenuren. „Ik begon echt wat te voelen bij de mis, bij het gebed. En ik besefte: volgens mij ben ik gelovig geworden. Ik bestudeerde de Bijbel, kreeg catechese [geloofsonderwijs]. Op mijn achttiende ben ik ingetreden. Nu ik erop terugkijk denk ik dat het heeft meegespeeld dat je vanaf die leeftijd niet meer bestaat voor jeugdzorg en zelf alles moet uitzoeken. De zusters zeiden eerst tegen me dat ik te jong was, dat ik eerst moest gaan studeren en werken. Maar ik wist zeker dat God me geroepen had. En een roeping, dat is in het katholicisme wel een dingetje.” Uiteindelijk kon Opdam terecht bij een ander klooster. „Een orde van zusters die moeders zijn voor hen die geen moeder hebben. Dat raakte mij. Ik heb wel een moeder, maar goed, die relatie was zo verstoord.”
Hoe klonk die roeping?
Zij: „Het is hele diepe vrede, moeilijk uit te leggen. Alsof je verliefd wordt. Maar bij verliefd worden krijg je hormonen en andere toestanden en dit is een soort rust, alsof er aarde onder je voeten is, een diep weten dat iemand altijd bij je is. Ik merkte tijdens het bidden dat ik steeds meer bij mezelf kwam, steeds beter begreep waarom ik hier was, steeds meer over God leerde. Ik werd gewoon heel gelukkig.”
Hij: „Heel herkenbaar, dat laatste. Voor mij voelde het als thuiskomen. Toen ik christen was wílde ik graag geloven in wat verteld werd, onder meer de heilige drie-eenheid (Vader, Zoon en Heilige Geest). Maar intellectueel kon ik daar niks mee, het was een soort error. Toen ik moslim werd, viel dat weg. De connectie tussen hoofd en hart kwam in lijn met hoe het hoort te zijn, gevoelsmatig. Dat gaf rust.”
Zij: „Leg maar eens uit waarom je verliefd kunt worden op de ene man en niet op de andere. Het is hetzelfde mysterie.”
Hij: „Daarom is poëzie mooi, het geeft uitdrukking aan iets wat je zelf niet goed in woorden kan vatten. Er is bijvoorbeeld een gedichtje van Rumi [Perzische dichter uit de dertiende eeuw] waarin gezegd wordt dat je niet je stem moet verheffen maar je woorden. Want het is niet de bliksem die bloemen doet bloeien, maar de regen.”
Van Klaveren wilde geen moslim worden, zegt hij. Integendeel: hij werkte aan een anti-islamboek. „Met een politiek sausje, want als ik kon aantonen dat de islam een gevaar is, dan zouden we er iets tegen moeten doen. Ik wilde de islam weerleggen vanuit een theologisch perspectief. Gaandeweg kwam ik erachter dat mijn christelijke vragen islamitische antwoorden hadden. Maar ik wilde niet dat het richting de islam ging, dus dan ging ik wéér op zoek naar hoe het óók zou kunnen zitten. Het heeft zo’n drieënhalf jaar geduurd voordat ik helemaal klaar was, op een gegeven moment heb je alle invalshoeken wel gehad.” Hij was zich ervan bewust, zegt hij ook, dat zijn leven heel anders zou worden als hij zich zou bekeren.
Zij: „Dit vind ik echt zo dapper aan jou. Ik zou echt niet durven joh, dit is echt… wauw.”
Waarom stapte jij uit de kerk?
Zij: „Ik ben uiteindelijk bijna tien jaar zuster geweest. In het klooster heb ik dingen meegemaakt waarvan ik denk: die hebben niets met God of de waarheid te maken. Seksueel geweld bijvoorbeeld, in mijn tijd in Amerika, waar ik uitgezonden ben geweest. Een van de zusters heeft dat erkend en is ook weggegaan.” Opdam wil er niet verder over vertellen, omdat er nog een zaak loopt.
„Op het moment dat ik het misbruik bij de kloosterorde meldde, werd ík als dader behandeld. Er werd tegen me gezegd dat ik had moeten zwijgen. Ik dacht: huh, jullie staan toch voor de waarheid? Jullie weten toch dat je op een dag je schepper gaat ontmoeten? Waarom liegen jullie dan over mij? Godzijdank heeft een zuster haar rug recht gehouden voor mij. Ik ben naar een ander klooster binnen dezelfde orde gegaan, daar heb ik mijn vorming af kunnen maken.”
Van het ene op het andere moment ging ik van jongste non van Nederland, reclamebord van de katholieke kerk, naar hel en verdoemenis
Terug in Nederland, zegt Opdam, lukte het haar niet meer om te aarden. Toen de overste een zwembad liet bouwen in de tuin van het klooster begon Opdam vragen te stellen. Paste dit nou bij het kloosterbestaan? „In een brief schreef ik haar dat ik een gelofte heb afgelegd voor God en dat ik haar acties niet kon onderschrijven. Daarna is ze me gaan pesten: ze belde het hoofdkantoor, zei dat ik geld van vrijwilligers had gestolen om op vakantie te gaan, ik zou ook blokfluiten hebben gestolen.” Opdam was junior zuster, ze had de eeuwige gelofte nog niet mogen uitspreken. „Uiteindelijk kreeg ik een brief dat ik mijn geloftes niet mocht hernieuwen. Ik stond van de ene op de andere dag op straat.” Ze probeerde tevergeefs onderdak te regelen via de kerk en werd, zegt ze, door het meldpunt van de kerk ontmoedigd om haar beklag te doen. „Van het ene op het andere moment ging ik van jongste non van Nederland, reclamebord van de katholieke kerk, naar hel en verdoemenis.”
Van Klaveren luistert aandachtig.
Opdam: „Ik dacht: deze hele kerk is gebouwd op hiërarchie. Op onderdrukking. Dit heeft helemaal niets met God te maken. Het is niet alleen mijn verhaal. Ik zag andere zusters uittreden, ik zag gezinnen die zich altijd hadden ingezet voor de kerk, waarvan de vader overleed en moeder ineens niet meer meetelde. Het klopte gewoon echt niet.”
De kerk niet, of je godsbeeld niet?
Zij: „Mijn godsbeeld is gebaseerd op een kerk die niet klopt. In de kerk geloven we dat een zuster met God trouwt, dus ik moest ‘mijn ex’ opnieuw leren kennen. Dat was heel eng, ik was doodsbang. Mijn brein geloofde dat ik naar de hel zou gaan als ik niet meer in het katholicisme geloofde, als ik niet meer op zondag naar de heilige mis zou gaan. Op een gegeven moment heb ik daar rigoureus afscheid van genomen. Ik wilde niks te maken hebben met een God die mij opriep tot een bepaalde levensstijl, vanuit angst. En toen pas heb ik God opnieuw leren kennen. Ik geloof wel heilig dat er een God bestaat.”
Richting Van Klaveren: „Ik bedoel dit niet als uitnodiging.” Lachend: „Nee, grapje. Maar niet dat je nu zegt: wacht even, wij weten wel waar je in kunt…”
Hij, terwijl hij doet alsof hij iets van onder de tafel pakt: „Ik heb toevallig een boek bij me…”
Ze schaterlacht. „Zo grappig.”
Later, op serieuze toon: „Ik ben lesbisch, hártstikke lesbisch. Ik heb er alles tegen proberen te doen, ik heb van de nonnen conversietherapie moeten volgen.”
Hij, vooroverbuigend: „Is dit echt of hypothetisch?” – ze heeft hem al een paar keer een bedachte situatie voorgelegd.
Zij: „Dit is echt zo. Ik heb me de pleuris gebeden, want binnen mijn geloof is het een doodzonde. Vooral het praktiseren ervan. Ze noemen het een weeffoutje, er valt niet over te praten. Dit deel van mij zal nooit geaccepteerd worden. Dan zeggen wij: niet praktiseren is een offer aan God. Heel lang heb ik dat ook gedacht en geloofd.
Nu denk ik: welke meerwaarde kan het geloof voor mij hebben, als ik maar gedeeltelijk mee mag doen? Ik mag me nooit verbinden aan iemand, of moeder worden. Maar God heeft mij toch ook geschapen? Wat is dan mijn purpose of life?”


Joram van Klaveren en Fieke Opdam.
Foto’s Roger CremersHij: „Moslims geloven dat het doel in het leven het dienen van God is. Letterlijk betekent islam onderwerping, je onderwerpt je aan de schepper. Mensen denken al snel dat daarmee het slaafs volgen van regeltjes wordt bedoeld. Maar we geloven in fitra: een aangeboren neiging om iets te doen. En dat ieder mens de neiging om te geloven in zich heeft, of je nou zwart, wit, dik, dun, homo, hetero bent, het zit gewoon in jou. Als een vogeltje fluit, is dat zijn fitra, hij kan niet anders. Als de planeten een rondje draaien om de zon is dat onderwerping. En als jij leeft in lijn met die fitra – je dient God met je gebeden, maar ook in goede daden – dan onderwerp je je. Dat er ook dingen fout gaan, omdat je ook een vrije wil hebt, is honderd procent waar.”
Zij: „Bedoel je nou dat mijn homoseksualiteit vrije wil is?”
Hij: „Ik denk niet dat het vrije wil is, ik denk dat het een aangeboren neiging is. Zoals ik op vrouwen val. En zoals dat vogeltje dus fluit. Maar het is niet zo dat alles wat aangeboren is, ook goed is voor jou.”
Zij: „Dat ben ik helemaal met je eens. Slecht eten, bijvoorbeeld, is niet goed voor me. Maar dat is een kéúze die ik kan maken. Als ik zo’n keuze over mijn geaardheid zou maken, uit liefde voor God, dan zou het betekenen dat ik de rest van mijn leven alleen zou wonen.
„Wat zou jij doen? Ik bedoel dit niet zielig, maar puur praktisch. Stel je voor dat het andersom zou zijn: homoseksualiteit is de norm. Even schakelen misschien. En jij beseft dat je op vrouwen valt en dat is echt totaal niet de norm.”
Hij: „Dat is natuurlijk wel een hele what if-vraag.”
Zij: „Het is mijn realiteit.”
Hij: „Ik zou kinderen willen opvoeden. Daar komt iets bij kijken. Doorgaans.”
Zij: „Anders komen er geen kinderen.”
Hij: „Daarom. Jij neigt naar het stichten van een gezin.”
Zij: „Ja. Zeker.”
Hij: „Een van de doelen van het huwelijk in de islam is kindjes groot brengen. Maar dat gaat niet tussen vrouw en vrouw als we geen kunstmatige inseminatie toepassen of andere truken uithalen. Dus dan mis je het doel dat je zelf wilt behalen.”
Zij: „Ja, dat begrijp ik. Alleen… ik heb dus aan de ene kant een gezond verlangen, of wat God dan ingesteld heeft in mijn hart, namelijk moeder worden. Maar ik mag in mijn beleving niet meedoen binnen religie omdat ik dus afwijk.”
Hij: „Wat bedoel je met ‘meedoen’?”
Zij: „Ik mag niet zoals jullie een gezin starten. Ik mag niet met iemand trouwen. Ik mag niet dienend zijn aan een gezin als ik God zou willen volgen. Dus eigenlijk vind ik dat ik voor de keuze gesteld word: of ik volg God en ik ben daar zuiver in, of ik volg mijn hart. En daarmee bedoel ik: ik wil graag met een vrouw samenwonen. Want ik hou van vrouwen.”
Woon je met een vrouw samen?
Zij: „Nee. Ik heb wel zes weken geleden voor het eerst iemand ontmoet. Ik heb nog nooit een relatie gehad hoor.” Ze kijkt naar Van Klaveren. „Dus wat het praktiserende deel betreft, kan ik je nog recht aankijken.”
Hij lacht: „Oké. Maar dat is best wel de crux.”
Zij: „Ja, nóg wel. Maar ik sta op de springplank, ik moet een keuze gaan maken. Snap je wat ik bedoel of niet? Maak ik je ongemakkelijk? Dat is niet mijn bedoeling.”
Hij: „Nee, helemaal niet. Misschien was ik niet duidelijk. Het praktiseren van homoseksualiteit is iets anders dan het zijn van een homo. Dat is de theologische knip die er gemaakt wordt. Dus jij bent zoals je bent, ja inderdaad, wat je zegt, zo ben je geschapen. Alleen dat betekent niet dat de neiging die daar misschien uit voortkomt per definitie ook goed is voor jou.”
Zij: „Waarom zou het voor jou goed zijn om met een vrouw een kind te krijgen? En waarom zou het voor mij niet goed zijn om met een vrouw seks te hebben? Ik denk dat dat heel goed is zelfs. Ik kan me niet voorstellen dat er een God is die daar tegen is. Binnen het katholicisme ga je naar de hel. Bij jullie zal ik daar ook in de buurt komen, vermoed ik zo. Of niet?”
Hij: „Ik ben geen imam, ik ben geen islamitisch geleerde.”
Zij, ongeduldig: „Kom op, je weet het toch wel. Ik bedoel, ik kan dat zelfs beantwoorden voor jou.”
Hij: „Nee, ik kan niet zeggen dat jij naar de hel gaat omdat jij seks hebt met een vrouw.”
Zij: „Dat weet ik. Jij kan niet bepalen hoe God oordeelt. Dat begrijp ik.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/30152316/220826WEE_2034734563_5.jpg)
Fieke Opdam en Joram van Klaveren.
Foto Roger CremersHoewel ze zich losgemaakt heeft van de katholieke kerk, valt op dat Opdam nog steeds „wij” en „ons” zegt, als ze het heeft over katholieken. „Ik vind het te makkelijk voor mij om nu te spreken over ‘wij ongelovigen’ en ‘zij gelovigen’, want dan plaats ik mezelf op een hogere positie dan hij. Omdat hij nog in God gelooft en ik niet meer. Het zou voor mij heel makkelijk zijn om hier te zeggen: ‘ik ben gay, ik vind dat dat moet mogen’, terwijl ik ook tien jaar lang heb gepredikt… ik heb ook tegen lesbische koppels gezegd: als jij dit doet, ga je naar de hel.”
Geloven in God heeft je ellende gebracht: je bent misbruikt in het klooster, buitengesloten, weggepest. En toch denk je niet: met God wil ik niks meer te maken hebben.
Zij: „God had mij tenminste lief. Dat was een heel veilig idee, als je uit mijn situatie komt. Ik vind dat ik mezelf tekort doe als ik dat ga ontkennen. Het was toen mijn waarheid. Maar ik moet nu niets meer van de katholieke kerk hebben, ik vind de harde kern ervan sektarisch. Ik keur religie nu volledig af.”
Hij gaat met zijn armen over elkaar zitten.
Zij: „Ménsen doen elkaar dingen aan. In mijn boek stel ik de vraag: hoe kan deze God naast mij hebben gezeten terwijl ik als kind verkracht werd, niets gedaan hebben en dan toch zeggen: ik ben je vader. Nou, leuke vader dan. Ik had het al niet zo op vaders.”
Wat is je antwoord op die vraag, neem je God iets kwalijk?
Zij: „Ik heb wel woede tegenover God ervaren. Toen ik de gelofte ging doen was er gedoe, omdat ik geen maagd meer was vanwege het misbruik. Ik weet nog dat de overste moest huilen. Niet alleen om mijn verhaal, ook omdat ze zei dat de meeste meisjes die dit hebben meegemaakt het religieuze leven niet aankunnen. Want God is een man, en ze hebben negatieve ervaringen met een man. Ik moest heel hard vechten om ze ervan te overtuigen dat ik een zuivere ziel had.
„Maar ik denk niet dat al het lijden van God komt. Als ik nu naar Palestina kijk… God is de schepper, waarom zou de schepper zijn eigen schepping vernielen?”
Ik mis de politiek echt helemaal niet. En inshallah hoef ik daar ook nooit meer in
Van Klaveren vertelt over een van zijn drie dochters, de jongste. In december werd bij haar nierkanker geconstateerd. „Ze is pasgeleden schoon verklaard, het ging heel snel. Ze werd behandeld in een kinderziekenhuis, waar het leed overal was. Een van de artsen vertelde dat hoe seculier mensen ook waren als ze er binnenkwamen, bijna niemand atheïst bleef. Omdat bijna iedereen God aanroept. Het is een situatie waarin je als ouder niet veel meer kan doen dan bidden en hopen.”
Zij: „Was je ook boos? Ik was in het begin heel boos, pas later niet meer.”
Hij: „Nee. Kijk, islamitisch gezien komt alles van God.”
Zij: „Maar Joram-gezien?”
Hij: „Joram is moslim.”
Zij: „Mag Joram ook nog denken en voelen, los van zijn geloof?”
Hij: „Dit is wat ik denk. Als christen heb ik ook nooit woede ervaren als er iets vervelends gebeurde in mijn leven. Alle ellende en al het goede komt van de schepper.”
Voelde jij berusting toen je dochter ziek werd?
Hij: „Ja. En daarin troost. Je bidt je helemaal scheel als het ware. Dus je hoopt natuurlijk dat het wordt verhoord. En dat ze uiteindelijk weer beter wordt. Dat is in ons geval gelukkig gebeurd. Maar ik heb geen woede gevoeld. Ik ben bijna nooit boos.”
Als Kamerlid leek je dat wel. Stond je achter de katheder te verkondigen dat de islam een groot gevaar is.
Hij: „Ik weet niet of ik woedend was. Ik was meer bezorgd, niet boos.”
Zij: „Ben je destijds nooit boos geweest op de islam? De hele PVV hangt aan elkaar van woede.”
Hij: „Nee, dat is een misconceptie hoor. Die hoor je vaak bij mensen aan de linkerkant, dat ze zeggen: boze man, boze dit. Maar mensen zijn vooral bevreesd voor de islam.”
Zij: „Je wilde de islam uitschakelen.”
Hij: „Omdat ik dacht dat het een gevaar was.”
Zij: „O, dus je wilde die vanuit goedheid uitschakelen.”
Hij: „Ja, de mensen die daar zitten, denken dat ze het goede doen. Toen ik echt actief was voor de PVV had ik natuurlijk een heel ander wereldbeeld, dat is gewijzigd. En daarmee wijzigt ook je zíjn. Ik heb een soort existentiële switch gemaakt.”
Later in het gesprek vraagt Opdam aan Van Klaveren of hij had gewild dat hij al eerder moslim was geworden. „Hoe eerder hoe beter”, zegt hij. „Dan had ik de samenleving een hoop ellende bespaard, denk ik, en mezelf ook. Maar of het ook eerder had gekund? Ik denk het niet, ik heb dit pad moeten bewandelen.”
Missen jullie je vorige leven weleens?
Hij: „Absoluut niet. Ik mis de politiek echt helemaal niet. En inshallah hoef ik daar ook nooit meer in. In een aantal opzichten ben ik helemaal niet veranderd. Ik heb nog steeds dezelfde vrouw, die zich niet heeft bekeerd. Ik heb voor een heel groot deel nog dezelfde vrienden. Een aantal vrienden van de PVV ben ik verloren, Kamerleden en medewerkers. Die hebben afscheid van mij genomen, vrij rücksichtslos. Voor mij ben je nu dood, zeiden ze.”
Zij: „Eigenlijk ben jij een soort Paulus toch?” [Een fanatieke tegenstander van het christendom in de Bijbel die zich na een ontmoeting met Jezus bekeerde en het geloof juist ging verspreiden.]
Hij: „Ik snap wat je bedoelt, hij ging van de ene kant naar de andere.”
Als hij Paulus is, welk Bijbels figuur zou jij dan zijn?
Zij: „Paulus, maar dan de andere kant op.”
Hij moet lachen.
Zij: „Of nee, ik vervolg geen christenen. Ik denk, en dit is niet omdat ik mezelf met haar vergelijk, ik denk Maria. Maria staat onder het kruis, Maria laat het op zich inwerken. Maria ziet.”
Hij: „Mama of Magdalena?”
Zij: „Nee, de moeder van Jezus. Niet dat ik mezelf die heiligheid toebedeel. Ze komt amper aan het woord in de Bijbel. Behalve dat ene moment, in het Lucas-evangelie, dat ze dus zegt: mijn wil geschiede naar uw woord. Dat heb ik ook gezegd, al heel jong.”
Na meer dan twee uur moet Van Klaveren weg, hij is langer gebleven dan gepland en komt te laat op zijn volgende afspraak. „Nu maak ik allemaal mensen boos”, zegt hij. „Zeg maar dat het aan mij lag”, zegt zij. „Zeg maar dat je me moest bekeren.”
‘Ik kon net als jij lopen zuigen, zaniken en etteren’
Wouke van Scherrenburg & Bob Scholte



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/23213718/230826VER_2036133659_FeyenoordCambuur.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/21103803/240826OPI_2036100418_westbank.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/06090734/210826WEE_2035635366_WEB_HEADER_ILLU_Floor-Rusman-7_Referentiekaders_Kwennie-Cheng.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/19093534/210826BIN_2035762612_Summermaxxing-WEB.jpg)
English (US) ·